Een min of meer gewoon leven

Een maïsobsessie, het Vrijheidsbeeld, Michael Strogoff van Jules Verne, de huwelijksvlucht van de koningin van de vuurmier, goden uit de Oudheid. Dit zijn een paar van de terugkerende ingrediënten in de nieuwe roman van Bart Koubaa, die het leven volgt van Jona van Rein tot aan zo ongeveer diens veertigste jaar. Steeds ligt de nadruk op de rituelen die een leven zinvol maken. Dit alles samengevat in de zin die tegen het einde van de roman opduikt: ‘Misschien is mijn hele leven een betekenisloze rite voor de Olympische goden geweest, dacht Jona terwijl hij aan zijn schrijftafel de maansikkel boven de maïsvelden gadesloeg.’

Small fire ants 01
De vuurmier is een van Bart Koubaa’s magische ingrediënten © Stephen Ausmus

Schrijf je in voor de maandelijkse Boekenbrief van De Groene Amsterdammer, Athenaeum Boekhandel en De Gids en ontvang de beste literaire essays, recensies en boekentips in je mailbox

Magische omgeving bij uitstek: ritueel, de maansikkel en de maïs. Even eerder liet de schrijver ‘rare woorden’ uit Jona’s mond ontsnappen terwijl hij met de tak van een appelboom op de grond tikte. En zijn oude leraar Oude Talen heeft het steeds over de goden die in ons wonen: ‘In ieder mens woont een god waarvan wij de aard niet kennen. Wij zijn goden. Daarom hoor je mij, daarom eet je het offer op van de barbecue. Moeilijk is het niet, alleen anders.’ Het leven als een ritueel, een magische dans.

Vanaf het begin zit die magie in de natuurbeschrijvingen: ‘Boven de wiegende maïs die klaar was om geoogst te worden doorkliefde een schreeuwende eend de zinderende septemberwarmte.’ Dit is de tovertaal van de magische wereld. Voortdurend werkt Koubaa met deze ingrediënten uit een onderliggende magische wereld die het leven enige zin moeten geven. Steeds duiken ze op in het leven van de hoofdfiguur. Minieme gebeurtenissen uit zijn jeugd blijven terugkeren: vergeten vertellingen, een gokkast op de kermis, paringsdansen van de vuurmier, een haarlok van een lerares, verzengend vuur, onbewuste handelingen. Magie en ritueel. Neem het masker waarmee Jona zich tooit nadat hij als jongen bij een brand ernstige brandwonden opliep. Hij wil anderen de gruwel van zijn gezicht besparen, maar Koubaa grijpt dit gegeven aan om bespiegelingen rondom maskers en identiteit de roman binnen te vlechten zonder dat daar al te veel de nadruk op ligt. En in de verte doemen uiteraard de gemaskerde koren op van archaïsche Oud-Griekse drama’s. Jona krijgt op latere leeftijd de kans een nieuw gezicht te laten construeren maar hij wil het niet. Hij zou zichzelf niet meer herkennen.

Schrijven zonder medelijden, wanhoop en gejammer. Daar gaat het om

Tot zo ver de onderliggende magische grondstructuur van deze roman. Hij bevat wel degelijk een concrete levensbeschrijving van een man die als jongen door zijn vader ernstig wordt mishandeld, door zijn moeder wordt verlaten, zijn huis in brand steekt, een masker draagt, zich later onder leiding van zijn coach (mevrouw Willems!) ontpopt als een begenadigd hardloper en tijdens de Olympische Spelen van Atlanta tweede wordt op de 800 meter. Dit leven is een succes. Ik bedoel, deze roman is ook een ‘gewone’ roman, met een held die verliefd wordt op de biologiejuf, die zich geen raad weet met mishandelingen, die droomt en verlangt, stevig masturbeert, die zich op school manifesteert als een briljante leerling die in dienst gaat, die… et cetera et cetera. Een gewone jongen, een gewone man, een min of meer gewoon leven.

Maar het gewone ervan krijgt bij Koubaa steeds een extra lading. De mishandeling door de vader is bijvoorbeeld uiterst onpersoonlijk beschreven alsof het gaat om een zorgvuldig voorbereide en uitgevoerde gymnastiekoefening. Het komt totaal onverwacht zoals dat bij mishandelingen ongetwijfeld werkelijk toegaat. Iedere mishandeling is de eerste keer onverwacht, ik huiverde ervan: ‘Nadat zijn vader zijn keel had geschraapt, volgde een eerste klap op Jona van Reins linkerkaak, snel gevolgd door een tweede die de vader met de rug van zijn hand op de rechterkaak van zijn zoon deed belanden. De jongen liet zijn vader begaan, en begon onwennig te lachen waarop zijn vader diep inademde (…)’ en ja, daarop gaat het nog even door. Mijn huivering over deze scène zit ’m natuurlijk in de volledige naam van de zoon en in zijn ‘onwennige lachen’. Dit is dus een vorm van het gelukkige schrijven, al klinkt dat in deze context minder gelukkig. Hoe zal ik het zeggen: schrijven zonder medelijden, wanhoop en gejammer. Daar gaat het om.

Ook in de overige mishandelingsscènes ontbreken larmoyante toelichtingen en verklaringen waardoor de destructie des te genadelozer, redelozer en zichtbaarder is. De zoon weigert zijn vader te beschuldigen, ook dat nog, hij laat hem niet in de steek, hij neemt hem zelfs in bescherming zoals dat blijkbaar kan gaan bij slachtoffers van mishandeling. De schrijver maakt er niet een aanklacht van, hij vertelt het laconiek, alsof het een kwestie is van een interessant en jammer genoeg onontkoombaar maatschappelijk verschijnsel dat in zijn roman min of meer toevallig wordt aangekaart.

Koubaa’s held is geen heilige. Hij laat hem als scholier doodgemoedereerd allerlei half warhoofdige redevoeringen houden over vrijheid van meningsuiting en schuld, maar juist die warhoofdigheid maakt deze roman uiterst geloofwaardig. Aan briljante hoofdfiguren die ons wel even in welgekozen woorden uitleggen hoe de wereld in elkaar zit, heb ik een broertje dood. Daar hoeven we in romans niet naar te zoeken.

Fictionele levensgeschiedenissen tref je op het ogenblik weinig aan in de Nederlandstalige literatuur. Jan Siebelink schreef er met De buurjongen recent nog eentje maar dan heb je het wel gehad. Echt gebeurd, is het nieuwe schrijven, liefst zelf beleefd of van anderen gehoord, dat mag ook. Koubaa legde zich daar niet bij neer, hij schreef een magisch getoonzette roman die bol staat van de wonderlijkste scènes.