Een merkwaardig manisch leven

Ooit won hij de P.C. Hooftprijs met poëzie waarin kenners de ‘gestichtsbel’ hoorden rinkelen. Ruim drie decennia later wordt Hendrik de Vries geëerd met een uitgebreide biografie.

Jan van der Vegt
Hendrik de Vries: Biografie
Meulenhoff, 700 blz., € 39,90

De belangrijkste vertegenwoordigers van zijn generatie zagen veel in hem. Du Perron en Nijhoff bewonderden hem, Slauerhoff wilde samen met hem een bundel maken, Marsman was onder de indruk van zijn poëzie, die hij ‘onaards en vulkanisch’ noemde. Ter Braak schreef als aanbeveling: ‘Wie tot het dichtwerk van Hendrik de Vries wil doordringen, moet beginnen iedere gedachte aan betoog, moraliseren, zoetvloeiendheid, opzij te zetten.’ De gedichten van Hendrik de Vries (1896-1989) leken totaal niet op die van andere dichters uit het interbellum. Toch spraken ze door hun extatische, geheimzinnige en fantasmagorische karakter een deel van het publiek juist aan. Over de betekenis van het vroege gedicht Mijn broer zijn decennialang polemieken gevoerd en terwijl veel dichters geneigd waren introvert te stamelen, gaven sommige lezers zich graag over aan het dichterlijk oergeweld in verzen als:

Gebroken pluimplantknoesten.

IJzerranden roesten

In branding, onder schuimrandbaren,

roofdierwoesten,

Wier aanvangsbulderingen ’t wolkenleger

tergen,

Wier einden ’t land met steelse rimpeling

ontmergen.

Na de poëtische revolutie van de Vijftigers, die door De Vries werden afgeserveerd als hopeloze broddelaars in wier werk de zetfouten niet als zodanig te herkennen waren, nam de waardering voor zijn werk af. Goed, hij was een gevestigde naam geworden die werd bedacht met tal van prijzen, beurzen en regeringsopdrachten, maar critici lieten zich steeds vaker negatief uit over zijn werk. Toen De Vries in 1973 de P.C. Hooftprijs won, vond de jonge Boudewijn Büch het nodig de aandacht op zich te vestigen door de laureaat volledig af te branden. Zijn dichtbundels zouden bestaan uit ‘uitgeschreven gebrabbel op een half-defecte bandrecorder die een cursus welsprekendheid heeft gevolgd op een niet-erkend instituut’. Het was een schandaal dat De Vries deze prijs had ontvangen, want het was ‘de Staatsprijs voor Letteren en toch niet de eerste prijs op een festival voor dronkemansgelal’. Büch mocht altijd graag koketteren met zijn liefde voor Bilderdijk, voor deze twintigste-eeuwse navolger van diens extatische retoriek kon hij echter geen waardering opbrengen. Dertien jaar later, toen ter gelegenheid van De Vries’ negentigste verjaardag een door Willem Wilmink samengestelde bloemlezing verscheen, schreef Rob Schouten dat de veel geroemde geheimzinnigheid van De Vries alleen ‘aan de oppervlakte’ bestond en dat het mysterie van zijn poëzie ‘eendimensionaal’ was.

Decennialang werd het werk van De Vries vooral gepropageerd door Wilmink, W.F. Hermans en Jan van der Vegt. De laatste publiceerde in 1980 een monografie over De Vries’ poëzie en heeft zich nu, na zijn biografieën van Hans Andreus en Adriaan Roland Holst, gewaagd aan een levensbeschrijving van de Groningse dichter. Uit dit boek wordt duidelijk dat je veel over De Vries’ poëzie kunt zeggen, maar niet dat ze een oppervlakkig verschijnsel was. Zijn gedichten kwamen van heel diep, uit een ziel waarin het kolkte en gistte. Het dichten was een manier om tal van obsessies en complexen hanteerbaar te maken.

Al in 1925 schreef P.N. van Eyck dat je in de poëzie van De Vries ‘de gestichtsbel kon horen rinkelen’. Dat dit niet ver bezijden de waarheid was, blijkt uit wat Van der Vegt schrijft over zijn ouders. Vader Wobbe de Vries doet enigszins denken aan de vader uit Amos Oz’ roman Een verhaal van liefde en duisternis. Hij was een wat wereldvreemde taalkundige die zo’n dozijn talen kon spreken en er maar liefst dertig kon lezen, en van wiens academische ambities weinig terechtkwam. Deze door depressies geplaagde man trouwde met een volle nicht, waarvan bleek dat ze in ernstige mate manisch-depressief was. Volgens Hendrik de Vries was een zware vorm van melancholie hun ‘familiedemon’.

