Een mondiale welzijnsstaat

De staat verliest het van de wereldmarkt, het gemeenschappelijk belang is overal van de politieke agenda verdwenen, links heeft het nakijken. Volgens de Leuvense econoom Riccardo Petrella is dat nog geen reden tot tobben. Links moet eens leren mondiaal te denken
‘ALS DIT EEN afspiegeling is van de geestesgesteldheid van links, dan hebben we nog een lange weg te gaan’, verzucht Ricardo Petrella (55) na de zoveelste moeizame workshop in het Amsterdamse Bungehuis. De Leuvense econoom en voorzitter

De conferentie maakt zijn hoopvolle afkorting ‘Elan’ kennelijk niet waar, althans niet in de ogen van de linkse christen Petrella. Hij heeft weinig op met de verzamelde ex-, post- en pseudo-marxisten die sinds 1989 druk doende zijn om de scherven van hun verbroken relatie met de Geschiedenis bijeen te rapen. Hoe kun je nu theoretiseren over een voortzetting van de traditionele klassenstrijd als de vakbonden leeglopen, de politieke partijen de weg kwijt zijn en de nationale staten in onbetekenendheid wegkwijnen? Alleen al de beperking van de conferentie tot Europees links spreekt Petrella niet aan; links moet mondiale strategieën ontwikkelen omdat alle maatschappelijke problemen tegenwoordig van mondiale aard zijn.
De bijbehorende lezingencyclus was inderdaad weinig opwekkend. Dieptepunt was de bijdrage van de Amerikaan Immanuel Wallerstein, marxistisch systeembouwer te Binghamton (VS) en de grand old man van de sociale geschiedschrijving van de afgelopen 25 jaar. Wallerstein voorspelde een vijftigjarig 'zwart tijdperk’ van ongebreideld kapitalisme in negentiende-eeuwse trant, waarin links geen alternatief kan bieden voor de neoliberale ideologie. Linkse bewegingen kunnen hoogstens voorkomen dat het vrije-marktbeginsel alle levensgebieden aantast. Zij moeten proberen op belangrijke terreinen de kapitalistische ruilverhouding te doorbreken, bijvoorbeeld door in de gezondheidszorg hetzelfde beginsel in te voeren als in het onderwijs: een eenmalig entreebedrag voor iedereen, gevolgd door een gelijke behandeling voor iedereen.
Daarnaast, aldus Wallerstein, doen we er goed aan om 'de kapitalisten’ te dwingen om consequent te zijn. 'Zet ze voor het blok. Dwing ze om alle markten te dereguleren, alle handelsbarrières op te heffen, alle bedrijfssubsidies stop te zetten en met iedereen te concurreren. Je zult zien dat ze hun eigen medicijn nooit slikken. De logica van het kapitalisme is immers in strijd met de vrije-markttheorie; kapitalisten willen geen vrije markt in de zin van Adam Smith. Ze willen een markt waarover ze zelf de baas zijn, het liefst willen ze allemaal een monopolie. Houd ze aan hun woord en hun hypocrisie komt vanzelf aan het licht.’
Wallersteins oproep deed strijdlustig aan, totdat iemand uit de zaal opmerkte dat zijn twee recepten tegenstrijdig zijn: hoe kun je de kapitalistische ruilverhouding op belangrijke terreinen tegengaan en er tegelijk op aandringen dat ze op elk terrein wordt toegepast?
Petrella heeft geen gebrek aan weldoordachte alternatieven voor het neoliberalisme. Bijna zijn hele carrière stond in het teken van de economische en politieke toekomstplanning, met als gevolg dat hij statistieken, trends en prioriteiten kan opsommen tot het je duizelt. De geboortige Italiaan was zeventien jaar directeur van het FAST-project van de EU, een werkgroep die de gevolgen van wetenschappelijke en technologische veranderingen voor de Europese economie analyseerde. In 1995 nam hij ontslag omdat met het heengaan van de Franse socialist Jacques Delors als Europese-Commissievoorzitter zijn laatste politieke houvast wegviel. Petrella: 'Ik kon niet meer functioneren binnen de communautaire instellingen, omdat ze alleen maar te werk gaan volgens de heilsleer van de vrije concurrentie. Het gemeenschappelijke Europese project is uit het zicht verdwenen.’
