Een mislukte boekhouding van de kindertijd

Ik verheug me bij voorbaat altijd erg op boeken met titels als Kinderjaren of iets van gelijke strekking. Als een auteur ergens gedwongen wordt te fabuleren, te liegen en bedriegen - zelfs of júist als hij zich voorgenomen heeft de waarheid over zichzelf te spreken - dan is het wel in dit soort boeken. De afstand tot de allerpersoonlijkste vroegere ervaringen wordt op zo'n moment immers het scherpst voelbaar en als het goed is, draagt het boek ook de sporen van die tijdens het schrijven ervaren, nooit te overbrugen kloof tussen historische werkelijkheid en de schriftelijke reconstructie van die werkelijkheid.

Precies in die kloof moet zich de schrijver ophouden, denk ik, hoop ik dan altijd.
Vandaar dat ik mijn wenkbrauwen even fronste toen ik in de inleiding die Paul McCarthy schreef op Junichiro Tanizaki’s Kinderjaren las dat hij zich in zijn Engelse vertaling (waarop de nu verschenen Nederlandse is gebaseerd) genoodzaakt had gezien bijvoorbeeld een aantal namen van plaatsen en personen weg te laten. Die zouden voor hedendaagse lezers (Tanizaki leefde van 1886 tot 1965) nauwelijks begrijpelijk zijn.
Alsof die namen niet een essentieel onderdeel zouden kunnen zijn van wat Tanizaki, beschouwd als een van Japans belangrijkste moderne romanschrijvers, ons middels deze herinneringen wilde vertellen. Alsof het hier alleen om een documentair geschrift ging, alleen om het wat van de historische feiten, niet om het hoe van de herinnering zelf.
Maar toen had ik nog geen kennis genomen van de mij van meet af aan tegenvallende en op den duur tegenstaande boekhouderstoon van Kinderjaren, een toon die mij op een zeker moment deed verlangen dat álle namen van plaatsen en personen waren weggelaten. Het zou het geheel in ieder geval aanmerkelijk en aangenaam korter hebben gemaakt.
Tussen verslaglegging en historische werkelijkheid kiert hier niets. In ieder geval geen twijfel, zelfs niet wanneer Tanizaki het heeft over het Kabuki-theater, over opvoeringen die hij op zijn vierde of vijfde gezien moet hebben. Weliswaar zegt hij zich er maar weinig van te herinneren, maar in plaats van zich met dat weinige bezig te houden (want dat is in mijn ogen pas werkelijk veelzeggend), vult hij de lacunes op met citaten uit een Kabuki-jaarboek waarin precies beschreven staat wat hij zich blijkbaar niet meer herinnert. Dat interesseert me nauwelijks.
Het is maar een voorbeeld, maar zo gaat het eigenlijk voortdurend in dit boek. Dat wat Tanizaki interessant maakt, ontbreekt hier, en zo beschouwd is Kinderjaren de sterkste aanbeveling om het wat deze schrijver betreft voortaan bij zijn romans te houden.