Ayaan Hirshi Ali en de moslima’s

Een moeizame, maar hard nodige strijd

Ruim een eeuw nadat de eerste feministes in de westerse wereld werden beschimpt en verstoten, wordt een vrouw bedreigd omdat ze zich kritisch uitlaat over de mensonwaardige behandeling van moslimvrouwen. Ayaan Hirshi Ali schudt het land wakker.

Twee vrouwenzaken haalden afgelopen week het nieuws. De ene betrof de harde kritiek vanuit de vrouwenbeweging op de Miljoenennota. In een verklaring van de landelijke koepelorganisaties Vrouwen Alliantie, Tiye International en de Nederlandse Vrouwen Raad, waarbij meer dan honderd vrouwenorganisaties zijn aangesloten, werd gesteld dat de gevolgen van de Sociale Nota negatief zullen uitpakken voor het emancipatiebeleid. «Veel van de nieuwe plannen komt neer op een, mogelijk onbedoeld, discriminerend effect voor werkende vrouwen.» Vrouwen zullen door een aantal nieuwe maatregelen — zoals de bijdragen voor kinderopvang en zorgtoeslag weer te relateren aan gezinsinkomen in plaats van aan indivi dueel inkomen — ontmoedigd raken deel te nemen aan de arbeidsmarkt of afzien van het voornemen te gaan werken, aldus de verklaring van de «geschokte» vrouwenbeweging.

De andere vrouwenzaak betrof de Somalische (ex-) moslimvrouw Ayaan Hirsi Ali, die zich op persoonlijke titel negatief uitsprak over de positie van de vrouw binnen de islam en daarmee de toorn van de fundamentalistische moslimwereld over zich afriep. Voor onbepaalde tijd heeft ze voor haar veiligheid moeten onderduiken.

Het eerst genoemde bericht zal velen in de brede reactie op de Nota zijn ontgaan. De «kwestie Ayaan» daarentegen zorgt voor enorme commotie, die volgens sommigen zelfs vergelijkbaar is met de Salman Rushdie-affaire. Niet alleen de bedreiging haar letterlijk monddood te willen maken is schokkend — alhoewel dergelijke radicale schendingen van de vrije meningsuiting in het nieuwe politieke klimaat schering en inslag zijn geworden — maar vooral ook het feit dat haar woorden binnen de moslimgemeenschap kennelijk zo’n groot taboe zijn. Want ze vertelt toch eigenlijk niets nieuws?

Hirsi Ali heeft haar betoog over de mensonwaardige behandeling van moslimvrouwen en meisjes de afgelopen tijd in verschillende media naar buiten gebracht. Zo stelt zij in het recente nummer van feministisch maandblad Opzij in een essay «dat de overgrote meerderheid van moslimvrouwen nog steeds geketend wordt door het maagdendogma. (…) Verder hebben man en vrouw op geen enkele wijze gelijke rechten of kansen binnen hun specifieke moslimcultuur. Veel vrouwen hebben simpelweg niet de mogelijkheid hun leven zelfstandig en naar eigen inzicht in te richten.»

De aan de Wiardi Beckman Stichting verbonden politicologe zegt haar nek te willen uitsteken omdat «zonder emancipatie van de vrouw de maatschappelijke achterstand van moslims zal voortduren en zonder een krach tige stem, zullen moslimvrouwen nauwelijks worden gehoord». Ze schrijft: «De officiële belangenbehartigers zijn vrijwel allemaal mannen. Woordvoerders van moslimorganisaties en allochtone politici met een moslimachtergrond en andere verdedigers van ‹groepsrechten› schitteren in het ontkennen, bagatelliseren of ontwijken van de grote problemen van moslimmeisjes en vrouwen in Nederland.»

Maar Hirsi Ali heeft ook een boodschap aan het adres van linkse multiculturalisten. Ze werpt de vraag op waarom links alle progressieve verworvenheden als vrouwenemancipatie overboord gooit zodra het gaat om allochtonen. «Het is ideologie geworden onder links om allochtonen koste wat kost te beschermen (…) De kern van het probleem is dat in een brede laag van de moslimgemeenschap vrouwen geen bewegingsvrijheid mogen hebben en dat vrouwen niet buitenshuis mogen werken. Moslimvrouwen hebben meer baat bij felle kritiek op dit gedachtegoed dan bij de oprichting van speciale vrouwenhuizen voor ‹activiteiten›.»