Daarnaast is Petrella medeoprichter en inspirator van de achttienkoppige Groep van Lissabon, die onder meer het rapport Grenzen aan de concurrentie (VUB-Press, 1994) uitbracht. Daarin wordt gepleit voor het sluiten van mondiale contracten die een einde moeten maken aan de ongeremde economische wedijver in de wereld en de daaruit voortkomende sociale ontwrichting en uitputting van de natuurlijke reserves. Het was een revolutionair werkstuk voor een college dat prominente vertegenwoordigers van de Gulbenkian Foundation, de OESO, de Rockefeller Foundation, de Smithsonian Institution en het Amerikaanse en Europese bedrijfsleven verenigde.
Vooral hun diepgravende kritiek op het mechanisme van de concurrentiedwang baarde opzien. Een van de conclusies had tien jaar geleden moeiteloos in elk sociaal-democratisch beginselprogramma gepast: 'Concurrentievermogen blijkt noch een efficiënt noch een effectief instrument te zijn voor de oplossing van gebrekkige stadsontwikkeling, werkloosheid en de verdeling van welvaart en maatschappelijke bescherming in de geavanceerde landen van de driehoek VS-Europa-Japan.’ Kennelijk beseft zelfs de fine fleur van het westerse bedrijfsleven dat de vrije markt geen uitkomst biedt, al is dat natuurlijk geen reden om de chaotische afloop dan maar te bespoedigen, zoals Wallerstein voorstelt.
Zelfs in de wandelgangen wil de beminnelijke Petrella zijn collega alleen indirect bekritiseren. Petrella: 'Er is geen gebrek aan goede wil, maar aan nieuwe, in de praktijk gewortelde theorie. De huidige crisis van links is een intellectuele crisis, een theoretisch tekort waardoor we alleen nog maar commentaar kunnen geven op het neoliberalisme, alleen nog maar glossen kunnen schrijven bij het evangelie van de vrije markt. Links heeft geen eigen filosofie meer, geen eigen symbolen, geen reproduceerbare verhalen die de mensen kunnen inspireren. De maatschappelijke agenda wordt door rechts bepaald.’
ER LIJKT inderdaad geen eind te komen aan de feestroes van de moderne darwinisten en de brutaliteit waarmee ze democratisch gekozen instellingen onderuithalen. Zoals Hans Tietmeyer, president van de Bundesbank, vorig jaar op het World Economic Forum zei: 'De overheid staat voortaan onder controle van de financiële markten.’ Wie nog inhoud wil geven aan emancipatoire idealen moet helemaal opnieuw beginnen en dezelfde vragen beantwoorden die Kant stelde toen hij de grenzen van de menselijke rede aftastte: wat kan ik weten, wat mag ik hopen en wat moet ik doen? Het feit dat de grote problemen van vandaag - vervuiling, armoede en werkloosheid - mondiale oorzaken hebben, wil niet zeggen dat er ook mondiale oplossingen voorhanden zijn of dat de wil bestaat die uit te voeren. Is de idee van wereldwijde solidariteit te hoog gegrepen voor de menselijke soort en moeten we onze verontwaardiging weer beperken tot wat er 'voor onze eigen deur’ gebeurt, zoals Hans Magnus Enzensberger het in een vlaag van voltairiaanse inkeer formuleerde?
Volgens Petrella heeft links de stap naar het mondiale niveau nog helemaal niet genomen. Petrella: 'Links zijn is naar mijn mening geen ideologie, maar een manier van kijken en een manier om recht te doen aan andermans verlangens en ambities in samenlevingsvormen die niemand uitsluiten. En het streven naar een rechtvaardige samenleving houdt toch - net als de mensheid - niet op bij de hoek van je eigen straat? Alle mensen willen uiteindelijk solidariteit, geborgenheid en respect, en de mondiale integratie is nu zover voortgeschreden dat die waarden alleen op wereldniveau te garanderen zijn.
