Aanklager Robert Jackson (vooraan midden) en assistent-aanklager generaal Uri Pokrovsky (rechts daarnaast) tijdens het Neurenberg-tribunaal. Duitsland, 30 september 1946 © Fred Ramage / Keystone / Getty Images

‘Bent u zich ervan bewust dat u de enige mens op aarde bent die ons kan inlichten over de uiteindelijke doeleinden van de nazipartij en de verhoudingen tussen zijn leiders?’ Aldus de eerste vraag van de Amerikaanse hoofdaanklager Robert Jackson aan Hermann Göring, halverwege zittingsdag 84 van het eerste Neurenberg-proces, 18 maart 1946.

‘Daarvan ben ik me volledig bewust’, luidde het antwoord.

Zo begon het spannendste moment van wat veelal ‘het proces van de eeuw’ wordt genoemd. Hierin stond de hoogste nog levende man in rang van het nazirijk tegenover de meest in het oog springende vertegenwoordiger van het geallieerde recht: een titanenstrijd. Jackson won deze strijd omdat hij niet verliezen kon maar inhoudelijk was hij heel wat zwakker dan het (vooral Amerikaanse en meermaals verfilmde) verhaal wil. Dat werd destijds ook al geconstateerd en is sindsdien vaak herhaald. In de woorden van een man die aan de Amerikaanse aanklagers van het proces zijn dissertatie wijdde, Joseph A. Ross (The Nuremberg Paradox, 2018): ‘Every major work on Nuremberg describes Jackson’s cross-examination as a failure – even the contemporary radio broadcasts described it as “devastating” to the prosecution’s case.’ Toch drong deze mislukking tot het algemeen geweten nauwelijks door. De verklaring ligt voor de hand: zij vertelt een ongemakkelijk en ongewenst verhaal dat de vinger op een zere plek legt van de westerse, in het bijzonder de Amerikaanse politiek.

De belangrijkste reden dat Jackson het in zijn confrontatie met Göring zo lastig had is dat Göring geen moment zijn best deed om ‘politiek correct’ te zijn. Tot de vervolging van de joden ter sprake kwam, verwoordde hij simpelweg de alom heersende politieke praktijk. ‘Ja, natuurlijk pakten wij onze vijanden op’, antwoordt Göring (in mijn parafrase) op vragen van Jackson, ‘en vanzelfsprekend namen wij als partijleiders de beslissingen. We raadpleegden het volk wel, sterker nog, we hadden bij de verkiezingen zelfs een meerderheid behaald, maar het zou belachelijk zijn als we daarna steeds opnieuw bij de bevolking te rade zouden zijn gegaan. Dat verwachtte men ook helemaal niet. Iedereen had in voorgaande jaren, tijdens de Weimarrepubliek en de economische crisis, gezien waartoe al dat gepraat leidde: ellende en meer ellende. Een overgrote meerderheid van de bevolking wilde daarvan af. Men wilde rust en veiligheid. Kijk…’

Al na vijftien, twintig minuten voelde Jackson nattigheid, onderbrak Göring en zei in nette, juridische bewoordingen dat hij van zijn opmerkingen niet gediend was. Maar waar Jackson niet op gerekend had, was dat hij door de president van de rechtbank teruggefloten werd. Afgesproken was dat het proces eerlijk zou verlopen en dat aangeklaagden plus defensie (Göring voerde zijn eigen verdediging) recht hadden op weerwoord. Göring kreeg dat weerwoord dus ook en zette Jackson regelmatig met de mond vol tanden.

Aan het eind van de volgende dag, nummer 85 van het proces, stelde Jackson vragen over de mobilisatie van Duitse troepen en de bezetting van het Rijnland. Göring ontkende dat de twee met elkaar te maken hadden. In een gespannen situatie mobiliseert elk land zijn troepen, stelde hij. De bezetting van het Rijnland stond daar los van. Hierop repliceerde Jackson dat zo’n uitleg niet waarschijnlijk is, omdat Duitsland al het mogelijke deed om de mobilisatie geheim te houden. De opmerking gaf Göring de gelegenheid tot scoren voor open doel. Hij zei, in de bewoordingen van de tolk: ‘I do not think I can recall reading beforehand the publication of the mobilization preparations of the United States.’ Koekje van eigen deeg dus. Het deed Jackson dermate ontploffen dat de president van de rechtbank geen andere mogelijkheid zag dan de zitting te schorsen.