Haar pleidooi kreeg pas werkelijk de impact die het nu heeft (want welke moslimmannen lezen nu Opzij?), nadat ze vorige week twee avonden achter elkaar in de televisieprogramma’s Barend&Van Dorp en Rondom Tien sprak over de schande van de rechteloosheid van vrouwen en over het belang van de integriteit van het vrouwelijk lichaam.

Dat de beer sindsdien los is, wordt meteen duidelijk uit de opiniepagina’s van de kranten en de talkshows op televisie. Het is een en al voor of tegen «Ali». Ze krijgt officiële steun betuigingen uit allerlei hoeken — van de Vrouwenalliantie tot moslimorganisaties, van Nederlandse journalistes tot mannen van Marokkaanse origine, zoals Hafid Bouazza — maar ook gruwelijke reacties uit de moslim gemeenschap die slechts bevestigen waar zij zich zo tegen verzet. Volgens sommige rabiate moslimmannen, die niet nalaten te beweren dat de islam zo’n verdraagzame godsdienst is, «schendt zij met haar aandachttrekkerij de hele moslimgemeenschap. Ze sjanst met de Nederlanders, praat hen naar de mond en wil graag populair zijn. Ze geeft munitie aan het negatieve beeld over de islam dat sinds de elfde september tot volle wasdom is gekomen», zoals geestelijk verzorger Ali Eddaoudi zegt in een interview in dagblad Trouw.

De Somalische politicologe die als tolk in blijf-van-mijn-lijfhuizen werkt, heeft gekozen voor de harde aanval. Door de zaak op scherp te zetten, dwingt ze de vele krachten binnen de allochtone gemeenschap en de linkse politici «met een klont boter op hun hoofd» tot een discussie die veel verder gaat dan tot nu toe het geval was binnen de muren van buurthuizen of tijdens vrijblijvende uitwisselingen tussen politici, opbouwwerkers en moslimvrouwen. De angst die onder moslimvrouwen heerst om vrijuit te spreken, zal volgens haar niet leiden tot ook maar één stap voorwaarts. Voor hen en niet voor zichzelf, zoals haar valselijk wordt verweten, stapt ze met haar aanklacht in de openbaarheid. «Moslima’s eis je rechten op!» staat er boven haar artikel in Opzij.

De rol die Ayaan Hirsi Ali bewust op zich neemt — namelijk persoonlijk het breekijzer zetten in misstanden in delen van de moslimgemeenschap in ons land — kan ondanks de vele verschillen worden vergeleken met de eerste feministes van een eeuw geleden in de westerse wereld. Ook zij trotseerden afkeurende blikken, vooroordelen en persoonlijke beledigingen, of lieten zich, geheel in overeenstemming met die tijd, door woedende mannen arresteren en in de cel gooien.

Een van de latere iconen van de Dolle Mina’s was de jonge radicale Engelse feministe Emmeline Pankhurst, die met haar vrouwenpartij, soms met gevaar voor eigen leven, in de straten van Londen manmoedig streed voor gelijke rechten van de vrouw. Hoe meer tegenwerking de suffragettes kregen, hoe meer zij volhardden in hun strijd. Beroemd is de foto waarop het moment is vereeuwigd dat Pank hurst zich wil bevrijden uit de beknelling van mannenarmen die voorkomen dat zij zich werpt voor het paard van de koets van de koningin. Uiteindelijk ketenden de vrouwen zich vast aan de hekken van het parlement, zodat ze onder belangstelling van de pers met veel geweld losgekoppeld moesten worden.

Pankhursts redevoering uit 1908 onder de titel «De wetten die mannen hebben gemaakt» zal voor veel vrouwen anno 2002 als schokkend actueel gelden. Zij zegt onder meer: «Mannelijke politici hebben de gewoonte tegen vrouwen te praten alsof er geen wetten zijn die invloed hebben op vrouwen. ‹Het is nu eenmaal zo›, zeggen ze, ‹dat vrouwen thuis horen te zijn.› Hun belangen bestaan uit het opvoeden en opleiden van de kinderen. Dat zijn dingen die vrouwen interesseren. Politiek heeft niets met deze dingen te maken en daarom hebben vrouwen niets met politiek te maken.»

