Eigen theater zonder subsidie

Een moderne mecenas

Een eigen theater zonder subsidie? Het kan. Pompoen is een voorbeeldig model hoe je kunst kunt financieren.

In een hoekje van het smaakvol ingerichte café staan een vleugel, drumstel en contrabas opgesteld. Op de grond, ingeklemd tussen de instrumenten, ligt een houten plank die niet veel groter is dan een vierkante meter. Dat is het domein van tapdanser Marijn van Veen. Als de hoop op meer publiek dan het aanwezige kluitje mensen is vervlogen, betreden de musici het piepkleine podium. Even later stuitert Marijn van Veen met een adem benemende virtuositeit over haar ritmebox.
Plaats van handeling is Pompoen, het voormalige Werkteater in de Amsterdamse Spuistraat. Naast het jazzpodium in het café herbergt het pand een theaterzaal met honderd stoelen. Hier vindt een breed spectrum aan kleinschalige optredens plaats, variërend van tangoavonden, multimediavoorstellingen tot theaterperformances. Anders dan je zou denken, is Pompoen niet het zoveelste gesubsidieerde buurttheatertje, maar een particulier initiatief in het leven geroepen door Margreet de Bloeme, een jazzliefhebster in hart en nieren.


Hoewel het Nederlands kunstleven zwaar gesubsidieerd wordt, is het particulier initiatief geen onbekend verschijnsel. Vooral in de museumwereld zijn er tientallen, zo niet honderden, kleine privé-bedrijfjes die worden gerund door onvervalste liefhebbers. Denk aan het Aanstekermuseum, het Artiestenmuseum of het Flessenscheepjesmuseum in Enkhuizen. In bijna alle gevallen gaat het om privé-collecties die de eigenaar óf uit liefde óf uit ruimtegebrek tentoon wil stellen. Het Pianolamuseum in Amsterdam is een voorbeeld van zo'n uit de hand gelopen hobby: simpelweg door de omvang van de instrumenten was de collectie niet meer thuis te handhaven.
Ook grotere musea komen soms voort uit authentieke verzamelwoede. In 1994 stichtte prof. Th.M. Scholten het Museum Beelden aan Zee in Scheveningen. Samen met zijn vrouw begon Scholten in 1966 met het verzamelen van beelden. Vijfentwintig jaar later omvatte de collectie zeshonderdvijftig exemplaren van Nederlandse en buitenlandse kunstenaars. In 1970 werd de collectie in een stichting ondergebracht, maar het echtpaar Scholten voelde er niets voor om deze te schenken aan een bestaand museum. «De ruimte van musea is beperkt, het doembeeld van iedere verzamelaar is dat zijn collectie verdwijnt in een overvol depot», aldus Scholten in een interview met het Finan cieele Dagblad.
Aanvankelijk wilde het echtpaar een museum vestigen op het eigen terrein in Bilt hoven, maar werd daarbij tegengewerkt door de overheid. «De zachte dictatuur van regelgevers waaronder ons volk gebukt gaat is bijkans dodelijk», schrijft Scholten in de museumcatalogus. Iets gunstiger waren de omstandigheden in de duinen van Scheveningen, hoewel Scholten constateerde dat ook hier «het omhalen van een dode conifeer in een stadstuin is gebonden aan een vergunning».
Achter het Frisia Museum in het Noord-Hollandse Spanbroek gaat eenzelfde verhaal over kunstliefde schuil. Niet gehinderd door enige kennis raakte Dirk Scheringa twintig jaar geleden verliefd op de doeken van de magisch-realisten («schilderijen die lijken op foto's»). Werd eerst de huiskamer volgehangen met schilderijen van Carel Willink en Pyke Koch, langzamerhand groeide het idee om een officieel museum op te richten, gefinancierd door de DSB Groep, een bedrijf in consumptief krediet, hypotheken en verzekeringen. In 1997 opende Scheringa in een verbouwde school het Frisia Museum dat drijft op een collectie van honderd Willinks en dat jaarlijks vijftigduizend bezoekers trekt.