Zijn moeder beschikte over een aanzienlijk acteertalent, waar ze na haar huwelijk niet meer mee uit de voeten kon. Haar gefnuikte ambities, door een Victoriaanse opvoeding veroorzaakte seksuele frustraties en haar psychische aandoening maakten haar tot een moeder die door Hendrik de Vries als een bedreiging werd ervaren. In zijn werk zijn tal van aanwijzingen te vinden dat zij zich tegenover hem sadistisch of zelfs incestueus gedragen heeft. In ieder geval heeft haar merkwaardige gedrag – ze dwong haar kinderen naakt te slapen en bespiedde hen dan, ook liet ze hen soms opzettelijk kou lijden – zijn uitwerking op De Vries niet gemist. Hij ontwikkelde een masochistisch verlangen naar kou, verlangde dikwijls hartstochtelijk naar afschuwelijke nachtmerries en maakte regelmatig gewag van ‘heerlijke koortsaanvallen’. Hij was altijd op zoek naar een roes, naar opwinding. Zo was hij dol op vliegen, vooral wanneer gedemobiliseerde Duitse gevechtsvliegers hem meenamen in hun wendbare machines en de gevaarlijkste capriolen uithaalden. Collega-kunstenaars – zijn leven lang heeft hij zichzelf in de eerste plaats beschouwd als beeldend kunstenaar, daarna pas als dichter – hebben beschreven hoe hij dansend en springend stond te tekenen. Het zal niet verbazen dat hij wat betreft zijn literaire werk sterk beïnvloed was door Edgar Allan Poe en dat hij zich als kunstenaar vooral aangetrokken voelde tot Goya.

De seksuele obsessies en aberraties van zijn moeder leidden ertoe dat De Vries een grote huiver en afkeer ontwikkelde van de seksualiteit van volwassenen. Wat dit betreft bleef hij in de kindertijd steken, wat inhield dat hij zich uitsluitend aangetrokken voelde tot jonge meisjes die nog niet in de puberteit waren. Wanneer we de biograaf mogen geloven – en er zijn weinig redenen om aan hem te twijfelen gezien de uiterst consciëntieuze wijze waarop Van der Vegt dit onderwerp behandelt – heeft dit bij De Vries nooit geleid tot seksueel misbruik. In seksueel opzicht is hij altijd het jongetje gebleven dat hij op tienjarige leeftijd was geweest. Hij verkeerde dikwijls in grote opwinding, maar vond zijn ontlading uitsluitend in zijn creatieve werk. Kinderen waren meestal dol op hem, omdat hij echt als kind met ze kon spelen.

Zijn hang naar het extatische, irrationele en mysterieuze uitte zich ook in zijn fascinatie voor Spanje. Toen hij als tienjarige foto’s van Spaanse danseressen en stierenvechters zag, voelde hij dat dat zijn ware vaderland was. Van 1924 tot het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 reisde deze klerk van het Groninger stadsarchief elk jaar naar Spanje. Hij maakte zich de taal volkomen eigen en vertaalde honderden coplas: korte, anonieme volksliedjes die ook als berijmde grappen of spreuken werden overgeleverd en die gaan over alledaagse onderwerpen als verliefdheid, jaloezie, ruzie, geluk, geloof en zonde.

Van der Vegt heeft dit merkwaardige, manische leven uitgebreid en gedegen beschreven, waarbij hij op voorbeeldige wijze het verband laat zien tussen de ontwikkelingen in De Vries’ leven en die in zijn werk. Af en toe is hij wel wat erg uitvoerig. Zo kunnen we alle reizen naar Spanje vrijwel van dag tot dag volgen, wat op den duur nogal monotoon wordt. Ook in de beschrijving van De Vries’ seksuele afwijking herhaalt de biograaf zichzelf nogal eens.

Dit neemt niet weg dat Van der Vegt een prima biografie heeft afgeleverd en een overtuigend beeld schildert van een dichter en kunstenaar die extreem onalledaags en zelfbewust was. Vooral na de oorlog, toen De Vries toch nog in het huwelijk trad en als criticus hard oordeelde over de jongere generatie, was de hoofdpersoon van dit boek niet bijster sympathiek. Hij kreeg met vrijwel iedereen ruzie – ook met grote bewonderaars als Willem Wilmink – maar omdat hij zo’n unieke figuur was, ben je geneigd hem veel te vergeven. Daarom moeten wij de biograaf ook maar vergeven wanneer hij soms wat wijdlopig is.