Du Perrons ‘Land van herkomst’ nog steeds actueel

Een monument voor allochtonen

Net als zijn literaire bloedbroeder Menno ter Braak staat E. du Perron de laatste tijd steeds meer in een kwade reuk. Zijn meesterwerk «Het land van herkomst» wordt nauwelijks meer gelezen. Ten onrechte.

Het land van herkomst, de magistrale autobiografische roman van E. du Perron uit 1935, vormt het thema van de boekenweek 2001. Het is een alleszins gerechtvaardigde keuze. «Migranten-literatuur» staat dezer dagen volop in de schijnwerpers en is zonder meer de meest dynamische tak van het hedendaagse boekenbedrijf in Nederland. Er loopt alhier inmiddels geen Marokkaanse bordenwasser meer rond die geen contract van uitgeverij Vassallucci in de zak heeft.

Allochtonen zijn hot in boekenland. En dat in de bange tijden dat de gehele autoch to ne intellectuele voorhoede in de ban lijkt van de verschrikkingen van de multiculturele samenleving. Want hoe etnofiel het uitgeverswezen inmiddels ook is geworden, de tegenkrachten zijn er niet minder mals om. Paul Scheffer verkondigde «het failliet van de multiculturele samenle ving», Bas Heijne liet in zijn column in NRC Handelsblad reeds een variant op de strijdkreet «I’m Dutch and I’m proud» horen, en Trouw-chef Jaffe Vink toonde in zijn onlangs verschenen strijdschrift Brief aan mijn dochter al hele maal een schril staaltje allochtonenvrees.

Enerzijds wordt het Nederlandse intellectuele (en dus ook het literaire) klimaat allengs nationalistischer en derhalve xenofober van aard, tegelijkertijd (misschien zelfs wel daarom) wordt gretiger dan ooit geluisterd naar de stem van de buitenstaander. Dat gaat niet altijd even gewillig. Zo trok een schok door literair Nederland toen bekend werd dat het boekenweekgeschenk 2001 — gewijd aan «Het land van herkomst» — zou worden uitbesteed aan een buitenlandse schrijver: Salman Rushdie. De eerste reactie was er in het algemeen een van verontwaardiging: wat was er mis met onze eigen allochtonen? Waren die niet mans genoeg om de cultuurkloof te overzien?

Misschien had dit alles kunnen worden voorkomen door als boekenweekgeschenk gewoon het oermodel van de allochtone literatuur in Nederland aan te bieden: Het land van herkomst van E. du Perron zelf. Dit meesterwerk wordt namelijk nauwelijks meer gelezen, geannexeerd als het is door de verliteratuurde literatuurwetenschap, die het zodanig kapot heeft geanalyseerd dat geen letterlievende jongeling anno 2001 ook maar zou overwegen het kloeke boek ter hand te nemen. Het land van herkomst wordt eigenlijk alleen nog maar besproken in de literaire vakbladen, maar geldt helaas niet meer als een roman die men gewoon ter lering en vermaak kan lezen. En dat terwijl het — alle pogingen van W.F. Hermans om het als een volstrekt mislukt boek te kenschetsen ten spijt — zeker in het huidige tijdsgewricht bij herlezing van een overrompelende actualiteit getuigt.

E. du Perron (1899-1940) was overal een vreemdeling. Meer ontworteld dan hij kan een mens eigenlijk niet zijn. Zoals zijn biograaf Dirk van der Meulen schrijft: «Du Perron was overal een vreemdeling. In zijn geboorteland Nederlands-Indië voelde hij zich Hollander en vijand van de Hollanders. In Europa bleef hij als ‹Indiese jongen› ontheemd. Hij was altijd op reis of bezig te verhuizen. Thuis was hij alleen in de literatuur en in zijn schrijverschap.»

Het land van herkomst was het monument van die permanente ontworteling. Geschreven in Parijs tussen 1933 en 1935 is deze autobiografische roman een monument voor de allochtoon, die tussen de wal van zijn nieuwe vaderland en het schip van zijn afkomst te pletter slaat. Het boek is ook een monument voor Du Perrons literaire generatie. De beroemdste exponenten van die generatie van het interbellum, van Ter Braak tot Slauerhoff, kregen allen onder pseudoniem een rolletje toebedeeld in dit waarlijk experimentele meesterwerk — een zeldzame combinatie van egodocument en verdichting. Het land van herkomst is bovendien een afrekening met Du Perrons koloniale milieu in Nederlands-Indië, als ook de neerslag van de opkomst van het fascisme in het Europa van begin jaren dertig.