Het maakte de zaak niet beter, want toen Jackson de volgende dag opnieuw het woord had, kwam hij erop terug en eiste wederom dat Göring zich van dit type commentaren onthield. Dat gebeurde niet, dat kon ook eigenlijk niet omdat hij de belangrijkste beklaagde was en men bleef vasthouden aan de gedachte dat het hier een eerlijk proces betrof – wat het vanzelfsprekend niet was en ook niet kon zijn. Maar ‘eerlijk’ betekende wel dat Göring zijn verhaal mocht doen en zijn argumenten mocht geven.

En die waren – nogmaals, tot de jodenvervolging ter sprake kwam – sterk omdat zij uitdrukten wat zo goed als elke politicus op dat moment deed en dacht (maar liever achter verzachtende woorden verborgen hield): dat je als land het recht hebt je eigen beslissingen te nemen, dat andere machten daarin niet mogen interveniëren en dat ter verdediging van de eigen positie zo goed als alles geoorloofd is – van het oppakken van ‘vijanden’ tot het mobiliseren van troepen. Göring had met deze erkenning van de politieke praktijk geen enkele moeite. Integendeel, hij beroemde zich erop. Jackson had er wel moeite mee. Sterker: hij ontkende die praktijk – en dat terwijl iedereen wist en voelde dat die ontkenning onterecht was. Dat wrong. En wat wringt, dat wreekt zich.

Hoewel dit laatste pas na Neurenberg duidelijk werd, was het wringen sinds lang bekend. Aan Neurenberg is met betrekking tot mensenrechten immers heel wat voorafgegaan. Denk alleen maar aan de talloze verlichtingsidealen of, verder terug, aan de lange geschiedenis van het vrijheids- en tolerantiebegrip: veelal mooie woorden te midden van een heel wat minder mooie praktijk. Een eerste zicht op eventuele verwerkelijking van die woorden kwam eind negentiende, begin twintigste eeuw, tijdens de vredesconferenties van Den Haag (1899 en 1907) en Parijs (1919). Maar ook toen bleef het bij theorie of, platter gezegd, bij praatjes.

Hoewel er van misdaden tegen de burgerbevolking, begaan door de asmogendheden tijdens de Eerste Wereldoorlog, meer dan voldoende bewijs was (Armeense genocide!), waren het met name de Amerikanen die van aanpak en veroordeling niet wilden weten. Zij vonden uitdrukkingen als ‘politiek geweten’ en ‘wetten van de menselijkheid’, zoals gebruikt door de commissie die deze misdaden onderzocht, veel te vaag. Althans, zo luidde het formele argument. Feitelijk was men, zo kort na de afschaffing van de slavernij en in de positie van opkomende wereldmacht, vooral bevreesd voor koekjes van eigen deeg. In geen van de vredesverdragen van na de Eerste Wereldoorlog wordt dan ook zoiets als misdaden tegen de menselijkheid genoemd. Alleen in het Verdrag van Sèvres, met het Ottomaanse Rijk, stonden in de artikelen 226, 227 en 228 wat vage zinsneden over verantwoordelijkheid van de Turkse regering en het recht van de geallieerden om degenen te veroordelen die misdaden hadden begaan. Maar zelfs dat ging eigenlijk al een stap te ver. Gevolg hiervan was dat het Verdrag van Sèvres enkele jaren later (1923) vervangen werd door dat van Lausanne. Hierin werd Turkije amnestie verleend voor alle misdaden begaan tussen 1914 en 1918.

