Profiel: Juan Carlos

Een modern koningsdrama

Met zijn afwijzing van een franquistische staatsgreep precies veertig jaar geleden was het helden-imago van de Spaanse koning Juan Carlos definitief gevestigd. Tot hij het afgelopen decennium hard van zijn sokkel viel. Zo hard dat hij moest vluchten.

Eind 1998 was ik nauw betrokken bij een grote tentoonstelling in de Nieuwe Kerk, Amsterdam, over het Spanje van de zeventiende eeuw. De tentoonstelling zou geopend worden door koningin Beatrix en koning Juan Carlos. Omdat onze kinderen tweetalig zijn, werd bedacht dat de jongste, Sara van nog geen zeven, de hoogheden zou ontvangen. Zo gebeurde. Toen het zover was stond het arme kind in haar eentje in de enorme toegangsruimte tot de kerk, bosje bloemen in de linker- en iets onzichtbaars achter haar rug in de rechterhand. Ze droeg een prinsessenjurkje met daarover een vest en werd van alle kanten door fotografen toegeschreeuwd. ‘Sara, kijk ’ns deze kant op, Sara…’ Ik stond achter een nabije pilaar en m’n hart brak. Waarom hadden we dit toegestaan?

Toen Beatrix en Juan Carlos binnenschreden, deed Sara precies zoals geïnstrueerd, liep richting Beatrix, maakte een reverence en overhandigde de bloemen. Daarna aarzelde ze even, draaide zich om en sprong Juan Carlos in de armen. Deze deed zijn faam van toegankelijkheid eer aan, tilde het kind op en bekeek samen met haar de tekeningen die de leerlingen van Sara’s klas hadden gemaakt. Ondertussen kuste hij haar, niet één of twee keer maar herhaaldelijk. Beatrix stond er een beetje onbeholpen bij en ging er uiteindelijk ook maar toe over onze dochter een zuinig kusje op de wang te geven. Doet ze nooit, was me verteld.

Juan Carlos was een held, symbool van het onpretentieuze maar mede daarom politiek zo belangrijke moderne koningschap. Zonder hem, aldus de publieke opinie, zou Spanje nooit geworden zijn tot wat het was: een moderne democratie, een land ook dat naadloos paste in het Europa van de 21ste eeuw. Eindelijk. Na eeuwen van afzondering en uitzondering was Spanje bij, bij ons. En in dat proces had Juan Carlos de sleutelrol gespeeld.

Bij het verwerven van die sleutelrol had één gebeurtenis de doorslag gegeven. Dat is de mislukte staatsgreep die in Spanje bekendstaat als 23-F, 23 februari 1981, nu dus veertig jaar geleden, en die ook wel El Tejerazo wordt genoemd, naar de voorman ervan, luitenant-kolonel Antonio Tejero. Iedereen die destijds volwassen was heeft het beeld vermoedelijk nog wel voor ogen: van een militair met zo’n aan de achterkant afgeplatte driekantige steek op het hoofd die, pistool in de hand, vanaf een spreekgestoelte een zaal vol wegduikende politici toeschreeuwt. Onder en achter hem mannen met machinegeweren, achter hem ook een glaasje water en de zetel van de voorzitter van het Congres van Afgevaardigden, Spanje’s Tweede Kamer. De gebeurtenis is een keerpunt in de moderne Spaanse geschiedenis. Dit ook omdat zij een keerpunt was in het imago van de Spaanse koning.

Juan Carlos had zijn kroon te danken aan Franco. Wat je van de man ook denkt, hij was niet gek en begreep al in een vroeg stadium dat er een moment kwam dat hij opgevolgd zou worden. Zijn voorkeur ging uit naar de staatsvorm die zijn land vanouds gekend had: monarchie. Om die reden stelde hij de in ballingschap levende troonopvolger, Juan Carlos sr., ter onderscheid veelal slechts Juan genoemd, voor dat hij de opvoeding van diens zoon ter hand zou nemen.

Vader Juan had weinig keus. Tegen Franco kon hij niet op. Het was toegeven óf de Spaanse monarchie c.q. het koningschap van de Bourbons voorgoed opgeven. Dat laatste was geen optie. En zo kwam het dat Juan Carlos in 1948, tien jaar jong, voor het eerst voet op Spaanse bodem zette en daar, een jaartje van strubbelingen tussen zijn vader en Franco uitgezonderd, ook bleef. Althans, tot voor enkele maanden.

