Een Amerikaanse Chinook-helikopter boven Kabul. 2 mei © Jim Huylebroek / The New York Times / ANP

De val van Kabul is een grote politieke en ideologische nederlaag voor het Amerikaanse Rijk. De overvolle helikopters die Amerikaans ambassadepersoneel naar het vliegveld van Kabul vervoerden, vertoonden schrikbarend veel overeenkomst met de scènes in Saigon in april 1975. De snelheid waarmee de Taliban-strijders door het land zijn getrokken is verbijsterend; hun strategische vernuft is opmerkelijk. Een offensief van een week eindigde met de inname van Kabul. Het driehonderdduizend man sterke Afghaanse leger viel uiteen. Veel soldaten weigerden strijd te leveren. Sterker nog, duizenden liepen over naar de Taliban, die ogenblikkelijk de onvoorwaardelijke overgave eisten van de marionettenregering. President Ashraf Ghani, geliefd bij de Amerikaanse media, ontvluchtte het land en zocht zijn toevlucht in Oman. Boven zijn presidentiële paleis wappert nu de vlag van het herboren emiraat.

In bepaalde opzichten is de situatie beter vergelijkbaar met het negentiende-eeuwse Soedan dan met Saigon – destijds trokken de strijdkrachten van de mahdi Khartoem binnen en doodden generaal Gordon. William Morris noemde de overwinning van de mahdi een zware slag voor het Britse Rijk, maar waar de Soedanese opstandelingen een heel garnizoen over de kling joegen, ging de machtsovername in Kabul gepaard met weinig bloedvergieten. De Taliban hebben niet eens geprobeerd de Amerikaanse ambassade te bezetten, laat staan dat ze het op Amerikaans personeel hadden gemunt.

Zo is de war on terror na twintig jaar uitgelopen op een voorspelbare en voorspelde nederlaag voor de Verenigde Staten, de navo en anderen die zijn aangehaakt. Hoe je ook mag denken over het beleid van de Taliban – ik sta er al jaren zeer kritisch tegenover – het valt niet te ontkennen dat de Taliban een bijzondere prestatie hebben geleverd. In een tijd waarin de VS het ene na het andere Arabische land de vernieling in hebben geholpen, is er nergens ooit verzet opgekomen dat de bezetters echt in de problemen heeft gebracht. Deze nederlaag zou weleens het keerpunt kunnen zijn. Daarom hoor je de Europese leiders nu ook kermen. Ze hebben zich in Afghanistan onvoorwaardelijk achter Amerika geschaard en ook zij zijn nu vernederd – met name Engeland.

President Joe Biden kon geen kant op. De VS hadden laten weten zich in september 2021 te zullen terugtrekken uit Afghanistan, zonder ook maar een van hun ‘nobele’ doelen te hebben bereikt: zorgen voor vrijheid en democratie, voor gelijke rechten voor vrouwen, en afrekenen met de Taliban. Hoewel ze in militair opzicht ongeslagen zijn, schreien liberalen verbitterde tranen die extra duidelijk maken hoe diep het verlies zit. De meesten van hen – Frederick Kagan in The New York Times, Gideon Rachman in The Financial Times – zijn van mening dat de terugtrekking had moeten worden uitgesteld om de Taliban op afstand te houden. Maar wat Biden heeft gedaan, is niets anders dan het ratificeren van het vredesproces dat door Donald Trump in gang is gezet, met steun van het Pentagon, en dat in februari 2020 is vastgelegd in een akkoord, in aanwezigheid van de VS, de Taliban, India, China en Pakistan. De Amerikaanse inlichtingendiensten wisten dat de invasie was mislukt: hoe lang ze ook zouden blijven, de Taliban lieten zich niet de kop indrukken. Dat Bidens haastige terugtrekking de militanten op de een of andere manier heeft gesterkt, is lariekoek.

Feit is dat Amerika er in twintig jaar niet in is geslaagd iets op te bouwen dat de missie kan rechtvaardigen. De schitterend verlichte ‘Groene Zone’ wordt omgeven door een duisternis waarvan de mensen in de Zone zich geen voorstelling konden maken. In een van de armste landen ter wereld werden jaarlijks miljarden uitgegeven voor de airconditioning van de barakken voor Amerikaanse soldaten en officieren, en er werd geregeld eten en kleding ingevlogen vanaf bases in Qatar, Saoedi-Arabië en Koeweit. Het mag nauwelijks verbazing wekken dat er een reusachtige sloppenwijk verrees aan de randen van Kabul, waar de armen samenkwamen om in het afval te snuffelen, op zoek naar restjes.

De lage lonen van de medewerkers van de Afghaanse veiligheidsdiensten hebben hen er niet toe weten te verleiden de wapens op te pakken tegen hun landgenoten. Het leger, dat in de loop van twee decennia is opgebouwd, is al in een vroeg stadium geïnfiltreerd door Taliban-aanhangers, die zo een gratis training kregen in het gebruik van modern wapentuig en tevens als spion fungeerden voor het Afghaanse verzet.