Aldus duurde het tot een volgende en veel ernstiger genocide dat de humanitaire rechtspraak pas daadwerkelijk een stap kon zetten. Kón, het gebeurde slechts ten dele. De reden is dezelfde: dat de ontwerpers van die rechtspraak dan wel de geallieerde overwinnaars, Amerikanen voorop, bevreesd waren met die rechtspraak zichzelf in de vingers te snijden. Dit is ook een van de verklaringen waarom men er weinig voor voelde de shoah binnen het eerste grote Neurenberg-proces (er volgden nog twaalf kleinere processen, die anders verliepen) een bijzondere status te geven. Verzoeken in die richting van onder meer de American Jewish Conference werden afgewezen met het argument dat het niet mogelijk was één bevolkingsgroep een aparte status toe te kennen omdat andere groepen dan hetzelfde zouden willen. Bovendien beweerde men dat het proces om misdaden draaide, niet om één specifiek soort misdaad.

‘De Amerikaanse regering heeft een akkoord ter vervolging van discriminatie op basis van ras getekend!’

Hiermee werd de shoah weliswaar niet gebagatelliseerd, laat staan ontkend, maar wel minder belangrijk gemaakt dan tegenwoordig te doen gebruikelijk. Het blijkt overduidelijk uit het 75 jaar geleden openbaar gemaakte vonnis: 43 pagina’s, geordend per persoon en vervolgens bij ieder van de 24 beschuldigden twee paragrafen, één met betrekking tot de eerste twee aanklachten (‘crimes against peace’, ‘wars of aggression’) en één over aanklacht drie en vier (‘war crimes’, ‘crimes against humanity’). Aan deze laatste aanklacht wordt, enigszins afhankelijk van hoe en wat je telt, niet meer dan een paragraaf of twaalf besteed.

Met deze geringe aandacht voor ‘crimes against humanity’ in het eerste Neurenberg-proces gebeurde, deels onbedoeld, nog iets verbazingwekkends: dat ontkend werd dat het antisemitisme bij uitstek een, zo niet hét kenmerk van het nationaal-socialisme is. Hiervoor hadden de verantwoordelijken ook een theoretische verklaring, het duidelijkst verwoord in het veelgelezen boek van de van oorsprong Duits-joodse marxist Franz Neumann over de wrede praktijken in nazi-Duitsland: Behemoth, uit 1942. Neumann maakte in Neurenberg deel uit van de Amerikaanse staf en bereidde een groot aantal aanklachten voor. Maar in Behemoth en elders verkondigt hij steeds weer wat veelal bekendstaat als de ‘speerpunttheorie’: dat de nazistische aanval op de joden ‘slechts’ het belangrijkste middel tot binnenlandse oppressie was, ‘only the means to the attainment of… the destruction of free institutions, beliefs and groups’, zoals in Behemoth staat. Zo bleef de shoah, in het internationaal humanitair recht toch bij uitstek het model, symbool of summum van misdaden tegen de menselijkheid, in het eerste Neurenberg-proces relatief onderbelicht.

Hermann Göring voert zijn verdediging tijdens het Neurenberg-proces. 1946 © PhotoQuest / Getty Images

Een van de vele momenten waarop dit bleek viel eveneens tijdens het verhoor van Göring. Het was de enige keer tijdens het proces dat de man enigszins in verlegenheid werd gebracht. Een politieke raison voor de shoah was immers niet te geven, bovendien was het geweld ervan dermate dat iedereen, zelfs de grootste machiavellist, begreep dat zo’n raison ook nooit gevonden kon worden. Maar de aanklagers beklemtoonden dat nauwelijks. Een reden hiervoor is dat Göring elke kennis van en verantwoordelijkheid voor de shoah wegwuifde en dat juridisch tot op zekere hoogte ook kon doen: hard bewijs, althans tegen hem persoonlijk, was mager.

Maar dergelijk bewijs, zo zou je denken, was ook helemaal niet nodig – zeker niet tegen hem. Het barstte van bewijs tegen het systeem waarvan hij de belangrijkste nog levende vertegenwoordiger was. Waarom werd dat niet veel duidelijker naar voren gebracht? De formele redenen werden al gegeven. Dat men geen voorrang wilde geven aan één bevolkingsgroep, meende dat het proces draaide om misdaden, niet één type misdaad en dat men in het antisemitisme slechts een voorwendsel tot machtsmisbruik zag. Maar achter deze formele verklaringen schuilt iets anders: politieke actualiteit, oftewel angst voor het boemerangeffect.