Catharine van Tussenbroek was een van de Nederlandse voorvechtsters van vrouwenrechten uit dezelfde tijd. Zij zei onomwonden «dat het zo niet langer kon» en richtte haar aanklacht meer op de private sfeer van zelfontplooiing. Ook sprak ze over de onmogelijke vrouwonvriendelijk ingesnoerde kleding van die tijd. «Wees niet tevreden met een kleed dat de bewegingsvrijheid belemmert. Wees niet tevreden met kleding die u lelijk maakt.» Samen met Aletta Jacobs wist zij als eerste vrouw toegang te verkrijgen tot het volgen van een medicijnenstudie aan de universiteit. De colleges mochten zij vanachter een gordijntje volgen omdat de dames anders de mannen maar zouden afleiden van hun geestelijke prestaties.

Van Tussenbroek zei in 1889 tijdens een congres over vrouwenarbeid: «Om een nieuw denkbeeld ingang te doen vinden zijn nodig: woorden en daden. Vrouwen van het woord en de daad moeten we hebben, anders zal de vrouwenzaak niet slagen.» Ze spreekt over het tekort aan levensenergie onder jonge vrouwen en meisjes omdat ze een diepe ontevredenheid hebben over een bestaan waarin een door inspanning te bereiken levensdoel ontbreekt. «Door een degelijke opleiding die de vrouw in staat stelt te leven van eigenverdiend brood, zal het besef van nutteloosheid en machteloosheid afnemen.»

Economische onafhankelijkheid zou gepaard gaan met karaktervorming, plichts besef en ontwikkeling van hart en gemoed, een stellingname die op den duur leidde tot de invoering van het algemeen kiesrecht en de weg bereidde voor het feminisme in de jaren zestig. Hoe absurd de toen geldende normen waren «dat door studie vrouwen hun vrouwelijkheid zouden verliezen» en dat «de medische studie wegens het realisme volkomen ongeschikt was voor het zwakke geslacht» laten alleen al de cijfers onder de medische studenten van nu zien: meer dan de helft van het aantal studenten geneeskunde bestaat uit vrouwen.

Aan deze illustere pioniers uit de geschiedenis van het westerse feminisme heeft de moslimwereld geen enkele boodschap. Terwijl Ayaan Hirsi Ali hamert op «de verworven heden van de dominante westerse cultuur omdat die de moslimvrouw goede mogelijk heden biedt haar leven op een zelfgekozen manier vorm te geven», vallen binnen groepen van moslimvrouwen stemmen te horen die zeggen dat «het willen opleggen van feministische sjablonen getuigt van grote arrogantie». Hirsi Ali zou niet respecteren dat binnen de gelederen van de moslima’s op eigen wijze en in eigen tempo wordt gewerkt aan de achterstandspositie van de vrouw. En ze zou alles op één hoop gooien — vrouwenbesnijdenis, huiselijk geweld, het binnenshuis houden van vrouwen — waarbij ze de religie aanwijst als de bron van alle kwaad. «Het heeft niks te maken met de islam, maar alles met de etnische achtergrond, het opleidingsniveau en het milieu van de vrouw», laten moslima’s en «allochtonendeskundigen» niet na te roepen.

«Wat zij doet is suggereren dat er nu een moedig moslimmeisje is opgestaan dat het opneemt tegen de boze baardmannen», stelt Yassin Hartog van Islam en Burgerschap, een stichting die valt onder justitie en sinds 1996 actief door alle gelederen heen «discussie binnen de gemeenschap en een breed maatschappelijk debat wil stimuleren».