Over het universele herstel van het gemeenschappelijk belang gaat mijn nieuwe boek, Le bien commun (Editions Labor, 1996). Natuurlijk verschillen de normen voor solidariteit, geborgenheid en respect per cultuur, maar dat wil niet zeggen dat ze niet universeel zijn. Waarom ze per se universeel zijn? Omdat elke samenleving bestaat bij de gratie van het gemeenschappelijk belang. Het gemeenschappelijk belang, gebaseerd op het bestaansrecht van de Ander, is de grondslag van alle beschaving. Wat dat aangaat, zijn de grote steden met hun sociaal en etnisch gemengde samenstelling de laboratoria van de toekomst. Daar worden met pijn en moeite de grenzen tussen bevolkingsgroepen en culturen doorbroken, daar wordt ruimte geschapen voor een wederzijdse erkenning die universeel zou moeten worden. Zonder de Ander is er geen Ik, zonder erkenning van en samenwerking met anderen is er geen samenleving mogelijk.
Maar het gemeenschappelijk belang is van de politieke agenda verdwenen. Ervoor in de plaats stelt het neoliberalisme de cultuur van de verovering - het “ieder voor zich” - en van de instrumentaliteit. Met instrumentaliteit bedoel ik dat de mens wordt teruggebracht tot een human resource voor de overheid en het management, tot een besteedbare en inwisselbare economische reserve. We moeten het besef van het gemeenschappelijk belang mondiaal in ere herstellen in de vorm van een mondiale welzijnsstaat. Het voorbeeld daarvoor is de westerse welvaartsstaat van de jaren zestig en zeventig, die ondanks zijn gebreken voor mij het dichtst de “goede samenleving” benadert, en dan op wereldschaal. Het lijdt geen enkele twijfel dat de daarvoor vereiste rijkdom in de wereld voorhanden is.’
MAAR DAN DOET zich het probleem van de staat voor. De staat is vanouds het vehikel voor het gemeenschappelijk belang, maar te midden van het mondiale concurrentiegeweld is de staat steeds machtelozer. Petrella: 'Het geloof in de staat is ons uit handen geslagen, en daarmee het ideaal van de volkssoevereiniteit. Links is in de jaren zeventig en tachtig met open ogen in een rechtse val getrapt door de staat de schuld te geven van alles wat er misging: werkloosheid, inflatie, bureaucratie, criminaliteit, noem maar op. Links is ten onrechte de staat gaan haten. Natuurlijk moet je onderscheid maken: niemand heeft behoefte aan de excessen van een bureaucratische, hardvochtige of corrupte staat. Maar als uitdrukking van de soevereine wil van het volk heeft de democratische staat onschatbare diensten bewezen.
Tegelijk moeten we erkennen dat de dominante rol van de staat momenteel is uitgespeeld. Hij wordt aan alle kanten gepasseerd door transnationale ontwikkelingen die niet meer zijn terug te draaien. Het beginpunt was eigenlijk 1945, de uitvinding van de atoombom; sindsdien kan geen enkele staat de veiligheid van zijn burgers meer garanderen. Tegenwoordig leveren de staten hun laatste beetje sociale en economische soevereiniteit in op de wereldmarkt. In die zin is het heil niet meer van de staat te verwachten, maar dat wil niet zeggen dat we voortaan alleen respect en geborgenheid kunnen verwachten van onszelf, of van etnische of godsdienstige groepen. De nationale solidariteit moet plaatsmaken voor mondiale solidariteit, de res publica moet op mondiaal niveau gestalte krijgen. Zolang links die stap niet heeft genomen, heeft het principe van de volkssoevereiniteit geen inhoud meer en vervalt de grondslag van de beschaving.’
Wat overblijft is de darwinistische vechtmaatschappij. Daarom slaat allerwegen de scepsis toe, het ongeloof in het gemeenschappelijk belang, schrijft Petrella in Le bien commun: 'We kunnen ons niet meer voorstellen dat anderen ons kunnen beschouwen en behandelen met respect, vrijgevigheid, vriendschap, een geest van samenwerking, de wil om samen te leven en te werken. Men heeft het vertrouwen in de sociale en politieke instellingen verloren. De scepsis tegenover de parlementaire instellingen, de rechtspraak, het bestuur en de politieke leiders lijkt een universele houding te zijn geworden, een spel waaraan iedereen zich overgeeft en waarin iedereen tot in de uithoeken van de wereld behagen schept.’