Het weerspiegelde zich tijdens het Neurenberg-proces in het debat over het optreden van de nazi’s in de jaren dertig, dus nog voordat tot uitroeiing van de joden besloten werd en ‘slechts’ van discriminatie van een bevolkingsgroep sprake was. Moest die discriminatie tijdens het proces ook ter sprake gebracht of juist achterwege gelaten worden? In het eerste geval maakte het de geallieerde aanklacht nogal ongeloofwaardig, om niet te zeggen hypocriet. Vergelijkbare vormen van discriminatie bestonden in hun land of koloniën immers ook. In het tweede geval beging men een evidente idiotie. Aan het besluit tot uitroeiing van de joden was immers onmiskenbaar een traject van ernstige en almaar ernstiger discriminatie voorafgegaan. En dus hadden de aanklagers geen andere mogelijkheid dan om de hete brij heen draaien, schipperen, eierlopen of hoe je het ook wil noemen. Zo gebeurde. Men besprak de vooroorlogse jodenvervolgingen wel maar beschouwde ze liever als een interne kwestie en verbond er geen consequenties aan. Dat wrong.

Dat het wrong bleef ook buiten de banken van de Neurenberger rechtszaal niet onopgemerkt. ‘Wat een ironie’, kopte een van de leidende Afro-Amerikaanse weekbladen, de Pittsburgh Courier, al aan de vooravond van het proces. ‘De Amerikaanse regering heeft een akkoord ter vervolging van discriminatie op basis van ras getekend!’ Dit schreef de krant op hetzelfde moment dat in de VS de beruchte zaak van Irene Morgan speelde. Deze zwarte vrouw had geweigerd haar plek in een bus aan blanke mensen af te staan en was gearresteerd. Een eerste proces hierover werd verloren. Hierop bracht Morgan haar zaak naar het Hooggerechtshof van de staat waar de zaak speelde, Virginia. Ook hier kreeg ze ongelijk.

Vervolgens ging Morgan nog een stap verder en tekende ze beroep aan bij het Amerikaans Hooggerechtshof. Daar speelde haar zaak tussen maart en juni 1946, precies op het moment dus dat in Neurenberg de kopstukken van het nazirijk terechtstonden en de clash tussen Jackson en Göring plaatsvond. De ironie wil bovendien dat Jackson een van de rechters van dat Hooggerechtshof was, hoewel als Amerikaans hoofdaanklager in Neurenberg tijdelijk on leave. Morgans advocaten wisten dit natuurlijk, maakten gebruik van deze kennis, verwezen naar Neurenberg en… wonnen. Het was het begin van het massale Amerikaanse verzet tegen racisme.

Kortom: in Neurenberg werd het dilemma duidelijk. Elke schending van het mensenrecht is taboe – of niet. Dat geldt altijd, overal en voor iedereen – of niet. Het is het een óf het ander, een tussenweg bestaat niet. Een principiële humanitaire opstelling brengt echter een dubbele erkenning met zich mee. Ten eerste dat elke schending van het mensenrecht altijd, meteen en bij de wortel veroordeeld en aangepakt moet worden. En ten tweede dat mensenrechten universeel zijn en dus altijd zwaarder wegen dan de belangen en decreten van de nationale staat. Zowel het een als het ander ging destijds zo goed als iedereen, niet alleen Amerikanen maar ook Russen, Engelsen, Fransen en anderen (Nederland, ‘politionele acties’) te ver, want het impliceerde dat ook andere daden van andere landen dan die van nazi-Duitsland (lees: de eigen daden) onder een vergrootglas kwamen te liggen. Dat was ongewenst.

En dus zag men voorlopig geen andere mogelijkheid dan doen wat in Neurenberg ook gebeurde: schipperen of, onaardiger gezegd: veinzen, een zekere mate van hypocrisie tentoonspreiden. Een van degenen die dit doorzag was de later wereldberoemde Aimé Césaire. In zijn Discours sur le colonialisme uit 1950 hekelde hij de hypocrisie van het westerse antiracisme in de strijd tegen Hitler. Het was geen antiracisme waartegen men zich verzette, schreef hij, het was geen schending van het mensenrecht. Het was slechts de misdaad tegen de blanke mensen die in Neurenberg terecht had gestaan. Dat wrong en wel zo sterk dat het niet anders dan barsten kon.