Dit is de trieste realiteit van de ‘humanitaire interventie’. Al moet worden gezegd: het land heeft een geweldige toename gezien van de export. In de jaren van de Taliban was de productie van opium strikt gereguleerd. Sinds de Amerikaanse invasie is die productie tot ongekende hoogten gestegen en ze maakt tegenwoordig negentig procent uit van de wereldwijde heroïnemarkt – wat de vraag oproept of dit voortslepende conflict, in ieder geval ten dele, kan worden beschouwd als een nieuwe opiumoorlog.

Er zijn biljoenen winst gemaakt, geld dat is verdeeld tussen de Afghaanse sectoren die de bezetting faciliteerden. Westerse officieren kregen goed betaald om de handel mogelijk te maken. Eén op de tien jonge Afghanen is inmiddels verslaafd aan opium. Van de navo-troepen zijn geen cijfers beschikbaar.

‘We ontbeerden een fundamenteel begrip van Afghanistan – we hadden geen flauw benul waar we aan begonnen’

Wat de positie van vrouwen betreft is er weinig veranderd. Er is weinig sociale vooruitgang buiten de van ngo’s vergeven Groene Zone. Een van de belangrijkste Afghaanse feministen in ballingschap merkte ooit op dat de vrouwen in haar land drie vijanden hebben: de westerse bezetting, de Taliban en de Noordelijke Alliantie. Met het vertrek van de Amerikanen hebben ze er nog twee, zegt ze. (Vermoedelijk kan dit inmiddels worden teruggebracht tot één, aangezien de Taliban tijdens hun opmars in het noorden hebben afgerekend met belangrijke facties van de Alliantie voordat ze Kabul innamen.)

Ondanks herhaalde verzoeken van journalisten en campagnevoerders zijn er geen betrouwbare gegevens vrijgegeven over de sekswerkersindustrie die is ontstaan om het bezettingsleger van dienst te zijn. Ook zijn er geen betrouwbare cijfers over het aantal verkrachtingen – hoewel Amerikaanse soldaten geregeld seksueel geweld hebben ingezet tegen ‘terrorisme-verdachten’, Afghaanse burgers hebben verkracht en hebben toegestaan dat geallieerde milities kinderen misbruikten. Tijdens de Joegoslavische burgeroorlog is de prostitutie enorm toegenomen en is de regio uitgegroeid tot een centrum van mensenhandel met als oogmerk seksuele uitbuiting. De betrokkenheid van de VN bij deze winstgevende praktijken is goed gedocumenteerd. In Afghanistan moeten alle details nog boven tafel komen.

Sinds 2001 hebben meer dan 775.000 Amerikanen in Afghanistan gevochten. Daarvan zijn er 2248 omgekomen, naast bijna vierduizend Amerikaanse contractanten. Volgens het ministerie van Defensie zijn er 20.589 militairen gewond geraakt in de strijd. De slachtoffers aan Afghaanse kant zijn moeilijk te berekenen aangezien ‘vijandelijke doden’, onder wie burgers, niet worden bijgehouden. Carl Conetta van het Project on Defense Alternatives schat dat er halverwege januari 2002 al minstens 4200 tot 4500 burgers waren omgekomen door de Amerikaanse inval, zowel direct als gevolg van de luchtaanvallen als indirect tijdens de humanitaire crisis die erop volgde. In 2021 liet Associated Press weten dat er 47.245 burgers waren omgekomen als gevolg van de bezetting. Afghaanse mensenrechtenactivisten gaven een hoger aantal op en hielden vol dat er meer dan honderdduizend Afghanen (van wie veel niet-strijders) waren omgekomen, en dat het aantal gewonden drie keer zo hoog lag.

In 2019 publiceerde The Washington Post een tweeduizend pagina’s dik intern rapport, in opdracht van de Amerikaanse overheid, om het debacle van Amerika’s langste oorlog in kaart te brengen: The Afghanistan Papers. Het rapport was gebaseerd op een reeks interviews met Amerikaanse generaals (zowel gepensioneerd als in actieve dienst), politiek adviseurs, diplomaten, vrijwilligers enzovoort. Hun gecombineerde oordeel was vernietigend. Generaal Douglas Lute, de ‘Afghaanse oorlogstsaar’ onder Bush en Obama, erkende dat we ‘een fundamenteel begrip van Afghanistan ontbeerden – we wisten niet waar we mee bezig waren (…) we hadden geen flauw benul waar we aan begonnen (…) Het Amerikaanse volk zou eens moeten weten wat een immense misstand dit is.’

