Een moeizame moord

Huub Beurskens hoedt zich voor ironie

Vreemde verlangens in deze kleine roman. Ene H neemt zich voor een moord te plegen, nou goed, verschillende moorden, wie weet massamoorden, het is maar net hoe het uitkomt. Met mes, of pistool, of anders, dat maakt niet echt veel uit. We maken zijn voorbereidingen mee, krijgen een inkijkje in zijn huiselijke omstandigheden, worden in zijn bizarre redeneringen meegezogen en gaan met hem op pad. Op zoek naar het juiste slachtoffer. Of slachtoffers. Waarbij het de bedoeling is dat H opgepakt wordt. Daar verheugt hij zich regelmatig op en hij dagdroomt er verlekkerd over: ‘Wie weet worden zijn armen allereerst bruusk achter zijn rug gedraaid alvorens zijn polsen worden samengesnoerd.’ En iets verderop: ‘Zal hij niet onmiddellijk de zwarte zak over zijn hoofd krijgen?’

Ook maakt hij zich druk over de juiste moordmethode. Eerst lijkt hem een mes wel geschikt, zo’n lekker reusachtig groot mes. Maar het getob neemt al snel een aanvang: welke steken sorteren het meeste effect, om maar iets te noemen. Oefenen op kussens helpt hem niet uit de brand, kapok vliegt in het rond, dat vindt H wel geestig, alsof een jonge hond met de kussens heeft gespeeld, maar zijn plannen komen er niet verder mee. Hij vreest een jammerlijk bloedbad en daar ziet hij ernstig tegen op. Dan maar een pistool. Ook daar bereidt hij zich op voor, hij koopt via vage Marokkaanse figuren, die hij bij een kapper ontmoet, een klein damespistool, oefent er succesvol mee. Dit gaat het dan worden. Maar alweer: bezwaren, problemen, wie, wanneer, hoe precies. Een belangrijk probleem is dat hij zich wil uitleven op volstrekt willekeurige slachtoffers. Maar wat is precies willekeurig? Ook hierover belandt hij in langdurig gepeins. Een oudere vrouw? Dan zou men denken dat hij leed aan een of andere freudiaans probleem. Een oudere man, zelfde probleem. Iemand van Marokkaanse afkomst? Dan zou men hem van racisme kunnen beschuldigen. En dat is wel het laatste wat hij wil, ideologie heeft er niets mee te maken, maakt hij zichzelf wijs. ‘Paniek zaaien, denkt H aangedaan, zelfs enigszins aangeslagen bij de eindtitels (hij bezoekt een film over de moorden van Breivik – kth) mensen panisch en doodsbang maken en dan nog of juist dan op ze blijven jagen en richten, dat is wel het allerlaatste wat hij zelf zou willen.’

H wil zich uitleven op een willekeurig slachtoffer. Maar wat is willekeurig?

Ook het moment van de moord leidt tot beklemde gedachtespinsels. Zou Paaszondag geschikt zijn? Maar ‘zou het kunnen dat men daar iets achter gaat zoeken, dat men gaat speculeren in de richting van godsdienstwaanzin of juist religiehaat?’ Enzovoort. H rechtvaardigt zijn zoektocht naar een willekeurige moord overigens met een curieuze opvatting over ‘verbeelding.’ God heeft om te bestaan verbeelding nodig (van mensen), maar verbeelding kan alleen existeren als het idee van schuld bestaat. Dus bestaat de essentie van het menselijk bestaan eruit zich ergens aan schuldig te maken. Beurskens laat zich af en toe mooi meegaan met de redeneringen van zijn antiheld, hij maakte ze nog plausibel ook. Neem deze retorische vraag: ‘Wat kan de verbeelding anders doen in het paradijs dan het paradijs ruïneren?’ Ik grinnikte hierover, maar ik weet niet zeker of dat de bedoeling was.

In mijn eerdere beschrijving dringt zich enige ironie naar voren, merk ik, dat ligt aan mij, ik vermaakte me wie weet te veel met de bizarre redeneringen van deze gekwelde H, die op zoek is naar schuld en boete over niets. Beurskens hoedde zich in zijn vertelling en in zijn weergave van de gedachtewereld van H met klem voor ironie. Alles is met volstrekte ernst weergegeven, we zitten als lezer opgesloten in de benarde blik van kleinburger H, die zo ongeveer voor alles bang is. We redeneren met hem mee. Tegelijkertijd zorgde de schrijver ervoor dat we met de nodige afstand naar H kijken. Regelmatig zoomt de camera uit en komt er meer afstand. Wie is die H? Is het de schrijver? Ja, ook. Ben ik het, ja zeker ook. IJzersterk vind ik dat Beurskens zijn verder anonieme H doelbewust een moeizame stijl meegeeft. Hij blinkt in zijn romankunst uit in een overvloed aan impressionistische, gedetailleerde schrijfkunst, vaak wordt hij hiervoor geroemd, maar hier werkt hij met een sterk ambtelijk aandoende, droogkloterige stijl. H denkt, ziet en formuleert als een ambtenaar. De verwijzingen naar Hannah Arendts beschrijvingen van Eichmann komen wat dit betreft niet uit de lucht vallen. Zinnen als: ‘De openbare bibliotheek is er niet voor niets, die heeft internet ter beschikking en vormt ook nog eens een goede aanleiding voor een gezonde wandeling’, beklemtonen die ambtelijke sfeer. Ook de kleine beschouwingen over de moordzuchtige Humbert Humbert uit Lolita spreken boekdelen, zie bijvoorbeeld: ‘Humbert deed het overigens niet met een mes, het plegen van die moord, maar met een vuurwapen.’

Niet wat je noemt een fraaie zin, maar Beurskens schreef dit boek duidelijk niet om gecomplimenteerd te worden met de fraaie zinnen. H kijkt, voelt en denkt ongevoelig, en dat vind je terug in de formuleringen. Pas op het einde, wanneer H zich overgeeft aan de euforie van de geplande moord die hij niet pleegde, komt er ineens een fraaie, associatieve woordenstroom tot stand: H ontsnapt tijdelijk aan zijn beklemming. Camus en Kafka kijken om de hoek van deze kleine parabel die steeds dicht langs de werkelijkheid schuurt. Je kunt de wandelingen van H rondom het Oosterpark en de Dapperstraat letterlijk navolgen. Al is het nu beter om thuis te blijven.