Toch duurde het na Neurenberg nog een jaar of twintig tot het zover kwam, of eigenlijk tot het besef van zo’n barst ook tot de westerse publieke opinie doordrong. Dat kwam deels door de kracht van het antikolonialisme, door Black Power en tal van vergelijkbare bewegingen, maar het kwam vooral door wat bekend werd van het optreden van de Amerikanen in Vietnam. Symbolisch hiervoor werden de gebeurtenissen in My Lai, maart 1968: 504 mensen, merendeels vrouwen (182, van wie zeventien zwanger) en kinderen (173, van wie vijftig jonger dan drie en 69 tussen de vier en zeven jaar) werden vermoord. Daarbij bleef het niet. Vervolgens werd eerst al het mogelijke gedaan de zaak in de doofpot te stoppen om haar te bagatelliseren. Uiteindelijk mislukte dat allebei. Daarmee werd My Lai een onuitwisbare smet op het altijd weer tevergeefs schoongepoetste blazoen van de Amerikaanse politiek.

Pijnlijk is dat het Strafhof selectief is. Dat ondergraaft zijn positie. Het Neurenberger principe geldt altijd, overal, voor iedereen – of het geldt niet

Een van velen die deze smet nadrukkelijk benoemde, was niemand minder dan Jacksons rechterhand tijdens het grote Neurenberg-proces en opvolger tijdens de vervolgprocessen in diezelfde stad, Telford Taylor. Hij was ten tijde van de Vietnamoorlog hoogleraar aan Columbia University en een buitengewoon kritisch lid van de politiek-intellectuele elite. Als zodanig publiceerde hij in 1970 het boek Nuremberg and Vietnam: An American Tragedy. Centrale stelling daarvan was dat het Amerikaanse optreden in Zuidoost-Azië volgens de Neurenberger normen net zo misdadig was als dat van de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als bewijs hiervoor plaatste Taylor in zijn hoofdstuk over My Lai verslagen van Duitse en Amerikaanse moordpartijen naast elkaar, letterlijk: een ooggetuigeverslag uit 1942 staat afgedrukt naast een verslag uit 1968, tweemaal hetzelfde verhaal onder één en dezelfde kop: ‘An eyewitness account… from two wars’.

Er was slechts één verschil tussen de twee verhalen: dat de verantwoordelijken in het ene geval wel en in het andere geval niet of nauwelijks vervolgd werden. Slechts één man werd voor het My Lai-drama veroordeeld: William Calley. Hij zat twee dagen vast en werd vervolgens een paar jaar losjes in huisarrest gehouden. Alle verantwoordelijken ontsprongen de dans. Het kan met Neurenberg in het achterhoofd niet anders dan bizar genoemd worden. Om het te zeggen in de heel wat voorzichtigere woorden van een Amerikaanse historicus die een jaar of tien na de gebeurtenissen een veelgelezen boek over Neurenberg schreef (Bradley F. Smith, Road to Nuremberg, 1981): ‘There was an uneasy feeling that American leaders might be found guilty if the law used to judge the leaders of Nazi Germany a quarter century before were applied to ourselves.’

De latere Amerikaanse topmilitair en minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell, vorige week overleden, was een van degenen die voor dat schoonpoetsen van het Amerikaanse blazoen verantwoordelijk was. Powell maakte deel uit van dezelfde divisie waartoe de brigade behoorde die in My Lai het bloedbad aanrichtte. Hij was weliswaar zelf niet betrokken maar kreeg ruim een half jaar na dato wel de opdracht de brief te onderzoeken van de soldaat die als eerste de waarheid naar buiten bracht. Hij ontkrachtte het schrijven en beweerde, zoals bijna iedereen aanvankelijk deed, dat de geëxecuteerden strijders waren. ‘In direct refutation of this portrayal is the fact that relations between American soldiers and the Vietnamese people are excellent’, schreef Powell.