De weg naar herstel loopt volgens Petrella via de grote steden, die zich in veel gevallen hebben ontwikkeld tot volwaardige regio’s. Van daaruit moeten de eerste initiatieven worden genomen tot convenanten met andere steden, hogere en lagere overheden en instanties in binnen- en buitenland, om gezamenlijk te komen tot de invulling van een nieuw burgerschap. Petrella: 'De helft van de wereldbevolking leeft al in steden, over vijf jaar zal dat meer dan zestig procent zijn. Nu de staten steeds minder relevant worden, kunnen de steden eigen mondiale initiatieven ontplooien die het beleid van het IMF, de Wereldbank en al die andere bewakers van de vrije markt doorkruisen. Zo ontstaan netwerken van groepen wereldburgers die de vier contracten van de Groep van Lissabon kunnen gaan uitvoeren. De hoogste prioriteit heeft het watercontract, waardoor de watertoevoer voor twee miljard wereldburgers moet worden gegarandeerd. Waarom zouden we miljarden dollars besteden aan een digitale snelweg als we het ook kunnen besteden aan onmisbaar drinkwater voor twee miljard mensen?’
De convenanten en contracten moeten tenslotte uitmonden in een sociaal wereldparlement, door de Groep van Lissabon de Citizens Global Assembly gedoopt. Maar waar moeten de energie en de mankracht voor zulke ambitieuze initiatieven vandaan komen?
Petrella: 'Ten eerste verwacht ik veel van de civil society: de nieuwe basisbewegingen, de ngo’s, de one-issue-groeperingen die overal als paddestoelen uit de grond rijzen. Ze beschikken vaak over uitstekende communicatiemiddelen en hoogopgeleid kader, zodat ze plaatselijke ontwikkelingen kunnen verbinden met mondiale trends en daar adequaat op reageren, zonder het mondiale systeem als dwang te ondergaan. Ik noem dat “glokalisering”. Het beste voorbeeld op dit moment is de Braziliaanse stad Curitiba, een gemeente met 1,4 miljoen inwoners waar dank zij een strategie van glokalisering het geweld niet de straat beheerst, waar goed openbaar vervoer is, een duurzaam milieubeleid, slim gebruik van nieuwe technologieën en een goed functionerende plaatselijke democratie. Vergelijk dat eens met uit hun voegen barstende getto’s als Recife en Saoÿ Paolo.
Andere tegenkrachten zijn de vakbonden, de verlichte elites in alle landen en niet te vergeten de sociaal-democratische partijen, die nog altijd vatbaar zijn voor radicalisering. Ook de kerken spelen de laatste jaren een verrassend positieve rol, vooral de basisbewegingen. De Church of England heeft afgelopen november zelfs een rapport uitgebracht met de titel The Common Good, waarin wordt geschreven dat het huidige neoliberale Britse bewind, ik citeer “de menselijke waardigheid vernietigt”. Dat zegt de Church of England!’
MAAR ZIJN PETRELLA’S tot in detail uitgewerkte ideeën over mondiale contracten, een wereldparlement en een duurzame economische ontwikkeling niet volstrekt utopisch? Hij schaterlacht: 'Maar natuurlijk!’ Hij pakt een vel papier en begint verwoed te schrijven. 'Laten we eens op een rijtje zetten wat honderd jaar geleden allemaal onhaalbaar werd geacht. Telt u even mee: het algemeen kiesrecht, de achturige werkdag, het stakingsrecht, de algemene ziektekostenverzekering, het pensioen, de oudedagsvoorziening, gratis algemeen onderwijs, afschaffing van de kinderarbeid en het recht van vrouwen op betaalde arbeid. Er zijn er vast een paar die ik vergeet, maar de lijst is zo al indrukwekkend genoeg. Allemaal zogenaamd utopische eisen, die door het merendeel van de bezittende burgerij werden weggehoond. Maar ze zijn allemaal werkelijkheid geworden in de naoorlogse westerse welvaartsmaatschappij dank zij de strijdvaardigheid, de opofferingen en het rechtsgevoel van honderden miljoenen mensen. Moeten we ons nu opeens laten wijsmaken dat we niet meer in de mens of in utopieën kunnen geloven?’