Tema con variazioni

Een middagje in Huize Doorn

Keizer Wilhelm II heeft een slecht humeur. «Wat moet ik in godsnaam met die man?»

Keizerin Hermine is duidelijk de initiatrice van het bezoek: «Dat had je dan eerder moeten bedenken, lieve. Je kunt nu de minister-president van Pruisen niet zomaar op de stoep laten staan.»

De keizer, geringschattend: «Ach wat, minister-president! Proleten zijn het, onopgevoede schreeuwlelijken! Wat moet ik ermee?»

Er wordt geklopt.

De hofmaarschalk laat Hermann Goering en zijn echtgenote binnen.

«De heer en mevrouw Goering, Uwe Majesteiten.»

Goering maakt een correcte buiging: «Majesteiten…»

De keizer knikt. «Meneer Goering, mevrouw…»

Mevrouw Goering maakt een knix.

Keizerin Hermine, uiterst vriendelijk: «Heb u een goede reis gehad? Gaat u toch zitten! Zal ik om thee schellen?»

Er valt een wat ongemakkelijke stilte. Mevrouw Goering probeert de conversatie op gang te brengen via het hondje dat aan Wilhelms majesteitelijke voeten ligt.

Mevrouw Goering: «Wat een schatje. U houdt veel van dieren, is het niet, Majesteit?»

De keizer bromt bevestigend.

Goering neemt het gesprek over. «Het is mijn persoonlijke opvatting dat iemand die niet van dieren houdt, ook niet van mensen houden kan.»

De keizer kijkt nog steeds koel. Er wordt thee binnengebracht.

De keizer (licht ironisch): «Dus ook ú bent een dierenvriend, meneer Goering?»

Goering: «Welzeker! Al ga ik niet zo ver als onze Führer, die principieel vegetariër is.»

De keizer (onverschillig): «Ach so!»

Goering (sentimenteel): «In mijn werkkamer hangt sedert jaar en dag een wandbordje met de ware woorden: ‹Wer Tiere quält, verletzt das deutsche Volksempfinden.› Hij steekt zijn

hand in de schaal met koekjes. Hij neemt er een. En nog een. En nog een. Dan slikt hij de laatste kruimels weg en zegt:

Goering: «Nu even over iets geheel anders. De Führer heeft mij hoogstpersoonlijk verzocht u mede te delen dat Uwe Majesteits eventuele terugkeer naar Duitsland een serieus punt van overweging is, zij het natuurlijk onder bepaalde voorwaarden.»

Keizerin Hermine: «Voorwaarden? Hoe bedoelt u dat?»

De keizer: «U doelt waarschijnlijk op… eh… een vorm van gedeelde verantwoordelijkheid tussen vorst en volk?»

Goering (afgemeten): «Nee, Majesteit, laat die verantwoordelijkheid nu maar aan ons, politici, over. Ik bedoel dat u én de rest van de Duitse adel er wijs aan doet hun aanspraken op de tronen te vergeten. Al dat gedoe, met die prinsdommen en hertogdommen, maakt het regeren nodeloos ingewikkeld. Dat hebben wij aan den lijve ondervonden. Zoiets past niet meer in het bestuur van ons nieuwe Duitsland. Voor een ervaren man als ú maken wij, binnen bepaalde grenzen, natuurlijk graag een uitzondering.» Zijn vlezige hand is inmiddels weer voluit in de koekjestrommel verdwenen.

De keizer (met ingehouden drift): «Ik accepteer ten zeerste, meneer, dat u zo vriendelijk oordeelt over mijn bestuurlijke kwaliteiten, maar ben niettemin zo vrij mijn prinsen en hertogen in bescherming te nemen. Zij zijn, niet minder dan ik, gekwalificeerd voor de meest ingewikkelde regeringstaken. Daar worden wij, monarchen, namelijk al generaties lang voor opgeleid.»

Goering houdt zich zichtbaar in. «Ik sprak laatst uw zoon nog, de kroonprins. Buitengewoon aardige kerel! Die amuseert zich opperbest. Hij vlindert van de ene sportieve aangelegenheid naar de andere. Niettemin, sieraad voor onze beweging!»

Mevrouw Goering: «Lieve, mag ik je in dit verband even herinneren aan de Olympiade?»

Goering (opgewekt): «Daar was ik juist aan toe. Majesteit! Mevrouw! Met uw welnemen zal het me een eer en een genoegen zijn onze

Führer en Rijkskanselier voor te stellen om u uit te nodigen om als eregast onze aanstaande Olympische Spelen bij te wonen. Deze worden, zoals u ongetwijfeld weet, in Berlijn gehouden…»

Keizerin Hermine (ademloos): «O, dat zou fantastisch zijn, nietwaar, Wilhelm?»

De keizer (aarzelend, maar argwanend): «Zeker.»

Goering: «Het wordt een enorm succes. Miljoenen rijksmarken hebben wij in deze Spelen geïnvesteerd. U zult Berlijn niet meer terug herkennen. (Hij raakt in een staat van euforie). Eens en voor altijd zullen wij de wereld laten zien waartoe het nieuwe Duitsland in staat is.»

De keizer (ironisch): «En daarbij kunt u best wat demonstratieve steun van het Oude Duitsland gebruiken, nietwaar?»

Goering: «Maar natuurlijk! U zou daar de natie een grote dienst mee bewijzen. Let op mijn woorden, het wordt één grote triomf. De Amerikanen verslaan wij op alle fronten, dat voorspel ik u. Paardrijden… zwemmen… atletiek. Niemand die aan onze Duitse atleten zal kunnen tippen!»

De keizer: «Ondanks al die negers uit Amerika?»

Goering (geringschattend): «Ach, die negers! Als je de joden onder de duim kunt houden, zijn de negers een peulenschil. Natuurlijk hadden wij liever uitsluitend het blanke ras op onze sportvelden gezien, maar de Amerikanen waren helaas onverbiddelijk.»

Keizerin Hermine: «Zal ik nog maar eens inschenken?»

Mevrouw Goering: «Gezellig!»

Even later, in de keizerlijke slaapkamer.

Keizerin Hermine: «Interessante man, die Goering. Welke functie had je voor hem in je gedachten?»

Keizer Wilhelm II: «In elk geval niet de functie van minister-president. Hij kan de posterijen krijgen. Of desnoods de luchtmacht. Heb je die idiote pofbroek van hem gezien? Dat de man de treurige moed heeft om zó voor zijn keizer te verschijnen…»