Een andere getuige, Jeffrey Eggers, een gepensioneerde Navy Seal en een Witte Huis-medewerker onder Bush en Obama, benoemde de ongekende verspilling van middelen: ‘Wat heeft deze strijd van een biljoen dollar ons opgeleverd? Was het een biljoen dollar waard? (…) Toen we Osama bin Laden hadden gedood, zei ik dat Osama waarschijnlijk in zijn waterige graf lag te schaterlachen om het godsvermogen dat we hebben uitgegeven aan Afghanistan.’ Waar hij aan had kunnen toevoegen: ‘En dan nog hebben we verloren.’

Wie was de vijand? De Taliban, Pakistan, alle Afghanen? Een Amerikaanse soldaat die al langere tijd diende was ervan overtuigd dat minstens een derde van de Afghaanse politiemacht drugsverslaafd was en dat een flink deel uit Taliban-aanhangers bestond. Dat vormde een groot probleem voor de Amerikaanse soldaten, zoals een anonieme hoge piet van de Special Forces in 2017 getuigde: ‘Ze dachten dat ik naar ze toe zou komen met een kaart om te laten zien waar de goeien zaten, en waar de slechteriken (…) Pas na een paar gesprekken drong tot hen door dat ik niet over die informatie beschikte. In het begin bleven ze maar vragen: “Maar wie zijn nou de slechteriken, en waar zitten die?”’

Donald Rumsfeld gaf al in 2003 uiting aan eenzelfde gevoel. ‘Ik heb er geen zicht op wie in Afghanistan of Irak de slechteriken zijn’, schreef de minister van Defensie. ‘Ik heb alle informatie gelezen die we uit de gemeenschap krijgen, en het lijkt alsof we heel veel weten, maar als je wat dieper graaft blijkt dat we niets hebben waar we echt iets mee kunnen. We hebben een schrijnend tekort aan informatie vanuit de bevolking.’

Het is een serieus probleem als je geen onderscheid kunt maken tussen vriend en vijand – niet alleen volgens carl-schmitteaanse logica, maar ook in praktische zin. Als je geen verschil kunt maken tussen bondgenoten en tegenstanders na een aanslag met een geïmproviseerde bom op een drukke markt haal je uit naar alles en iedereen, en al doende creëer je nieuwe vijanden. Kolonel Christopher Kolenda, die adviseur is geweest van drie generaals, wees op nog een ander probleem binnen de Amerikaanse missie. Corruptie vierde hoogtij, meteen vanaf het begin, zei hij; de regering-Karzai was een ‘eigenhandig opgetuigde kleptocratie’. Dat ondermijnde de post-2002-strategie om een staat op te bouwen die ook na de bezetting zou standhouden. ‘Kleinschalige corruptie is net huidkanker, er zijn manieren om ermee om te gaan en dan kun je er best mee leven. Corruptie binnen ministeries, op een hoger niveau, is net darmkanker; dat is erger, maar als je er op tijd bij bent, komt het waarschijnlijk wel goed. Maar kleptocratie is als een hersentumor: je bent ten dode opgeschreven.’

De regering-Karzai was een ‘eigenhandig opgetuigde ­­kleptocratie’. ‘Dat is als een hersentumor: je bent ten dode opgeschreven’

Het moet gezegd worden dat de staat Pakistan – waar de kleptocratie is doorgedrongen tot in de haarvaten van de maatschappij – al decennia bestaat. Maar in Afghanistan is het een stuk lastiger omdat de pogingen om een stabiele staat op te bouwen werden geleid door een bezettingsleger en de centrale overheid nauwelijks steun genoot van de bevolking.

Hoe zit het met de zogenaamde rapporten dat de Taliban waren verslagen en nooit meer zouden terugkeren? Een hoge ambtenaar bij de National Security Council zegt over de leugens die zijn collega’s hebben verspreid: ‘Zo legden zij het uit. Bijvoorbeeld, de aanvallen [van de Taliban] nemen in hevigheid toe? “Dat komt doordat er meer doelen zijn die ze kunnen bestoken, dus meer aanvallen is een valse indicatie van instabiliteit.” Toen drie maanden later de aanvallen nog steeds in hevigheid toenamen: “Dat komt doordat de Taliban wanhopig zijn, dus eigenlijk is het een indicatie dat we aan de winnende hand zijn” (…) En zo ging het maar door, om twee redenen: om alle betrokkenen goed voor de dag te laten komen en om de indruk te wekken dat de troepen (…) dusdanig effect sorteerden dat het nadelig voor het land zou zijn om ze weg te halen.’