Als protegé van Franco was Juan Carlos bij een flink deel van de Spaanse bevolking, de anti-franquisten, weinig geliefd. Het republikanisme was bij hen, zoals ook bij heel wat figuren met franquistische sympathieën, behoorlijk sterk. Er werd dan ook nauwelijks enthousiast gereageerd op de mededeling, zomer 1969, dat Juan Carlos formeel tot opvolger van Franco was ‘aangesteld’.

Het gebrek aan enthousiasme voor Juan Carlos in de eerste jaren van zijn formele taakvervulling werd versterkt door zijn persoonlijkheid. Hij was verlegen en nauwelijks in staat een goed verstaanbare zin uit te spreken. Daardoor gebeurde het dat hij en zijn vrouw tijdens bezoekjes in den lande uitgejouwd werden, iets wat in het Spanje van Franco een andere lading had dan bij ons en eigenlijk zelfs ondenkbaar was. Met meer enthousiasme verliep het onthaal van Juan Carlos in het buitenland: Egypte, Thailand, India, Japan, Iran en elders. Als belofte van de toekomst ondernam de toekomstige koning een lange reeks pogingen het land van de internationaal alom gewantrouwde Franco op de kaart te zetten. Het opmerkelijkste was de reis in 1971 naar de Verenigde Staten. ‘Juan Carlos Looks to a Democratic Spain’ kopte The New York Times.

De dood van Franco, november 1975, bracht daarin verandering. Hoewel op dat moment al sinds een jaar actief als staatshoofd ad interim, kwam het er voor Juan Carlos nu op aan zich te doen gelden. Maar hoe? Met welke pet op? Als hij zich als Franco-man presenteerde, vervreemdde hij een groot deel van de bevolking van zich en gooide de deur naar Europa dicht. Als hij zich te democratisch of modern voordeed, bestond het gevaar dat de zittende elite kopschuw werd, met eventueel andere ongewenste gevolgen. En dus? De enige mogelijkheid was presentatie als man van het midden. Dat betekende tevens dat Juan Carlos niets anders kon doen dan zich op lastige momenten en bij lastige thema’s afzijdig houden, symbolisch staatshoofd zijn.

Met zijn positionering in het midden deed Juan Carlos wat destijds heel de Spaanse politiek deed: schipperen. Transición wordt die periode in de eerste jaren na de dood van Franco veelal genoemd, overgang: van dictatuur naar democratie. Te veel klemtoon op het een (dictatuur, verleden) of het ander (democratie, toekomst, moderniteit) was niet alleen onverstandig maar ook gevaarlijk. Compromissen sluiten dus, eierlopen, nu het een dan het ander en zo steeds weer. Bij monde van Adolfo Suárez, premier van 1976 tot 1981, slaagde de Spaanse politiek hierin wonderwel, zij het met ‘fouten’ die pas veel later duidelijk werden.

De belangrijkste fout was de zogenaamde mantel der liefde: verschillen (Castilianen-Catalanen), pijnpunten (erfenis Burgeroorlog) en evidente maatschappelijke misstanden (corruptie, klassenverschillen) werden opzij geschoven, bedekt, gebagatelliseerd, zelfs ontkend. Maar Juan Carlos, iets jonger dan Suárez en met eenzelfde (gewenst) imago, eenzelfde ambivalent wereldbeeld en eenzelfde positionering, speelde het spel vol overtuiging mee. Aldus ging Spanje, althans zo leek het, langzaam richting de enige toekomst denkbaar: van democratie, Europa en moderniteit.

Het beeld werd door overheids-pr en media krachtig gestuurd. Daarin werd Juan Carlos veelal voorgesteld als familieman, niet alleen vader van een gezin maar ook van de natie, ‘rey de todos los españoles’ zoals de standaarduitdrukking luidt. Internationale media verkondigden een vergelijkbaar beeld. Europa en de rest van de westerse wereld waren immers gebaat bij een goede bondgenoot op zo’n cruciale locatie, aan het eind van Europa en aan het begin van Afrika, aan de rand ook van de altijd woelige Middellandse Zee (met Israël, Libanon en Libië aan de overkant) en met talloze tentakels in Latijns-Amerika. Zo goed als alle grote Europese en Amerikaanse kranten stuurden daarom correspondenten naar Spanje. En ziedaar, de inspanningen waren niet tevergeefs. Symbool ervan was een cover van Time uit juni 1977. Kop: ‘Spain. Democracy Wins’. Met getekende portretten van drie personen erbij: Suárez (groot), Juan Carlos (kleiner) en Franco (klein). Kortom, met Spanje ging het de goede kant op.

