Salman Rushdie: Woede

Een mes in het donker

In zijn boekenweekgeschenk «Woede» speelt Salman Rushdie een verduiveld literair spel. Op het scherp van de snede mengt hij feit en fictie, mens en onmens, hemel en hel.

In een van zijn nawoorden bij De naam van de roos zei Umberto Eco dat Homeros de eerste postmodernistische schrijver was. Zo ridiculiseerde hij in een vroeg stadium een cultuurdebat waarin de deelnemers zich al snel verloren in steeds nietszeggender definities van kunst en literatuur ná het modernisme. En nu, net over de drempel van het derde millennium, is er nauwelijks iemand die zich druk maakt om de term «postmodernisme».

Maar Homeros is er nog als bron van oervertellingen waarop de hedendaagse schrijver graag varieert. En zijn naam duikt niet toevallig op in Salman Rushdies royale boekenweekgeschenk aan Nederland: Woede, een furieuze roman — over de mechanisering van de mens en de vermenselijking van de mechanisatie — die wortelt in de Griekse mythologie: «In Athene werden de Furiën beschouwd als de zusters van Aphrodite. Schoonheid en wraakzuchtige toorn ontsproten aan dezelfde bron. Homeros zei het al.»

Woede is een magistraal verhaal over de komst van de elektronische Brave New World. Rushdie heeft een boek geschreven over een bestaan dat hemel en hel tegelijkertijd wordt, over een wereld die «overkookt» van het geld, de dollar die corrumpeert en het ego transformeert. Wat is namaak en wat is echt, waar ligt de grens tussen fictie en feit? Dat zijn de vragen waarmee Rushdie een verduiveld literair spel speelt. De sirenen van New York en Amerika hebben de hoofdpersoon, de solitaire en celibataire professor in de ideeëngeschiedenis Malik Solanka, verleid. Die wereldstad en dat land vol ongekende beloften vormen een vluchthaven voor hem, die vrouw en kind in Londen in de steek heeft gelaten. «Iedereen was nu Amerikaan, of in elk geval veramerikaniseerd: Indiërs, Iraniërs, Oezbeken, Japanners, Lilliputters, allemaal. Amerika was het speelveld van de wereld, het spelregelboek, de scheidsrechter en de bal.»

In The Guardian van 7 februari schreef Rushdie een gepassioneerd stuk over corruptie, omkoperij, vriendjespolitiek, samenzweringen, doping, leugen en bedrog en andere doorgestoken kaarten en smerige praktijken in de politiek, de sport, het literaire-prijzencircuit, reality-tv-wedstrijden en universitaire toelatingsexamens. Iedereen en alles is te koop. Dat bederf en die ontaarding omschreef hij als «de grootste occulte kracht die dit tijdperk vormt en misvormt». Als literaire getuige à charge haalde hij zijn lievelingsschrijver Thomas Pynchon aan, de nestor van de paranoia-school in de Amerikaanse literatuur. Daarin gaan schrijvers obsessief op zoek naar verborgen verbanden in een verpeste realiteit, en al schrijvend brengen ze schandelijke zaken aan het licht die alle vooruitgangsgeloof tarten.

Die gang maakt Rushdie ook in Woede. Overal ziet hij verbanden, alles krijgt met alles te maken: mythen en modern leven, maskers en mensen, poppen en projecties, leugen en waarheid, persoon en onpersoon, chaos en orde. Als geen ander beheerst Rushdie het spel van transformatie en maskerade, herscheppen en verslinden. En verdomd, het lukt hem weer om «het materiaal van zijn eigen leven en onmiddellijke omgeving te gebruiken en, door de alchemie van de kunst, te vervreemden». Het verleden is «een gebarsten kruik», de toekomst is «een open muil» en het overblijvende heden is «onverdraaglijk». Het doet denken aan de Griekse Kronos, de jongste der titanen, die zijn eigen kinderen opvreet. Net als de godheid Amerika in Woede, die zelfs het anti-amerikanisme aan zijn almachtige borst drukt.