Dit alles was een publiek geheim onder de staatshoofden en op de ministeries van Defensie in de Europese navo-landen. In oktober 2014 gaf de Engelse minister van Defensie toe dat er ‘fouten zijn gemaakt op militair vlak, dat politici destijds fouten hebben gemaakt en dat dit zo’n tien, dertien jaar terug gaat (…) We gaan geen gevechtstroepen meer naar Afghanistan sturen, in geen geval.’ Vier jaar later stuurde premier Theresa May toch weer Britse troepen naar Afghanistan, dubbel zo veel zelfs, om ‘te helpen de broze veiligheidssituatie het hoofd te bieden’. En nu uiten de Engelse media, in navolging van het ministerie van Buitenlandse Zaken, kritiek op Biden omdat hij de verkeerde stap zou hebben gezet op het verkeerde moment, en sir Nick Carter, het hoofd van de Britse strijdkrachten, heeft zelfs gesuggereerd dat een nieuwe invasie noodzakelijk kan zijn. Tory-Kamerleden, mensen die terugverlangen naar het koloniale tijdperk, slaafse journalisten en Blair-adepten dringen aan op een permanente Britse aanwezigheid in het door oorlog verscheurde land.

Het verbijsterende is dat generaal Carter noch zijn staf zich bewust lijkt van de omvang van de crisis waar de Amerikaanse oorlogsmachinerie zich mee geconfronteerd zag, zoals omschreven in The Afghanistan Papers. Terwijl bij Amerikaanse militair strategen langzaam de realiteit doordringt, klampen hun Britse pendanten zich nog altijd vast aan een fantasiebeeld van Afghanistan. Sommigen beweren dat de terugtrekking een gevaar betekent voor de Europese veiligheid omdat al-Qaeda zich zou kunnen hergroeperen binnen het nieuwe Islamitische Emiraat. Maar deze voorspellingen hebben iets huichelachtigs. De VS en het Verenigd Koninkrijk hebben al-Qaeda in Syrië vele jaren van wapens en hulp voorzien, zoals ze eerder in Bosnië en Libië hebben gedaan. Een dergelijke vorm van angst zaaien is alleen mogelijk in een moeras van onwetendheid. Bij het Britse publiek lijkt het in ieder geval niet te zijn aangeslagen.

Soms weet de geschiedenis een land pas te doordringen van prangende waarheden door op indringende wijze de feiten aan het licht te brengen of de elite te ontmaskeren. De huidige terugtrekking zou heel goed zo’n moment kunnen zijn. De Britten, toch al gekant tegen de war on terror, zouden gesterkt kunnen worden in hun verzet tegen toekomstige militaire veroveringen.

Wat zal de toekomst brengen? Amerika houdt vast aan het model dat is ontwikkeld voor Irak en Syrië en heeft de komst van een permanente speciale eenheid aangekondigd, van 2500 manschappen, gestationeerd op een basis in Koeweit, om van daaruit te bombarderen, moorden en verminken, mocht dat nodig blijken. Ondertussen heeft een hoge Taliban-delegatie onlangs, in juli, een bezoek gebracht aan China, en heeft daar beloofd dat hun land nooit meer gebruikt zal worden als springplank voor aanvallen op andere staten. Er zijn gemoedelijke gesprekken gevoerd met de Chinese minister van Buitenlandse Zaken, naar verluidt over handel en economische banden. Deze top riep herinneringen op aan vergelijkbare ontmoetingen in de jaren 1980, tussen Afghaanse moedjahedien en westerse leiders: de moedjahedien in hun Wahhabi-dracht en met de voorgeschreven baard, tegen de spectaculaire achtergrond van het Witte Huis of Downing Street 10.

Maar nu de navo zich terugtrekt zijn de belangrijkste spelers China, Rusland, Iran en Pakistan (dat ongetwijfeld strategische hulp heeft geleverd aan de Taliban, en voor wie dit een ongekende politiek-militaire overwinning is). Geen van deze partijen zit te wachten op een nieuwe burgeroorlog, in scherp contrast met de Verenigde Staten en hun bondgenoten na de terugtrekking van de sovjets. Dankzij de hechte betrekkingen met Teheran en Moskou is China, geholpen door een voortdurende Russische invloed in het noorden, wellicht in staat een broze vrede te bewerkstelligen voor de burgers van dit getraumatiseerde land.

Er wordt veel nadruk gelegd op de gemiddelde leeftijd in Afghanistan: achttien jaar, op een bevolking van veertig miljoen. Op zich zegt dat niets. Maar de hoop bestaat dat jonge Afghanen na het veertig jaar durende conflict zullen streven naar een beter leven. Voor de Afghaanse vrouwen is de strijd allesbehalve ten einde, zelfs al rest er nu nog maar één vijand.

In Engeland en elders geldt dat iedereen die de strijd wil voortzetten de aandacht moet verleggen naar de vluchtelingen die binnenkort op de deur van de navo zullen kloppen. Het Westen is hun op z’n minst een veilig heenkomen verschuldigd: een geringe genoegdoening voor een onnodige oorlog.


Deze tekst verscheen eerder in de New Left Review. Vertaling Nicolette Hoekmeijer