Het land van herkomst is kortom een bezeten roman, grenzeloos ambitieus, een roman die van alles tegelijk wil zijn, geschreven door een auteur die zich op de hielen gezeten weet door de naderende Apocalyps.

Het land van herkomst zou een megaseller moeten zijn. Maar dat is het nooit geweest, en zal het waarschijnlijk ook nooit meer worden. Nu zelfs Frits Bolkestein op het graf van Menno ter Braak staat te dansen (zie daartoe zijn epistel Afscheid van Ter Braak in Hollands Maandblad), kan het nooit lang meer duren voordat ook E. du Perron zal worden «aangepakt» en definitief in het vergeetboek bijgeschreven. Ter Braak en Du Perron zijn nu eenmaal de Siamese tweeling van de Nederlandse letterkunde. Zowel bij leven als in de dood waren ze met elkaar verbonden. Samen stonden ze aan de wieg van Forum (1932-1936), het legendarische tijdschrift dat zich als missie had gesteld de ramen van het provinciale Holland wijd open te zetten voor Europa. Samen richtten zij het Comité van Waakzaamheid op, de organisatie die al direct na de machtsovername van de bruine horden in Duitsland — toen Adolf Hitler nog gold als een «bevriend staatshoofd» met wie zaken viel te doen — waarschuwde voor de apocalyptische gevolgen van het niet bijtijds onderkennen van de gevaren van het oprukkende fascisme.

Hun vriendschap kreeg gestalte door een massieve correspondentie, die, uitgegeven in vier kloeke delen dundruk, nog altijd een beklemmend uitzicht biedt op de almaar dreigender wordende paletten van de jaren dertig. Ter Braak en Du Perron stierven zelfs op dezelfde dag, 14 mei 1940, op bijna hetzelfde uur: Ter Braak pleegde zelfmoord in zijn woning in Den Haag, met een dosis veronal, die hij van zijn broer, een huisarts, had gekregen. Du Perron bezweek aan een hartaanval in Bergen, enige dagen nadat hij vanwege een bombardement had moeten verhuizen. «Jij en ik zijn te goed om te eindigen onder de hakken van onverschillig welk sociaal beest met laarzen», zo had Du Perron vijf jaar eerder in Het land van herkomst geschreven. Door hun vroege dood (Du Perron werd niet ouder dan veertig, Ter Braak was 38 toen hij stierf) werd dat lot hen in ieder geval onthouden.

Over wat er met Ter Braak en Du Perron zou zijn gebeurd als ze niet in 1940 zouden zijn gestorven, hoeft men zich geen illusies te maken. Zonder twijfel zouden ze als «politiek delinquent» onverwijld naar een kamp zijn afgevoerd. Als antifascisten van het eerste uur, en dan nog eens partijloze antifascisten, zouden ze in het eenmaal onder het gezag van het hakenkruis gestelde Nederland in direct levensgevaar verkeren. Het is in elk geval onmogelijk zich hen in bezettingstijd voor te stellen, vrolijk doortimmerend aan hun oeuvre met een lidmaatschapskaart van de Kultuurkamer op zak, zoals enkele van hun Forum-genoten wel deden. Zelf maakten ze zich in elk geval geen enkele illusie over hetgeen hun te wachten stond. Het slot van Het land van herkomst, dat bestaat uit een brief van Du Perron aan Ter Braak (in de roman «Wijdenes» geheten), gaat al zwanger van de gedachte aan een noodlottig einde. «Het is een zo treurige wetenschap dat het sterkste karakter in een concentratiekamp gefnuikt kan worden», schreef Du Perron (in 1934!), om even later met snijdende galgenhumor met enig profetisch gehalte op te merken dat «gegast of afgebrand worden niet zo’n groot verschil maakt met een einde door leukemie of angina pectoris».

In latere jaren wordt zowel Ter Braak als Du Perron zelfs dit martelaarschap ontzegd. W.F. Hermans begon ermee in zijn literaire vadermoord in Mandarijnen op zwavelzuur, waarin de postume herinnering aan de literaire grootheden Du Perron en Ter Braak diende te worden geëlimineerd om ruim baan te maken voor het enige werkelijke genie in de moderne Nederlandse letteren, W.F. Hermans zelf. Hermans maakte een heel num mer van Ter Braaks zelfmoord, waarbij als rode draad het gegeven diende (ik vat het wat plomp samen) dat Ter Braak helemaal niet boven aan een door de NSB opgestelde lijst van onmiddellijk te arresteren vijanden van het Derde Rijk zou staan en alleen maar zelf moord pleegde omdat hij een angsthaas was.