Als hij huis en haard in Londen heeft verlaten en nog maar net is neergestreken in New York wordt professor Malik Solanka, uit «het verboden» Bombay, op straat lastiggevallen, wat hem driftig maakt: «voor een vredesapostel zat hij behoorlijk vol oorlog». Deze verhuizing of vlucht is zijn zoveelste metamorfose, maar hij is vaker van huid verwisseld dan een slang. Solanka geeft les aan King’s College in Cambridge — zijn hoofdthema is de frictie tussen het soevereine ik en de verantwoordelijkheid van de staat jegens de burgers — maar hij heeft afstand genomen van het bekrompen academische klimaat. Dat kon ook gemakkelijk omdat hij dankzij zijn wereldberoemde poppenspel financieel onafhankelijk is geworden. Breinmeisje is zijn belangrijkste pop, een vrouw die reist door de tijd en alle grote geesten heeft geïnterviewd die op de aarde hebben rondgelopen (Socrates, Maimonides, Averroës, Galileo, Russell, enzovoort). Maar Breinmeisje, beroemd van de televisie, is in handen van de commercie gevallen en verworden tot een kwebbelende talkshowgastvrouw. Toch doet Solanka geen afstand van zijn Breinmeisje-copyright, zodat het geld dat hij verdient aan zijn verloederde idee zijn geweten splijt. Alle principes zijn verhandelbaar.

Er waart een fantoom door Woede, en dat dubbele spook heet Jekyll & Hyde. In zijn woede over het afbrokkelen van zijn «soevereine ik», in zijn onvermogen om greep te krijgen op zijn eigen furieuze uitbarstingen, doet hij dingen die hij achteraf niet meer weet. Waar is hij in zijn black-outs, wat vreet hij dan uit? Wat zijn de wortels van zijn duistere daden? Wie is hij, wat bezielt hem, wat doet hij als er een rood waas voor zijn ogen komt en welke scherven moet hij achteraf opruimen? Zijn persoonlijkheid, dat wat hij is voor de buitenwereld, gaat ten koste van zijn persoon. De Verenigde Staten betekenen onthechting, ahistorische onwetendheid. Hij is naar het Beloofde Land gevlucht om zichzelf uit te wissen en zijn angst en woede kwijt te raken. Als een nieuwe Adam in een kannibalistisch Amerika wil hij leven. «Als het verleden de zieke oude Aarde is, wees dan mijn vliegende schotel, Amerika.»

De moderne furiën die hem achtervolgen zijn variaties op de klassieke wraakgodinnen Alekto, Teisiphone en Megaira. Zij belichamen zowel destructie als creatie en stimuleren de Jekyll & Hyde in de mens, het verbeten beest en de verheven geest. Drie vrouwen leggen hem het vuur na aan de schenen: het incestslachtoffer Mila Milo uit ex-Joegoslavië, de tv-documentairemaakster uit het gespleten Stille-Zuidzeelandje Lilliput- Bleffuscu Neela Mahendra en de Britse Shakespeare-kenster Eleanor Masters (zijn derde vrouw, met wie hij een zoontje heeft: Asmaan). Hoewel hij als een mol ondergronds wil blijven, lokken deze drie woedende vrouwen hem steeds weer uit zijn hol. «Het leven is woede (…) Furie — seksueel, oedipaal, politiek, wreed — voert ons naar onze fraaiste hoogten en grofste diepten. Uit furia komt schepping, inspiratie, originaliteit en passie voort, maar ook geweld, pijn, zuivere onbevreesde vernietiging, het geven en krijgen van klappen waar we nooit van herstellen.» Deze zinnen vatten exact samen waar Woede over gaat.

Zoals elke roman van Salman Rushdie gaat ook dit boekenweekgeschenk over een vrije val richting hemel of hel, over het eeuwige gevecht tussen autoriteit en zelfstandig individu, tussen entropie en orde, tussen fictie en feit. Woede gaat bovendien over de alom aanwezige nomenklatoera van moderne culturele maffia die het nieuwe secularisme in de wereld vertegenwoordigt. En toch blijven de sleutelwoorden «magie» en «mysterie». Rushdie houdt een lofzang op de alchemie van literatuur. Hij kneedt de klassieken als klei, tot die golem van woorden tot leven komt; hij smeedt oude verhalen om tot een nieuwe vertelling, want wat is moderne literatuur anders dan het verhaal van een mens «die uit liefde zichzelf herschiep»?