Twee, drie jaar later, begin jaren tachtig, was niet iedereen daarvan zo zeker meer. Zoals heel de wereld ging ook Spanje door een diep economisch dal. De relatie tussen Juan Carlos en premier Suárez was zo ernstig bekoeld dat laatstgenoemde zijn ontslag indiende. Op die beruchte 23ste februari zou hij vervangen worden. Ondertussen rommelde het in het leger zoals het rommelde in heel de maatschappij. Volgens sommigen was de buiging richting moderniteit te diep gegaan. Als voorbeeld hiervan werd steevast de erkenning van de communistische partij genoemd. Volgens anderen ging de overgang lang niet ver en snel genoeg. Een voorbeeld: het uitblijven van de vervolging van franquisten die misdaden tegen de menselijkheid hadden begaan. Onder zoveel tegenstelling werd het steeds duidelijker dat Spanje, in het bijzonder de politieke top, moest kiezen. Maar dat gebeurde niet. Dat geldt ook voor Juan Carlos. Hij bleef schipperen. Tot coupplegers de zaak forceerden.

De foto van Tejero met pistool in de hand werd genomen om ongeveer half zeven ’s avonds, tijdens de tweede, live uitgezonden stemming voor een nieuwe premier. Aan die stemming kwam abrupt een eind. Terwijl Tejero en zijn mannen het parlement bezet hielden en elders koortsachtige onderhandelingen over een interim-regering gevoerd werden, kwam uit Valencia het bericht dat medestanders van Tejero de noodtoestand hadden uitgeroepen. Belangrijkste vraag was vervolgens wat de andere _capitanías, _militaire hoofdkwartieren, zouden doen. Dat werd in de loop van de avond duidelijk: niets, de kat uit de boom kijken. Dat betekende dat alle ogen gericht werden op de man die op dat moment van machtswisseling boven de partijen stond: Juan Carlos. Wat zou hij doen?

Een uur na middernacht verscheen Juan Carlos op de televisie. Zijn boodschap was kort en duidelijk: nee! Hij steunde de opstandelingen niet. Daarmee was de staatsgreep als bij toverslag voorbij. Het leger verliet binnen een paar minuten na de toespraak de Kamer. Kort daarop werd in Valencia de noodtoestand ongedaan gemaakt. De snelheid van de omslag verbijstert tot op de dag van vandaag. De staatsgreep was mislukt, en de stem van Juan Carlos had daarbij de doorslag gegeven. Geen twijfel mogelijk.

Maar betekent dit nu ook dat Juan Carlos van niets wist en geen sympathie voor de opstandelingen koesterde? Dat hij al eerder daadwerkelijk voor de democratie gekozen had? Het is een vraag waarop het standaard antwoord tot voor kort altijd hetzelfde was: ja, de koning was een democraat en had met de staatsgreep niets te maken. Maar sinds Juan Carlos van zijn voetstuk is gevallen en op zo goed als alle gebieden vuile handen blijkt te hebben, zijn oude twijfels teruggekeerd. Het is daarom zeer wel mogelijk dat hij toch nauwer betrokken was dan naderhand verkondigd werd. Dat verklaart in ieder geval de plotselinge omslag.

Maar het is evenzeer mogelijk dat het ‘officiële verhaal’ van zijn overtuigd democratische gezindheid juist is. De verstandigste conclusie is dan ook die van een man als Juan Francisco Fuentes, hoogleraar contemporaine geschiedenis aan de Complutense, de universiteit van Madrid. In zijn recente boek 23 de febrero de 1981: El día en que fracasó el golpe de Estado stelt hij met betrekking tot de staatsgreep dat een verhaal vol onduidelijkheden te verkiezen is boven een dat zo klaar is als een klontje maar uitpuilt van onbewezen (samenzwerings)theorieën.

