Partijkartel, bestaat het wel?

Een militair op Defensie?

Als je maar vaak genoeg zegt dat de gevestigde partijen de gelederen gesloten houden voor nieuwkomers, dan gaan mensen dat ook geloven. Forum voor Democratie gebruikt het frame van het partijkartel in elk Kamerdebat. Maar waar is het bewijs?

Medium anp 53458710
Thierry Baudet en Theo Hiddema in de Tweede Kamer met boeken van Baudet over het partijkartel

Thierry Baudet, fractievoorzitter van Forum voor Democratie in de Tweede Kamer, weet feilloos hoe hij de media moet bespelen. Tijdens het debat over het dodelijke mortierongeval in Mali schreed hij langzaam naar het spreekgestoelte, dat allemaal om het militaire vest te tonen dat hij aan had, een waardeloos vest volgens hem, net zo waardeloos als de mortiergranaten.

Een paar dagen daarvoor had Baudet de aandacht van de persfotografen getrokken door zich in zijn Kamerbankje te verschansen achter hoge stapels van zijn boek Breek het partijkartel! Dat onderwerp, het partijkartel, is Baudets stokpaardje. Hij zegt nog net niet aan het eind van elk van zijn bijdragen ‘voorts van mening te zijn dat er een einde moet komen aan het partijkartel’, maar altijd speelt zijn strijd tegen het in zijn ogen bestaande partijkartel een hoofdrol.

Zo ook tijdens het debat met dan nog minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert over het ongeluk in Mali. Gekleed in het militaire vest zegt Baudet: ‘Het is schokkend en het brengt je het schaamrood op de kaken om te zien hoe de vvd omgaat met onze militairen. We zien hier de funeste werking van dertig jaar lange partijpolitieke machtsspelletjes, waarbij carrièrepolitici zonder kennis van zaken ver boven hun capaciteiten opereren, bijvoorbeeld als minister van Defensie. Daar moet nu voor eens en altijd een einde aan komen. FvD wil competente mensen, een kenniskabinet, een militair op Defensie…’

Niemand van de andere partijen reageert. Mogelijk omdat ze Baudet niet nog meer zendtijd gunnen, want ze vinden het ongepast dat hij het debat over de vraag wie verantwoordelijk is voor de dood van twee militairen gebruikt om zelf voor de camera’s te flaneren. Misschien blijven ze wel weg van de interruptiemicrofoon omdat ze al gewend zijn aan Baudets gefulmineer. Ook kan de reden een heel prozaïsche zijn. Het debat duurt inmiddels al uren en na Baudet is eindelijk de dinerpauze.

Toch is het uitblijven van een paar stevige interrupties jammer. Want een militair op Defensie als hoogste politieke baas, is dat niet vreemd? In Nederland is dat weliswaar vroeger het geval geweest, maar toen waren het de andere, politieke ministers die uiteindelijk beslisten over de inzet van militairen. De militair die minister van Defensie was, had vooral een adviserende taak. Stel je voor dat een hoge militair nu wel politieke invloed krijgt? Wat voor staat krijgen we dan? En zou Baudet hebben nagedacht over het kartel tussen militairen en de wapenindustrie dat in zijn voorstel vrij spel krijgt?

Eerst maar eens op zoek naar wat Baudet bedoelt met dat woord partijkartel. In zijn boek schrijft hij dat ‘onze democratie gebukt gaat onder een ernstig structuurprobleem. Een kartel van grote machtspartijen houdt de gelederen gesloten en maakt opinieafspraken die tot politiek “marktfalen” leiden.’

Omdat de academicus Baudet zelf in één zin de woorden ‘kartel’ en ‘marktfalen’ gebruikt, hanteert hij blijkbaar de betekenis van het woord kartel in de economie. Dan is het een overeenkomst tussen bedrijven die erop is gericht de onderlinge concurrentie te verminderen. Omdat dit leidt tot hogere prijzen voor consumenten is kartelvorming in Nederland verboden. Gebruik het woord kartel in de wereld van de politieke partijen en je voelt aan je water dat het ook daar uit den boze zou moeten zijn.