«Haar drijfveren zijn ingegeven door persoonlijke trauma’s, en omdat ze politicologe is wordt haar nu deskundigheid toegeschreven. Nederlanders identificeren zich graag met haar omdat ze hun eigen struggle uit de jaren zestig op haar projecteren. Het is een triest verhaal, daar heb ik alle begrip voor, maar hang het niet op aan de hele moslimgemeenschap die daardoor nu aan het kruis wordt genageld. Ze komt niet met een oplossing — ja, een ‹wit beleid voor de zwartkoppen›. Het lijkt nu alsof zíj opeens een debat heeft uitgelokt, maar er is al veel langer een continue discussie gaande. Vergeet niet dat er al heel veel is bereikt: de eerste generatie gastarbeiders bestond grotendeels uit analfabeten, de derde generatie gaat naar school en doorloopt hbo en universiteit. Natuurlijk zijn er nog veel misstanden, maar langzaam komt er beweging in. Heel veel vrouwen nemen met behoud van hun moslim identiteit actief deel aan de samenleving.»

Die mix levert het type jonge vrouw op dat gekleed gaat in een h&m-achtige outfit van strakke broek, torenhoge hakken en een glimmend colbertjasje, maar met daarboven een uitdagend gezicht onder een hoofddoek, die volgens de laatste mode achter op het hoofd in een soort knotje wordt gewikkeld.

Zo’n type is de jonge advocate Famile Arslan, van oorsprong Turkse en trots draagster van de hoofddoek. Zij herkent zich helemaal niet in het beeld dat Ayaan Hirsi Ali schetst. «Ik draag mijn hoofddoek volledig uit eigen keuze en hij is voor mij verre van onderdrukkend. Ik bid vijf keer per dag omdat ik het zie als een rustgevende meditatie. Volgens mijn beleving van de islam sta ik gelijk aan de man. Alle misstanden worden nu voor het gemak op het bord van het geloof gegooid. Maar je bent vrij om te werken, ook al zegt de koran dat de man de kostwinner is. Het is een interpretatieprobleem, en dat wordt nu vertaald naar het idee dat vrouwen niet zouden mogen werken, terwijl veel niet-moslims net zo goed strijden met deze kwestie. Het heeft niets met religie te maken maar met omstandigheden en met individuele karakters. En ik wil vooral dat er een gezonde brede discussie wordt gevoerd.»

Een kwestie van interpretatie, het door elkaar heen husselen van geloof en etniciteit, traditie en milieu; het zijn volgens oud-VVD-kamerlid Fadime Örgü elementen die de discussie zwaar vertroebelen en geen goed doen. «Het is een oude discussie in een nieuw jasje, die wordt gehyped door de reactie op de elfde september. Als je de huidige situatie afzet tegen de achtergrond van allochtone vrouwen is er eerder een inhaalslag gaande waar je u tegen kunt zeggen. Toen de eerste gastarbeiders naar Nederland kwamen, gingen zij werken terwijl de Nederlandse vrouwen dat nog maar nauwelijks deden. Op het punt van arbeid was de alloch tone vrouw toen veel verder dan de Nederlandse vrouw die vanuit de calvinistische traditie niet buitenshuis ging werken. En nog steeds scoort Nederland op het terrein van vrouwwerkgelegenheid Europees gezien het laagst. Toen in de jaren tachtig de werkloosheid toesloeg, werden de laagopgeleide allochtone vrouwen daarvan de dupe. Met het aantrekken van de economie en de werkgelegenheid konden zij door hun onderwijsachterstand niet meekomen. Maar tegelijk zag je ook dat veel meisjes, de dochters van die eerste generatie, zich beter gingen scholen en op hogere posities kwamen. In mijn visie gaat het juist heel goed, ook al heersen er grote huwelijksproblemen waarvan partnerkeuze uit het buitenland de oorzaak is. De echtscheidingen veroorzaken enorme problemen voor de vrouw: ze zitten financieel moeilijk, moeten pubers alleen opvoeden en kampen met een ex die hen het leven zuur maakt.»

In het beeld van vrouwen die nooit buiten komen en met vitaminegebrek in stijve pijen en sluiers strak om het hoofd achter de gordijnen naar de buitenwereld koekeloeren, herkent Stella van Wingerden zich niet. Zij is werkzaam bij het project «Plan van Herstel» voor Marokkaanse meisjes in Rotterdam, en als docent islam verbonden aan de UvA. Ze bekeerde zich als Nederlandse, getrouwd met een Marokkaanse man, uit overtuiging tot het moslimgeloof.