Niet dus. Spoedig bleek dat men niet anders kon dan erkennen dat er in My Lai gemoord was. Ook Powell ging zover, maar deed vervolgens wat iedereen in zijn positie deed en tot op de dag van vandaag ook is blijven doen: bagatelliseren. Zo zei hij nog in 2004 tegen televisiepresentator Larry King dat ‘in war, these sorts of horrible things happen every now and again, but they are still to be deplored’. Dat was alles.

William Calley verlaat de rechtbank na zijn veroordeling voor moord op 22 Vietnamese burgers in My Lai tijdens de Vietnamoorlog. Fort Benning, Georgia, Verenigde Staten. Maart 1971 © Rolls Press / Popperfoto / Getty Images

Eenmaal zover, begin 21ste eeuw, was er op het gebied van mensenrechten en de nagedachtenis van Neurenberg ontzettend veel gebeurd. Doorslaggevend hierbij waren de val van de Muur, de oorlogen in voormalig Joegoslavië, de genocide in Rwanda en het alomtegenwoordige optimisme van het laatste decennium van de twintigste eeuw. Het voorlopig belangrijkste resultaat van dit alles was de oprichting in 1998 (formeel, Statuut van Rome) en 2002 (feitelijk) van het Internationaal Strafhof in Den Haag. Vanzelfsprekend kwamen de processen van Neurenberg (en in mindere mate die van Tokio) in verband hiermee steeds weer ter sprake. Teneur: toen was de grondslag gelegd, tijdens de Koude Oorlog was sprake geweest van een enorme terugval, maar de principes stonden nog altijd en het was zaak ze nu voor eens, altijd en overal te verankeren.

Dat dit opnieuw niet lukte zou je een van de uitvloeisels van de aanslag op de Twin Towers kunnen noemen. Zo beweerde de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld in 2002 zonder spoor van twijfel dat de Geneefse Conventies (rechtsregels in geval van een internationaal conflict) niet van toepassing waren op de strijders van al-Qaeda en andere ‘terroristen’ die door de VS in Afghanistan, Irak en elders gevangen genomen werden. Zij waren – wat dat ook mag betekenen – ‘unlawful combatants’, geen krijgsgevangenen dus en daarmee onderworpen aan elke behandeling die hun overwinnaars goed achtten. Zijn baas, Bush jr., was dezelfde mening toegedaan. Zo ook talloze anderen.

Waar dit toe leidde werd bekend onder de namen Abu Ghraib en Guantanamo Bay, oftewel de weerzinwekkende omgang met gevangenen in Amerikaanse gevangenissen in Irak en op Cuba. Over fraaie woorden binnen een heel wat minder fraaie context gesproken: veelal werd die mensonterende behandeling van gevangenen omschreven als enhanced interrogation technique of een variant hierop. De bewijzen van misdadigheid werden er niet minder om. Vandaar het boek dat Rebecca Gordon, filosofe aan de Universiteit van San Francisco, enkele jaren geleden onder de titel American Nuremberg publiceerde. Ondertitel: The US Officials Who Should Stand Trial for Post-9/11 War Crimes. Op de cover de beroemde foto van Neurenberg van geallieerde soldaten en beklaagden. Maar op de plaats van Göring, Hess, Von Ribbentrop en anderen zijn afbeeldingen van Bush, Rumsfeld, Cheney en zelfs Obama gemonteerd. Het boek wordt afgesloten met een bijlage. Daarboven: ‘At the first Nuremberg tribunal, twenty-two Nazi officials and collaborators stood trial. Here is a list of the twenty-two most egregious criminals of the war on terror.’

Zover is het niet gekomen en zal het ook nooit komen. Het tekent de situatie van dit moment en de ambivalente positie van het internationaal humanitair recht, het Neurenberger principe aan het begin van de 21ste eeuw. Je ziet die ambivalentie in één oogopslag aan de handtekeningen onder wat officieel heet Agreement on Privileges and Immunities of the International Criminal Court (apic, vervolg op het Statuut van Rome): terwijl zo’n tachtig landen deze nieuwe versie van het Statuut van Rome ondertekend en geratificeerd hebben, zijn er nog altijd meer dan honderd die dit niet deden – die niet tekenden (onder meer China, India, Indonesië en Turkije), niet ratificeerden (zoals de VS en Israël) of wel tekenden maar zich vervolgens terugtrokken (Rusland en de Filippijnen). Tot de weigeraars behoren dus ook de drie grootste wereldmachten: de VS, Rusland en China.