De hamvraag is dan ook óf er sprake is van die kartelvorming. Je kunt dat wel roepen, zoals Baudet niet nalaat te doen, maar daarmee is nog niet gezegd dat het ook bestaat. Baudet vindt onder anderen de politicoloog André Krouwel, hoofddocent aan de Vrije Universiteit en bekend van het Kieskompas, tegenover zich. In diens in 2012 verschenen boek Party Transformations in European Democracies veegt hij de vloer aan met de veronderstellingen waar Baudet vanuit gaat.

De belangrijkste voorwaarde waaraan voldaan moet worden bij het vormen van een partijkartel is, volgens Krouwel, dat de elite van de grote politieke partijen succesvol de kiezersmarkt weet dicht te houden. Daar is in Nederland, maar ook elders in Europa, geen sprake van. Ironisch genoeg zou je kunnen zeggen dat juist het gegeven dat Baudet met zijn nieuwe partij Forum voor Democratie bij de verkiezingen van maart met twee afgevaardigde mensen vanuit het niets in het parlement wist te komen daar een voorbeeld van is.

Ook de pvv van Geert Wilders, de Partij voor de Dieren van Marianne Thieme of Denk van Tunahan Kuzu zijn voorbeelden van (relatieve) nieuwkomers. Invloedrijke nieuwkomers bovendien, want ze weten kiezersgroepen aan te spreken en agendapunten te agenderen waar de reeds langer in het parlement vertegenwoordigde partijen een antwoord op moeten weten te vinden willen ze blijven bestaan.

Zou Baudet hebben nagedacht over het kartel tussen militairen en de wapenindustrie?

Als de grote machtspartijen, zoals Baudet ze noemt, het inderdaad onderling allemaal zo goed zouden hebben geregeld, afgesproken en dichtgetimmerd, dan is er in dat vermeende partijkartel bij de laatste verkiezingen voor de pvda toch in ieder geval iets goed mis gegaan. De voormalige regeringspartij en tot de laatste verkiezingen tweede partij in de Tweede Kamer verloor in maart zoveel zetels dat ze is gedegradeerd tot de zevende plek. Het cda, in het recente verleden toch ook een grote partij die vaak meeregeerde, verloor vijf jaar geleden ook al eens een dramatisch aantal zetels. Oftewel, zoals Krouwel schrijft, het zijn juist de partijen die werden geacht belangrijke leden van het vermeende partijkartel te zijn die het zwaar te verduren krijgen van nieuwkomers.

De politicoloog heeft nog een argument om het bestaan van een partijkartel naar het rijk der fabelen te verwijzen. Dat is de huidige trend om de persoon van de partijleider te cultiveren. Bij die cultus past niet alleen inzage in het privé-leven en de emoties van de leider, maar ook meer persoonlijke invloed en macht in de partij. Maar dat strookt in de ogen van Krouwel niet met wat kartelafspraken tussen partijen goed zou doen gedijen, want dan zouden die partijleiders juist kleurloos, onzichtbaar en technocratisch zijn. De leiders moeten zich dan immers voegen naar die onderlinge afspraken in het kartel.

Hoogleraar politicologie in Leiden en voormalig pvda-partijvoorzitter en oud-senator Ruud Koole heeft moeite met het veelvuldig laten vallen van de term partijkartel door Baudet. Termen zijn niet onschuldig, zegt hij. Partijkartel niet, maar ook een term als middenpartij niet. Volgens Koole is het gebruik van de aanduiding middenpartijen evenzeer koren op de molen van Baudet. Het suggereert dat het daar in het midden, waar partijen als pvda, vvd, cda en d66 huizen, één pot nat is.

In een stoomcursus legt Koole uit hoe in de politicologie politieke partijen worden getypeerd en daarbinnen ook de term kartelpartij bestaat. Het waren de politicologen David Katz en Peter Mair die in de jaren negentig de term kartelpartij reserveerden voor politieke partijen die voor hun inkomsten sterk afhankelijk zijn van overheidssubsidies en zich meer vereenzelvigen met de staat dan met de samenleving, de civil society. De twee maakten hun theorie aanschouwelijk met behulp van een tekening waarin links een groot blok de samenleving verbeeldde en los daarvan rechts een blok stond dat de staat representeerde. De politieke partij zat in die tekening als het ware opgesloten in het staatsblok.