Van Wingerden: «Waar we nu tegenaan lopen is die afschuwelijke beeldvorming en de arrogantie tegenover de islam in het algemeen en de vrouw in het bijzonder. Het plaatje is dat alle islamitische vrouwen zielige hoopjes onderdrukten zijn. Daar valt veel op af te dingen: de gemiddelde westerse vrouw is ook niet zo geëmancipeerd als wel lijkt. Ik noem bijvoorbeeld de achterstand van vrouwen op mannen in beloning van gelijke arbeid. Binnen de eigen cultuur zijn wel degelijk krachten gaande die emancipatorisch werken. Je ziet dat moslimvrouwen in een eigen wereldje leven; ze ontmoeten elkaar en kunnen hun verhaal kwijt. Dat heeft voor- en nadelen: het uitsluitingsproces van de maatschappij is niet altijd goed. Aan de andere kant vergelijk ik het met de situatie van de opkomst van de vrouwenbeweging in Nederland. Toen gingen vrouwen in vrouwencafés en praatgroepen voor het eerst netwerken. Moslimvrouwen doen dat nu ook. Binnen die vele groepen zie ik dat emancipatie-ideeën beginnen post te vatten. Vrouwen beginnen kritische vragen te stellen, maar ze willen wel emanciperen binnen de islam. Er wordt bijvoorbeeld vanuit theologisch perspectief gekeken naar de periode waarin de profeet Mohammed leefde. Die nam het vaak op voor vrouwen, voerde voor vrouwen positieve hervormingen door en had relaties met uiterst onafhankelijke, ondernemende vrouwen. Na zijn dood hebben reactionaire processen in de Arabische wereld de vrouw willen terugduwen. De verandering in de machtsverhoudingen zal een proces van binnenuit zijn. Je ziet bijvoorbeeld bij de theologische opleiding hoe jonge Turkse meisjes sinds kort massaal enthousiast toestromen. De moslimwereld zit helemaal niet potdicht, alleen blijven de mannen achter, maar dat is niet uniek voor de moslims.»

Maar geeft de «eigen weg in eigen tempo» niet precies aan hoe gespannen de verhouding tussen feminisme en multiculturalisme is? Culturele praktijken en religieuze voorschriften, zoals gearrangeerde huwelijken, de mythe van het maagdenvlies, eerwraak en het niet blootstellen aan verleidingen buitenshuis, botsen regelrecht met de basisrechten van de vrouw zoals die in beginsel zijn vastgelegd in de westerse democratie. Het is dan de vraag of kiezen voor een betere positie van de vrouw niet per definitie een breuk met de culturele achtergrond betekent.

Volgens de Amerikaanse feministe Susan Okin, veel aangehaald door moslimfeministes als Ayaan Hirsi Ali, moet er prioriteit worden gegeven aan de rechten van de vrouw ten koste van het behoud van de culturele en religieuze praktijken. Zij zegt: «Sekseverhoudingen zijn de toetssteen voor culturele tolerantie. Indien migrantenculturen vrouwen onderdrukken en controleren, dan kunnen we die niet binnen de westerse samenleving accepteren omdat het strijdig is met het beginsel van seksegelijkheid. Patriarchale en onderdrukkende culturen zijn schadelijk voor de vrouwen en verdienen derhalve geen bescherming. Te lang hebben progressieve naïeve multiculturalisten hun ogen ervoor gesloten vanuit het idee dat de schending van vrouwenrechten een onvermijdelijk bijproduct was van culturele tolerantie.»

Zo eenvoudig ligt het toch niet, meent psychologe Ineke Wienese, verbonden aan de afdeling jeugd van psycho-medisch centrum Parnassia in Den Haag. Zij ziet in haar praktijk veel allochtone meisjes kampen met dit dilemma: tussen loyaliteit aan de gemeenschap en het bewandelen van een individuele, soevereine weg. «Ook al vind ik het heel goed dat Ayaan Hirsi Ali probeert de problematiek te verbreden, ik zie dat het in de praktijk balanceren is op het koord van twee culturen. Als je je nek uitsteekt, zijn de consequenties heel zwaar: een meisje komt er alleen voor te staan. Emancipatie komt met vallen en opstaan op gang. Bij dit proces zien we dat mannen achterblijven en dat geeft door de verschuiving van machts verhoudingen veel spanningen. Maar van het feminisme in de westerse zin willen ze niet veel weten», zegt Wienese.

