Profiel: Crijff, de Voetbalintellectueel

Eén met het volk, maar toch anders

Een van de vaste nummers van de voetbal-intellectueel is het lofdicht op Johan Cruijff. Hugo Camps: «Cruijff is een dichter die je hardop moet lezen. Dan pas ontstaat het fysieke genot van zijn binnentaal. Hem zien praten is ook al mooi. Geheel on-Nederlands. Soms met het grootse gebaar en de verhevigde toon. Soms in een lichte fluistering van onverstaanbare woorden, kaatsend van hoofdkussen tot hoofdkussen. Tijdens de intiemere passages kantelen de ogen in het vogelkopje over elkaar heen. Even later, verbaal opverend, wordt dan weer de diepere betekenis van zijn gedachten omspannen door een grijns van zilverdraden.» En: «Nu hij zich teruggetrokken heeft in het monopolie van de intelligentie is de vervreemding interplanetair. Geen cartesiaans atoom in Nederland dat nog ooit op zijn hoogte zal komen.» Maar dit lijkt geen lofdicht meer: dit is camp. Hier wordt de beschrevene gebruikt om de schrijfkunsten van de journalist te botvieren. De overdrijving is argument geworden voor de verborgen premisse die suggereert dat onder het voetballiefhebbende volk hij de kunstenaar is. Weinig mannen worden in Nederland met zo veel dédain tegemoetgetreden als Johan Cruijff. Het is gênant om aan te horen wanneer weer een intellectueel het logische taalgebruik van Cruijff roemt en hem «eigenlijk een filosoof» noemt, terwijl als bewijskracht wéér dat ene citaat wordt aangehaald: elk nadeel heb zijn voordeel. Rechtstreeks vanaf het cassettebandje, zonder eindredactie in de krant. Als dat bij iedereen zou gebeuren, was de magie heel snel weg. De cultus rond het onnavolgbare orakel Johan Cruijff heeft iets vals en onechts. De voetbalintellectueel smult van zijn volkse superheld en doet alsof het een geheime liefde betreft. Anno 2000 gaat hij geheel voorbij aan het simpele feit dat voetbal inmiddels een alom gewaardeerde sport is geworden en poogt hij zich liever te vermommen als opgejaagd wild. Hij vecht tegen een zogenaamde elite die zou zeggen dat het niet bon ton is om van voetbal te houden. Hij wel: in tegenstelling tot de intellectuelen is hij één met het volk. Wat? Hij is het volk. Dit is z ijn oude milieu. Het milieu waaraan hij zich ontworsteld heeft. Hockey, tennis? Hadden ze bij hem thuis geen geld voor. Nee, gewoon met de geschaafde knieën en een lekke bal op straat. En heel af en toe naar de zaterdagamateurs «met m'n vader». Hij verlekkert zich in zijn openbare bekentenis, liefst gedaan in interviews, bij Barend en Van Dorp of in Hard Gras. Voetbal, koketteert de voetbalintellectueel, is veel aardser, veel eerlijker en echter dan dichten en denken. «Geef mij maar de ovatie in een voetbalstadion, die de spits krijgt als hij scoort of de keeper wanneer hij een treffer voorkomt», zegt Kees Fens. «Op het moment dat een schrijver een onsterfelijke zin aan het papier toevertrouwt, staan nu eenmaal geen zestigduizend lezers zijn naam te scanderen.» Die kick, zegt hij, had hij zelf ook wel willen beleven. «Maar de werkelijke jaloezie die ik aan sport heb overgehouden, is jaloezie op zo'n verdomd goed werkend lichaam.» Naast de voetbalintellectueel roert zich inmiddels ook vaker de vrouwelijke voetbalfan, maar die blijkt aanmerkelijk minder te zeuren en de sport een stuk serieuzer te nemen. De voetbalintellectueel ondertussen gedraagt zich meer als Thomas Manns Tonio Kröger, die houdt van zijn aardse, sportieve vriend Hans Hansen, maar zich anders voelt dan jongens zoals Hans. Hij, Tonio Kröger, is een puberende kunstenaar. Maar als hij dan naar de grote stad is getrokken en echt kunstenaar is geworden, voelt hij zich weer een burger onder de artistiekelingen. Nog eenmaal ziet hij Hans en hij denkt: «Te zijn als jij! Nog één keer opnieuw beginnen, opgroeien zoals jij, rechtschapen, vrolijk en eenvoudig, rechtlijnig, ordelijk en in harmonie met God en de wereld, geliefd zijn bij de onschuldigen en ongelukkigen.» Tonio Krögers diepste en geheimste liefde betreft de gewone mensen, onder wie hij een kunstenaar is. Zo ook de voetbalintellectueel. Hij verlekkert zich in een theatraal samenzijn en laat tegelijk zien hoezeer hij zelf verschilt van dat volk: want hij is degene die ook nog kan reflecteren, relativeren en het mooiste taalgebruik hanteren. Door niet serieus over voetbal te praten maar de sport tot kunstvorm te verheffen, bestendigt hij vooraleerst zijn eigen maatschappelijke status. Hij schept de afstand die Nabokov beschrijft in de laatste regels van het gedicht Football: «De bal sprong voort en jullie konden heus niet weten/ dat een van al die spelers in die vriendenstrijd,/ in nachtelijke uren boven zijn papier gezeten,/ een klankdicht schiep voor later tijd.»