Zijn presentatie als man van het midden betekende dat Juan Carlos niets anders kon doen dan zich bij lastige thema’s afzijdig houden, symbolisch staatshoofd zijn

De onduidelijkheid over de toenmalige positie van koning en politiek staat in schril contrast met de heldere daadkracht die in de jaren na de staatsgreep aan de dag werd gelegd bij de vorming van het imago van een modern Spanje en een modern koningschap. Ikzelf had de bij nader inzien twijfelachtige eer in dat spel een potje mee te spelen.

Halverwege de jaren tachtig raakte ik goed bevriend met de zoon van een van de grootaandeelhouders van El País, de Spaanse krant die op dat moment het moderne Spanje vertegenwoordigde. Die vriendschap ging zo ver dat we in 1986, bij het tienjarig bestaan van de krant, in de Nieuwe Kerk in Amsterdam een tentoonstelling over onder meer El País organiseerden, die kenmerkend was voor zowel het Spaans-binnenlandse als het internationale beeld van de ontwikkelingen op het Iberisch schiereiland sinds de dood van Franco. De boodschap ervan was eenduidig: de democratie had gezegevierd, Franco was voorgoed verleden tijd, het land kende een moderne pers zoals het ook tal van andere moderne instituties kende. De eerste jaren na de dood van de caudillo was het nog weleens kantje boord geweest, maar zeker sinds 23-F ging de koers recht vooruit.

Van die progressieve koers was El País de belangrijkste boodschapper, Suárez’ opvolger Felipe González de leidsman en Juan Carlos het symbool. Kortom, de vaart der volkeren had er een broeder bij. Aldus het verhaal dat ging van Madrid tot Malaga, van Barcelona tot Badajoz en van Amsterdam tot New York. Het werd geïllustreerd en bevestigd door talloze feiten en vele gebeurtenissen. Daaronder het Spaanse lidmaatschap van de navo in 1982, van de EU in 1986 en de kroon op het werk: de organisatie van de Olympische Spelen en de Wereldtentoonstelling in 1992.

Bij alle successen viel telkens weer de naam van Juan Carlos. Zijn officiële rol en daadwerkelijke macht mochten klein zijn, zijn symbolische positie was ongekend, stond buiten kijf en, daarvan was iedereen overtuigd, was meer dan verdiend. Hij was een held, er is geen ander woord voor. Neem de kwalificatie van de militair die van 1977 tot 1993 achtereenvolgens secretaris-generaal en directeur van het Kabinet van de Koning was, Sabino Fernández Campo. Hij stelde dat zich na de staatsgreep niets minder dan een proces van ‘glorificación del rey’, majesteitsverheerlijking, voltrok. Hetzelfde beweerde een journaliste die op de dag van de staatsgreep in het Spaanse parlement verbleef, het koningshuis sindsdien vol bewondering volgde maar uiteindelijk (al in 2014) toch een kritisch boek schreef, Pilar Urbano: Juan Carlos was na 23-F ‘immuun voor elke kritiek’. Het was ondenkbaar hem ‘op de hak te nemen, kritisch te ondervragen, laat staan te belasteren’, stelt Urbano.

Veelzeggend is ook het boek dat de gelauwerde Figaro-journalist en Spanje-kenner Philippe Nourry in 1986 publiceerde. De titel alleen al: Juan Carlos: Un roi pour les républicains. De vermoedelijk bekendste uiting van alle loftuitingen is, let op de titel, A People’s King van Paul Preston uit 2004. Preston is ontzettend kritisch over alles wat met Franco, rechts Spanje en Burgeroorlog te maken heeft, maar hij schreef over Juan Carlos zoiets als een hagiografie. Het boek werd een bestseller en wordt tot op de dag van vandaag in zo goed als onveranderde vorm herdrukt. Maarten Steenmeijer, tot voor kort hoogleraar Spaanse literatuur in Nijmegen, was een van de velen die er destijds een lovende recensie over schreven. Die recensie eindigt met de woorden dat Preston ‘overtuigend duidelijk maakt dat Juan Carlos in de loop van zijn carrière niet alleen zijn eigen imagoprobleem maar ook dat van het Spaanse koningshuis uit de wereld heeft geholpen’. Zo dacht iedereen. Ook ik.

Hoewel er in de decennia van Spaanse majesteitsverheerlijking vanzelfsprekend nog weleens tegenklanken klonken, drongen die zelden of nooit door tot de publieke opinie, laat staan tot de Spaanse of internationale pers. Maar dat veranderde in het veelal zo genoemde annus horribilis, het voor het Spaanse koningshuis in het algemeen en Juan Carlos in het bijzonder ‘verschrikkelijke jaar’ 2012.