Er lopen moordzuchtige Othello’s rond in Woede, Arabieren die niet handelen langs de lijnen van zonde en verzoening maar naar eer en schaamte. En Solanka gaat gebukt onder een zwaard van Damocles dat hem naar New York heeft gedreven: «Ik ben een mes in het donker, ik ben een gevaar voor de mensen van wie ik houd.» Het is deze verontrustende machiavellistische gedachtegang die de vaart in Woede houdt, een vertelsnelheid die nog wordt opgevoerd omdat Rushdie allerlei actualiteiten naar zijn hand zet: Amerikaanse presidentsverkiezingen, het Cubaanse jongetje Elián, het Nederlands elftal tijdens het Europees voetbalkampioenschap 2000. Rushdie associeert zijn eigen mengliteratuur, zijn voortdurend mixen van culturen en verteltradities, met dat elftal. Hij laat Neela, een cocktail van mensensoorten, dit zeggen: «De Surinamers (…) zijn het levende bewijs van de voordelen van rassenvermenging. Kijk maar, Edgar Davids, Kluivert, Rijkaard in de dug-out, en in die goeie ouwe tijd Ruud. De grote Gullit. Allemaal métèques. Roer alle rassen door elkaar en je krijgt de mooiste mensen van de wereld.»

En toch zit het meest actuele en het meest particuliere van Woede verborgen in de drie furiën. Want velen zijn vergeten dat Rushdie op 14 februari 1989 een fatwa over zich uitgeroepen kreeg wegens «blasfemie» in De duivelsverzen, en «het mes in het donker» in Woede kan nog steeds die ongeletterde fundamentalistische onverlaat zijn die Rushdie wil laten boeten voor zijn «belediging» van de islam. Heel weinigen weten nog wat die blasfemie precies inhield. Welnu, het was «godslastering» die alles te maken had met drie «apocriefe» godinnen. Karin Armstrong haalt in haar monumentale studie De geschiedenis van God het verhaal van de duivelsverzen op. Die verzen komen niet in de koran voor en duiken voor het eerst op in het werk van de tiende-eeuwse historicus Aboe Jafar at-Tabari. Mohammed verbood de aanbidding van de drie populaire godinnen al-Lat, al-Oezza en Manat. Veelgoderij was uit den boze. Op inblazing van de satan, aldus Armstrong, sprak Mohammed enkele vers regels waarin de mensen ruimte kregen de drie godinnen als middelaars tussen Allah en de mens te zien. Maar de aartsengel Gabriël, met wie Rushdie een gewiekst identiteitsspel speelt in De duivelsverzen, verordonneerde dat de drie godinnen slechts verzinsels en projecties waren. De koran werd herschreven. Er was maar één God en Mohammed bleef zijn profeet. Karen Armstrong: «Het is ook onjuist om uit de rol van ‹satan› af te leiden dat de koran heel even door het Kwaad was bezoedeld. In de islam is de satan een veel hanteerbaarder figuur dan in het christendom. De koran vertelt ons dat hij op de Jongste Dag zal worden vergeven en de Arabieren gebruikten het woord ‹sjaitan› vaak om er een puur menselijke verleider of een natuurlijke verleiding mee aan te geven.»

Het is die duivelse verleiding waarmee moslimfundamentalisten worstelen en waarmee Salman Rushdie in zijn literaire werk vrij wil omgaan. Woede is een hartstochtelijk pleidooi voor de literatuur als vrij domein. In Rushdies boekenweekgeschenk wordt het eeuwige spel van de metamorfose en de gespleten persoonlijkheid op het scherp van de snede gespeeld. En daarom kan zijn verhaal over een door leven, familie en traditie getekende professor in de ideeëngeschiedenis uiteindelijk zowel op een hemelvaart als op een hellevaart uitlopen. De lezer is gewaarschuwd, net als de schrijver Salman Rushdie, nog immer alive and kicking.

Salman Rushdie

Woede

Vertaald door Karina van Santen, Jan Pieter van der Sterre en Martine Vosmaer

Gratis bij aankoop van ƒ20,- aan boeken in de Boekenweek (14-24 maart 2001)