Weliswaar heeft de lijst van de door het Internationaal Strafhof verrichte onderzoeken, vervolgingen en processen in de loop van twintig jaar een indrukwekkende lengte gekregen, het zijn altijd nog druppels op een gloeiende plaat – en ze betreffen bovendien slechts een deel van de wereldbevolking, een ander deel kan min of meer doen wat het wil. De moeizame positie van het Strafhof toont zich zo mogelijk nog sterker in het aantal veroordelingen. Dat zijn er, het is welhaast ongelooflijk na al die jaren, investeringen, onderhandelingen, onderzoeken en zittingen, niet meer dan vier.

Pijnlijker wellicht nog is dat het Strafhof, deels noodgedwongen, selectief is. Dat ondergraaft zijn positie. Het Neurenberger principe geldt immers altijd, overal en voor iedereen – of het geldt niet. Een van de vele illustraties van deze willekeur betreft de oorlogsmisdaden die in Afghanistan werden begaan. Na achttien maanden research besloot het Strafhof in april 2019 het onderzoek naar eventuele Amerikaanse misdaden ter plekke te staken. De belangrijkste reden hiervoor was de onmogelijkheid bewijs te vergaren; elke poging in die richting werd door de Amerikanen tegengewerkt. Daarbij ging men zelfs zover dat het visum van de belangrijkste aanklager van het Strafhof, Fatou Bensouda, ingetrokken werd. Dat werkte en de beslissing van het Strafhof werd in conservatieve Amerikaanse kringen ontvangen als een enorme overwinning. Zo noemde de man die destijds nationaal veiligheidsadviseur was, John Bolton, de dag van die beslissing ‘de gelukkigste van zijn leven’. De op één na gelukkigste, zo voegde hij er ten overvloede aan toe, viel vijftien jaar eerder: bij het besluit van Bush jr. om zich terug te trekken uit het Statuut van Rome en dus uit datzelfde Internationaal Strafhof.

Nog enkele weken geleden maakte het Strafhof bekend zich opnieuw over de gebeurtenissen in Afghanistan te willen buigen. Bedoeld werden nu echter niet Amerikaanse misdaden. Nee, het nieuwe onderzoek betreft uitsluitend de Taliban en IS. Een woord als bizar lijkt opnieuw onvermijdelijk.

In het laatste rapport van Human Rights Watch (hrw) wordt van afgelopen jaren, met name wat betreft de Verenigde Staten, een buitengewoon somber beeld geschetst. De verantwoordelijkheid hiervoor wordt gelegd bij één man, Trump natuurlijk. ‘Donald Trump was a disaster for human rights’, begint het rapport, en het vervolgt met een tirade zonder eind over het nationale én internationale optreden van Trump. Erger nog, aldus het rapport, is dat elk beroep van de VS op mensenrechten hierdoor volstrekt ongeloofwaardig is geworden. De Amerikaanse stemverheffing tegen Rusland, China, Saoedi-Arabië, Iran, Venezuela en Israël slaat als een boemerang in eigen gezicht en daarmee – omdat de VS nog altijd de grootmacht is van de westerse wereld en het symbool van de mensenrechtenpolitiek die in Neurenberg werd ingezet – in ieders gelaat.

Vandaar ook dat hrw niet optimistisch is over de mogelijkheden van Joe Biden. Hij kan iets doen, hij moet en zal ook iets doen, maar de grilligheid van het Amerikaanse beleid in de afgelopen decennia doen het ergste vrezen. Kortom, na 75 jaar blijken de processen van Neurenberg toch niet meer dan een minuscuul stapje te zijn geweest, kleiner dan zowel destijds als een jaar of twintig geleden werd gedacht. Tegelijkertijd dwingt de vreselijkheid van hetgeen destijds in die Duitse stad naar buiten kwam de klemtoon te leggen op dat stapje en niet op het (kleine) formaat ervan. Andere mogelijkheden bestaan niet.