Niet iedereen met een serieuze liefde voor kunst en een dikke portemonnee heeft echter zin in de rompslomp van een eigen theater of museum. Voor deze gulle gevers biedt het Prins Bernhard Cultuurfonds de mogelijkheid een Fonds op Naam op te richten. Sinds het Cultuurfonds in 1987 dit initiatief nam, hebben zo'n honderdtwintig kunst- en natuurliefhebbers gereageerd. De afgelopen jaren was de groei zelfs «explosief», aldus Astrid Waltmans van het PBC. «In 1999 kwamen er maar liefst twintig nieuwe fondsen bij en afgelopen jaar opnieuw twaalf.» Kenmerkend voor een Fonds op Naam is dat de schenker zelf de bestemming mag bepalen. En zo kan het gebeuren dat er fondsen zijn ter bevordering van «educatie, cultuur en natuurbehoud in Vught en omgeving» (Slingsby van Hoven Fonds), ter stimulering van «onderzoek in het buitenland door amateurs» (Maaike Helena de Gaay Reisfonds) en voor het behoud van «antieke vloer-, dak- en wandtegels» (Buchter de Vries Fonds). En wie heeft er ooit gehoord van het Jonge Oren Fonds, gericht op «het stimuleren van de muzikale ontwikkeling van het jonge kind vanaf de prenatale fase tot en met 48 maanden»?
De bulk van de fondsen ondersteunt de beeldende kunst en klassieke muziek. Jonge pianisten, cellisten, dirigenten en zangers die een masterclass of een opleiding in het buitenland willen volgen, hebben keus te over. Particulieren die een Fonds op Naam oprichten zijn verzekerd van gunstige fiscale voorwaarden. Het PBC op zijn beurt gebruikt het kapitaal dat wordt gegenereerd uit rente en beleggingen van de fondsgelden om eigen kunst- en cultuurinitiatieven te financieren. Afgelopen jaar was dat een bedrag van 31 miljoen gulden.
Hoe welwillend de fiscus ook tegenover dit soort schenkingen staat, toch verklaren belastingvoordelen niet in de eerste plaats het succes van het Fonds op Naam, meent Waltmans. «Vaak zijn de motieven heel idealistisch. En nogal eens betreft het mensen zonder kinderen die iets aan de samenleving willen geven.» Dat geldt bijvoorbeeld voor J. van der Ploeg die in 1999 het Van der Ploeg Natuurfonds oprichtte ter bescherming van de natuurgebieden in Gelderland en Utrecht die bedreigd worden door snelwegen, bebouwing en de Betuwelijn. «Een ideale bestemming, zeker als je geen kinderen hebt», motiveert hij zijn daad.
Nogal wat fondsen worden opgericht ter nagedachtenis aan overleden echtgenoten. Mevrouw L.S.M. Hoogland barones Quarles de Quarles hoopt met haar fonds de kennis van de Nederlandse taal en poëzie bij jongeren te bevorderen, want «de Nederlandse taal was bij voorkeur het medium waardoor mijn echtgenoot zijn uitzonderlijke gaven tot uitdrukking placht te brengen. Omdat zijn liefde voor de poëzie bovenaan stond, lijkt het mij van het grootste belang dat juist de schooljeugd de gelegenheid krijgt en gestimuleerd wordt de Nederlandse poëzie te leren kennen.»
Ook het Centraal Bureau Fondsenwerving signaleert dat bemiddelde mensen in toenemende mate een eigen bestemming voor hun geld willen kiezen in plaats van dat de overheid daarover (via belastinggeld) beslist. Adjunct-directeur Louise van Deth: «Er wordt spectaculair meer geld nagelaten aan goede doelen. Dat betreft zelfs een stijging van meer dan 45 procent. Overal in de maatschappij is meer geld en dat uit zich onder andere in een groeiend aantal particuliere donaties. In tien jaar tijd is het bedrag dat wij aan fondsen werven, gestegen van een miljard naar 3,5 miljard.»
Gezien het serieuze karakter van deze ontwikkeling wordt er dit jaar een nieuwe leerstoel Filantropie, sponsoring en vrijwilligerswerk bij de VU in het leven geroepen. Deze zal bekleed worden door Th.M.N. Schuyt die al jarenlang expert is op het gebied van «geven in Nederland».