Koole weet nog dat hij dat destijds al vreemd vond, te statisch. Hij legt uit dat met de groei van de verzorgingsstaat ook de staat groeide, in taken, ambtenaren en invloed op de samenleving. Daar waar nu de staat bijvoorbeeld zorg draagt voor armen en werklozen deden vroeger de kerken en de charitas dat. Dat de twee blokken, civil society en staat, los van elkaar staan in de theorie van Mair en Katz klopt volgens Koole daarom niet. De staat is juist steeds verder het blok van de samenleving binnengedrongen. Dat heeft gevolgen voor de positie van politieke partijen. Het feit dat zij zich op de staat oriënteren, betekent dat ze zich ook op de samenleving richten.

Bovendien is een politieke partij nog steeds afhankelijk van de kiezersgunst. Een partij kan het zich niet veroorloven daar geen band mee te hebben. Van een kartelpartij à la Mair en Katz is dan ook geen sprake.

Hoe zit het dan met de subsidies van de staat, proberen partijen daarmee hun gelederen niet gesloten te houden? Koole weet dat dit een gevoelig punt is. Hij wijst echter naar Duitsland, dat veel eerder staatssubsidie gaf aan politieke partijen dan Nederland. De achtergrond voor die maatregel waren ervaringen uit de jaren voor de Tweede Wereldoorlog, toen de nsdap van Adolf Hitler miljoenen aan donaties kreeg van grote bedrijven. Subsidie moest dat voortaan voorkomen. Koole zegt het niet zelf, maar je zou kunnen zeggen dat de subsidie kartelvorming tussen bedrijfsleven en politiek dwarsboomt.

Even terug naar Baudet en zijn Forum voor Democratie. Behalve voor een militair als minister op Defensie pleit Baudet ook voor professionals op andere ministeries, mannen en vrouwen die hun sporen hebben verdiend in bedrijfsleven, zorg of dus defensie. Een zakenkabinet wil Baudet. Voor iemand die de andere partijen beschuldigt van kartelvorming is dat een opmerkelijke keuze.

In de jaren zestig van de vorige eeuw was het de Amerikaans-Nederlandse politicoloog Arend Lijphart die het woord kartel gebruikte voor de samenwerking tussen partijelites. Toen met de ontzuiling de ideologische verdeeldheid tussen de grote partijen minder belangrijk werd, hadden de partijelites de neiging te blijven samenwerken zoals voorheen. Volgens Lijphart dreigde daardoor het ontstaan van karteldemocratie. Zonder echte oppositie die alternatieven aandraagt, had de kiezer dan weinig te kiezen. Lijphart noemde die karteldemocratie ook wel gedepolitiseerde democratie. Laat een zakenkabinet waar Baudet een voorstander van is nu juist dat beogen, zaken doen, geen politiek bedrijven. Lijphart zou er het etiket kartel opplakken.

Maar dan bestaan toch in ieder geval wel de partijelites, die elkaar de bal toespelen? Toen afgelopen zomer bekend werd dat voormalig pvda-Kamerlid Ahmed Marcouch burgemeester van Arnhem werd, was Baudet er als de kippen bij om dat onder te brengen onder zijn geliefde term en weg te zetten als elitegedoe. Maar is het vreemd dat de gemeenteraad in Arnhem een burgemeester wil die politieke ervaring heeft en de weg weet in Den Haag? Het is bovendien niet meer de landelijke politiek die de burgemeestersbanen verdeelt, maar de eigen gemeenteraad die de sollicitatiegesprekken voert en een keuze maakt. In Arnhem zit de partij van Marcouch, de pvda, bovendien niet eens in het college.

En hoezo houden de elites de gelederen gesloten? Marcouch is zoon van een gastarbeider en heeft zich door studie en werkervaring zelf ontwikkeld. En ja, daarmee is hij tot de politieke elite gaan behoren, op eigen kracht. Politieke elites zullen altijd bestaan, zijn ook nodig en dan kunnen daar maar beter de besten toe behoren. Wat onverlet laat dat dat laatste niet altijd het geval is.

Maar heeft Baudet dan niet toch een beetje gelijk dat het altijd dezelfde partijen zijn die regeren, ook in het nieuwe kabinet zitten immers weer traditionele partijen als vvd en cda? Misschien komt dit wel doordat deze partijen zich juist door ervaring, uithoudings- en aanpassingsvermogen hebben weten te handhaven. Maar niet door onderling bindende afspraken te maken waardoor de kiezer gedwongen zou zijn bij hen te shoppen. Had er een apm bestaan, een Autoriteit Politieke Markten, zij zou Baudet geen gelijk geven.