De ommekeer begon met de stommiteit van een olifantenjacht in Botswana, op een moment bovendien dat het land zijn ernstigste economische crisis sinds begin jaren tachtig onderging. Op vakantie in Afrika struikelde Juan Carlos, brak heup en dijbeen, werd gerepatrieerd en in Madrid geopereerd. Zo werd echter bekend wat hij had uitgespookt: jagen op een bedreigde diersoort en dat ook nog eens voor heel veel geld, dat tot overmaat van ramp afkomstig was uit verdachte bron. De reacties kwamen meteen en waren meedogenloos: van alle kanten werden bakken gal over de Spaanse koning uitgestort.

Zo werd eraan herinnerd dat Juan Carlos kort voor zijn reis nog gezegd had dat hij zo begaan was met de Spaanse jeugd die maar geen werk of levensbestemming kon vinden. Het verhaal van deze spijtbetuiging ging steevast vergezeld van het prijskaartje van een dagje olifanten schieten. Er doken foto’s op uit 2006 met Juan Carlos naast een dode olifant. Er kwamen verhalen los over een jacht, lang geleden, op een tevoren dronken gevoerde Russische beer. Zo was er meer. En dan te bedenken dat de man erevoorzitter was van het World Wide Fund for Nature.

Juan Carlos ging meteen, nog op de stoep van het ziekenhuis, diep door het stof. Maar het was te laat. Wat volgde was nog veel erger, ook al omdat met elke nieuwe onthulling talloze oude maar ‘vergeten’ feiten opgerakeld werden die op hun beurt weer nieuwe onthullingen met zich mee brachten. Zo werkt de publieke opinie, zeker in digitale tijden: radicaal, mateloos, onstuitbaar en zichzelf ver-sterkend.

Verhalen over vrouwen bijvoorbeeld. Tot de weinige principiële critici van Juan Carlos behoort sinds lang de ondertussen 85 jaar oude voormalige kolonel Amadeo Martínez Inglés, een overtuigd republikein en links-politieke activist. Hij publiceerde in 2001 een boek over 23-F met de ondertitel ‘de staatsgreep die nooit plaatsvond’. Teneur: Juan Carlos en talloze andere hotemetoten uit leger en politiek waren nauw betrokken. Het boek werd neergesabeld. Hetzelfde gebeurde met het boek dat Martínez Inglés in 2008 publiceerde over de vele, wat hij kwalificeerde als politieke strapatsen van Juan Carlos. Neergesabeld. Idem dito met zijn aanhoudende verzoeken tot onderzoek naar een feit dat Juan Carlos heel zijn leven heeft achtervolgd: het ‘per ongeluk’ doodschieten van zijn jongere broertje in 1956.

Na 23-F wilde niemand zoiets horen. Waar of niet waar, dat deed niet ter zake. Het ging om gewenst of ongewenst. Maar toen Martínez Inglés enkele jaren later, in 2017, een zoveelste boek over Juan Carlos publiceerde en beweerde dat de man ‘het’ met maar liefst 4786 vrouwen had gedaan, vond hij alom een gewillig oor. Het verbijsterende getal gonsde rond. Toen ook werd overal herhaald wat iedereen wel wist maar wat om dezelfde redenen als altijd, majesteitsverheerlijking dan wel taboe, onder het tapijt was geschoven: dat Juan Carlos nou niet bepaald een trouwe echtgenoot was geweest. De namen van een paar handen vol vriendinnetjes waren met een paar muisklikken te vinden. Het was denkbaar, zo was de teneur, dat de boze kolonel zich had verrekend (hoe kwam hij trouwens aan zo’n precies getal?), maar helemaal ongelijk had hij vast niet.

Ondertussen raakte de heikele positie van Juan Carlos om bijkomende redenen nog verder in het slop. Spanje is een land dat sinds lang geteisterd wordt door corruptie. De lijst van louche politici en doortrapte zakenlui is eindeloos. Een van de weinige onverdachte instellingen was het koningshuis, tot in 2010 de zaak-Nóos aan het licht kwam, genoemd naar een Catalaans ‘onderzoeksinstituut’ dat diepgaand betrokken was bij tal van vuile zaken, waaronder het verdonkeremanen van publieke gelden en witwassen. Het ergste van alles was dat de president van dat instituut niemand minder dan de schoonzoon van Juan Carlos was. Ook diens dochter zou betrokken zijn. En de koning zelf? Het zoemde geruchten.