Ook Margreet de Bloeme (60) van Pompoen noemt zich «een mecenas in een modern jasje». Net als andere particuliere initiatieven kent haar theater een lange voorgeschiedenis. Jarenlang was ze onderwijsconsulente in Amsterdam, maar ze knapte af op het vergadercircuit waar nauwelijks resultaten uit voortkwamen («Het onderwijs is nog even slecht als twintig jaar geleden»). Met name was het haar een doorn in het oog dat vijftig procent van de Amsterdamse kinderen voortijdig de middelbare school verlaat. Met een aantal gelijkgestemden besloot ze het probleem eigenhandig aan te pakken: ze stortte zich in de wereld van de multi media («Onderwijs verpakt in een computerspelletje en om dat spel te kunnen spelen moet je je die kennis eigen maken»). Ook al sloeg deze software — edutainment, educational software en entertainment — in de onderwijswereld niet aan, haar bedrijf bewoog zich met succes op de publieks markt. Zo ontstond op den duur de BV Pompoen Multimedia en Onroerend Goed. Deze holding heeft in 1997 het voormalige Werkteater opgekocht en flinke investeringen gedaan in de nieuwbouw en de nood zakelijke aanloopkosten. In de toekomst is het de bedoeling dat de exploitatie van het jazzpodium en de theaterzaal wordt bekostigd uit de horeca en de toeristen attractie Het Mirakel van Amsterdam.
De Bloeme: «Dat plan dateert al uit 1980. Ik maakte nog weleens een rondvaart met jazzmusici en dan vond ik het altijd een beetje gênant als je bij het huis met de negerhoofden kwam. Tenslotte is dat het huis van een slavenhandelaar geweest. Zo heb ik het idee ontwikkeld om een multimediapresentatie te maken over bouwen, wonen en rellen in Amsterdam. In die tijd waren net de Nieuwmarkt-rellen achter de rug en daar sneden die krachten elkaar keihard. De belangen van een buurt versus een stads bestuur dat de vooruitgang van de stad een warm hart toedraagt. Ik vermoedde dat er in de geschiedenis meer van dat soort momenten geweest moesten zijn. Dat bleek te kloppen: de tweede helft van de twintigste eeuw met zijn Nieuwmarkt en krakers is een slap aftreksel van wat zich daarvoor aan protest heeft afgespeeld.»
De geïnteresseerde toerist die meer van het karakter en de identiteit van Amsterdam wil weten, kan vanaf maart terecht in Pompoen voor een presentatie gebaseerd op historische prenten en foto’s, gevat in mooi vormgegeven animaties. Het geld dat de toeristen in het laatje brengen gaat onder andere naar de jazzprogrammering, De Bloemes grote passie. «Waarom ik jazz interessant vind?» vraagt ze retorisch. «Omdat je een aantal afspraken maakt in de vorm van akkoorden of minuten en elke musicus daar persoonlijk invulling aan moet geven. Iedereen valt altijd direct over me heen als ik het zeg, maar ik vind de eisen die aan jazzperformers worden gesteld veel hoger dan aan iemand die voor de zoveelste keer prachtig een sonate van Mozart interpreteert. Ik hou van nieuwsgierigheid en oplossend denken.»
Haar jazzpodium is op Amerikaanse leest geschoeid: de musici spelen vijf avonden achter elkaar. De Bloeme hoopt dat er zo een verdieping in het (samen)spel zal ontstaan die bij «one-night'ers» ontbreekt. Om te zorgen dat er toch wat gebeurt, worden musici die niet zo gauw met elkaar zouden spelen samen op het podium gezet.
Een ander plan is om bekende Amerikaanse musici uit te nodigen voor een masterclass. De Bloeme: «Op dit moment zijn er veel professionele musici in Nederland en het is interessant om goeroeachtige figuren hierheen te halen die les kunnen geven in de kneepjes van het vak. Ik moet zeggen dat het absoluut nog niet loopt. Hoewel de musici die tot nu toe hebben meegedaan heel enthousiast zijn, is de belangstelling minimaal. In de klassieke muziek is het een normaal fenomeen. En ook voor publiek is het interessant. Ik vind het leuk om in een restaurant de koks aan het werk te zien. Daarom hou ik van Japans eten. Hoe wordt het klaargemaakt? En dan pas het eindproduct horen.»


De programmering van de theaterzaal is in handen van Anneloes Siegmund (44). Zij beweegt zich op het vlak van mime, beeldend theater en multimedia. Siegmund: «Multimedia in de podiumkunsten staan nog erg in de kinderschoenen, maar wij hebben hier wel alle faciliteiten. We hebben een serie avonden met tangokopstukken georganiseerd. Marlous Lazal geeft op zo'n avond een prachtige videopresentatie over de geschiedenis van de tango. Ook probeer ik aansluiting bij het jazzpodium te vinden. Zo komt hier binnenkort een jonge acteur die net is afgestudeerd aan de Theaterschool en een tekst over het leven van Charles Mingus heeft geschreven. Diezelfde avond wordt er beneden muziek van Mingus gespeeld. Verder heb ik een beetje gelonkt naar het oude Werkteater. Bij de opening hebben Shireen Strooker en Hans Man in ’t Veld een performance gedaan en afgelopen week stond Helmert Woudenberg hier met een solovoorstelling. Om publiek te trekken heb je ook wat meer bekende namen nodig.»
Siegmund heeft grote affiniteit met kleinschalige experimentele kunst en ze is opgetogen over het feit dat ze deze kan presenteren zonder afhankelijk te zijn van subsidie. «In het kader van cultuurfinanciering vind ik dit een geweldig plan», zegt ze. «In veel culturele organisaties wordt de programmering door de overheid gesubsidieerd, terwijl de inkomsten — vaak uit de horeca — wegvloeien. Hier stroomt al het geld naar de programmering. Als dit project een succes wordt, is Pompoen een voorbeeldig model hoe je kunst kunt financieren.»