«Vooral moeders die zelf een slecht huwelijk hebben, steunen hun dochters in hun wens om minder afhankelijk van een man te worden. De statusverbetering wordt vaak aangemoedigd door ouders — want ze willen het voor hun kind beter dan ze het zelf hebben — maar over een heleboel taboes kan niet worden gesproken. De keuzevrijheid is weliswaar groter geworden, maar de mogelijkheden voor een partner blijven klein. Vaak zie je dat een partner uit het land van oorsprong veel spanningen teweegbrengt binnen een huwelijk. Hij wordt afhankelijk; lager opgeleide mannen grijpen dan nogal eens terug op geweld, en bij beter opgeleide mannen zie je dat frustraties zich uiten in een depressie. Het huwelijk betekent voor de vrouw ook dat ze trouwt met de schoonfamilie en alle hiërarchische codes die daarbij horen. Soms gaat het goed, maar er wordt steeds vaker dan vroeger gescheiden, ook al is dat net zo goed een loodzware, eenzame weg.»

De blijf-van-mijn-lijfhuizen worden inmid dels in toenemende mate bewoond door alloch tone meisjes en moeders met kinderen. Hetzelfde geldt voor de abortusklinieken waar meer allochtone meisjes aankloppen dan autochtone meisjes. De Rutgershuizen vormen een laagdrempelige manier om achter de rug van de controlerende en roddelende gemeenschap binnen te stappen voor informatie over seksualiteit. Deze instellingen zijn de directe producten van het feminisme uit de jaren zestig, waar veel moslimvrouwen «niks mee» zeggen te «hebben».

Als het aan de nieuwe regering-Balkenende ligt, zal er aan het jarenlang, nu zo omstreden, «doodknuffelen van de allochtonen» een einde komen. Verschillende ministers geven aan méér te willen doen aan de positie van de alloch tone vrouw, onder meer door de status van de slachtoffers van schijnhuwelijken juridisch te versterken. De minimumleeftijd voor een huwelijkskandidaat uit het buitenland wordt verhoogd van 18 naar 21 jaar. In het bijzonder zal «worden gewerkt» aan de veiligheid van de allochtone vrouw. Een speciale commissie moet zich gaan buigen over hoe genitale verminking en seksueel geweld kunnen worden voorkomen. In het algemeen zal veel kritischer worden gekeken naar het verstrekken van subsidies aan organisaties die de achterstandspositie van allochtone vrouwen eerder in stand houden dan verbeteren.

Maar hetzelfde kabinet stelt een Miljoenennota op waaruit blijkt dat de verhouding zorg en arbeid er voor de vrouw financieel niet gunstiger van wordt. Sinds tijden is het geluid vanuit de vrouwenbeweging niet zo duidelijk en hard tegen de politiek van de overheid geweest. Het is een club van bewindslieden bovendien, waar tussen de parade van pakken en stropdassen slechts één mantelpakje prijkt, en waarin een man die liever Sport in zijn portefeuille had gehad uiteindelijk «maar» staatssecretaris van Emancipatie en Gezinszaken is geworden.

Wie voorts kijkt naar de recent gepubliceerde cijfers van het CBS over de achterstand van vrouwen in beloning van betaalde arbeid, de stagnatie van de curve als het gaat om vrouwen op leidinggevende en sleutelposities, het afhaken van vrouwen op de arbeidsmarkt als ze eenmaal kinderen krijgen, kan slechts constateren dat de emancipatie onder autochtone vrouwen stagneert.

Het feminisme in Nederland heet dan «uitgefeest» te zijn, maar er is nog heel veel onderhoudswerk te doen. Of wordt het tijd voor een nieuw «feestje»? Voor een voorhoedegevecht waarin man én vrouw niet permanent in het spitsuur verkeren, alleenstaande moeders (een groeiende groep) alle steun krijgen om te blijven werken of hun zorg ook financieel gewaardeerd zien. En waarin ondubbelzinnig steun wordt gegeven aan alle Ayaan Hirsi Ali’s in spe.