Iñaki Urdangarin, de schoonzoon, werd na tal van verwikkelingen in 2017 tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld. Juan Carlos was op dat moment al geruime tijd koning-af en de schoonzoon en dochter waren min of meer uit het koninklijk huis gebonjourd, maar dat kon het imago van Juan Carlos niet meer redden. Integendeel, de publieke opinie schakelde in hogere versnelling.

Zeker na de overdracht van het koningschap aan zoon Filips (VI) in 2014 kwam het ene na het andere stuitende verhaal boven tafel. Het is te veel om op te noemen en meestal ook niet duidelijk. Maar er was zoveel rook en vuur dat ieder verstandig mens besefte dat de zaakjes van Juan Carlos niet klopten. Op den duur viel de conclusie dan ook niet meer te vermijden: de koning-emeritus had sinds lang vuile handen.

Zo zou Juan Carlos ten tijde van de Argentijnse dictatuur bij tal van duistere praktijken betrokken zijn geweest. Tijdens wederzijdse bezoeken tussen Spanje en Saoedi-Arabië aan het begin van deze eeuw zou hij zich ingezet hebben voor een fonds van een miljard dollar ten behoeve van ‘investeringen in energie, transport en telecommunicatie’. Het fonds kreeg een zetel in belastingparadijs Guernsey. Juan Carlos zou honderd miljoen euro ontvangen hebben voor zijn betrokkenheid bij de aanleg van een hogesnelheidslijn tussen Mekka en Medina. Het geld was naar Zwitserland gestuurd.

Hij had vriendinnetjes, onder wie in de eerste plaats Corinna zu Sayn-Wittgenstein (oorspronkelijk Larsen), enorme sommen geld overgemaakt. Hij was betrokken bij of had belangen in tal van vage stichtingen. Hij (en sommige familieleden) zou in het bezit zijn van zogenoemde ‘zwarte’ kredietkaarten, bankpasjes die correspondeerden met niet te achterhalen rekeningen ergens op de wereld. Juan Carlos had tal van verdachte reisjes gemaakt, onder meer in 2016 naar Polynesië, die bovendien niet uit eigen zak werden betaald.

Zo ging het door, het ene verhaal na het andere, en het einde is vermoedelijk nog lang niet in zicht. Vreemdst van al wellicht is het almaar hardnekkiger gerucht – zo hardnekkig dat het de status van gerucht eigenlijk al voorbij is – dat Juan Carlos in het bezit zou zijn van een vermogen van een kleine twee miljard euro. En dan te bedenken dat hij in 1975 niets bezat en van zijn vader hoogstens een paar miljoen erfde. Waar komt al dat geld vandaan? Geen wonder dat Juan Carlos vorig jaar zijn land ontvluchtte en op dit moment in zelfgekozen ballingschap leeft. Geen wonder ook dat hij door zijn zoon en opvolger op zo goed als alle gebied gedesavoueerd is. De zoon had geen keus. De vader evenmin.

Als Spanje en Filips VI de monarchie willen redden, zit er niks anders op dan de afgetreden koning te laten vallen. Zijn persoon, er is maar één uitdrukking voor, is een verloren zaak: le roi est mort, vive le roi.

Over wat er nu uiteindelijk fout is gegaan kun je lang speculeren. Voorop staat een volstrekt achterhaalde opvatting van het koningschap, zou ik zeggen. Juan Carlos meende letterlijk boven alle partijen te staan. Hij meende te kunnen doen wat hij wilde. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze zelfoverschatting niet alleen zijn fout is. Na 23-F wérd hij ook overschat. Die overschatting was het gevolg van iets wat Spanje en de Spanjaarden blijkbaar nodig hadden: een held, iemand die het land als bij toverslag de moderniteit binnen kon trekken.

Maar zo werkt het niet. Zoals alle maatschappelijke structuren zijn moderniteit en democratie als kaas; ze moeten rijpen. Spanje kon in veertig jaar onmogelijk bereiken waar andere Europese landen, waaronder Nederland, eeuwen over hadden gedaan. Bij de misvatting dat zoiets wél kon was Juan Carlos zowel dader als slachtoffer. Wat heet een koningsdrama.