In zijn herhalingsoefening op Hermans’ aanval komt Frits Bolkestein in Hollands Maandblad met een aan wanstaltigheid grenzend triomfalisme op de proppen met het gegeven dat ook Ter Braaks vader en groot vader door zelfmoord om het leven kwamen. Kennelijk beoogt Bolkestein de politieke angel uit Ter Braaks suïcide weg te nemen door er gewoon een pathologisch gevalletje van levensangst van te maken. Laat er inderdaad een traditie van zelfmoord in Ter Braaks familie zijn geweest — dat neemt nog niet weg dat zijn allerfataalste voorgevoelens over het lot van Nederland en zijn persoonlijke toekomst na de capitulatie (een dag na zijn dood ondertekend) zeer authentiek waren, lijst of geen lijst.

Tussen datgene wat er later aan documenten is gevonden en datgene wat Ter Braak in zijn laatste dagen tijdens het krijgsbedrijf moet hebben gehoord, kan ook enige discrepantie bestaan, die echter nog niet de stelling rechtvaardigt dat Ter Braak «dus» leed aan paranoia, een ingebeeld slachtofferschap, en dat hij ook zonder de Duitse buitenlandpolitiek van 1940 het bijltje erbij neer zou hebben gegooid. Wie dat durft te beweren, heeft óf geen letter willen lezen van de toch omvangrijke collectie aan antifascistische geschriften die Ter Braak als journalist en als letterkundige naliet, óf pleegt willens en wetens karaktermoord. In het geval van Bolkestein lijkt dat laatste het geval. Zelfs al zou Ter Braak strikt formeel gesproken ten onrechte hebben gedacht dat met de Duitse inval in Nederland ook zijn eigen laatste uur had geslagen, dat neemt nog niet weg dat zijn notie van het nabije gevaar geheel gerechtvaardigd was. Als lid van het Comité van Waakzaamheid in Nederland, in 1936 opgericht, kenden Ter Braak en Du Perron maar al te goed de verhalen van de al vol in bedrijf zijnde Duitse concentratiekampen, waar «decadente intellectuelen» als zijzelf in werden opgeborgen. Ter Braaks zelfmoord kan niet anders worden gezien dan als een reactie op dat toekomstbeeld.

Een ander argument dat de Ter Braak- en Du Perron-vreters hanteren in hun pogingen het tweetal hun literaire grootheid te ontnemen, is hun «structurele antisemitisme». Door in hun correspondentie denigrerende uitdrukkingen als «spekjood» met rood potlood te onderstrepen, moet duidelijk worden gemaakt dat de twee schrijvers in anti-joodse gestemdheid nauwelijks zouden verschillen van de door hen zo verafschuwde NSB of het Zwart Front. Van H.A. Gomperts, Ter Braak en Du Perron-kenner van het eerste uur, verscheen vorig jaar postuum het geschrift Een kern van waarheid, waarin zou worden bewezen dat Ter Braak «even anti-nationaal-socialistisch als antisemitisch» zou zijn. Dit betoog wordt geadstrueerd met allerlei citaten uit het werk van Ter Braak en uit diens correspondentie met Du Perron. Inderdaad zijn er bij Ter Braak nogal wat ongelukkige citaten te vinden. Zo schreef hij in juni 1936 in zijn krant Het Vaderland: «In zoverre schuilt er in het vulgaire ongelijk der antisemieten (zoals in alle vulgaire misverstanden) een kern van waarheid, maar omdat die waarheid door de ‹Unfug›, die er mee bedreven wordt, absoluut onherkenbaar is geworden, zal ik mij er voor hoeden mij op de antisemieten te beroepen.» Met dat soort cryptische boodschappen, zwaar geënt op het werk van Nietzsche, waarmee Ter Braak zijn hele schrijvende leven worstelde, zou men Ter Braak inderdaad kunnen indelen in de categorie fellow travellers van het antisemitisme. Maar dan gaat men erg selectief te werk, en negeert voor het gemak dat Ter Braak ondertussen in zijn werk keer op keer aandacht vroeg voor het verschrikkelijke lot van de Duitse bevolking onder Hitler. Het van enige «political correctness» gespeende aplomb waarmee in de jaren dertig langs raciale lijnen placht te worden geredeneerd, zonder meteen de grondbeginselen van de NSDAP te omhelzen, ging ook aan Ter Braak en Du Perron niet ongemerkt voorbij. Maar of ze daarmee ook direct antisemiet kunnen worden genoemd, zoals Gomperts doet… Beoordeeld op hun daden, op hun solidariteit met de verdrukte Duitse joden bijvoorbeeld, waren ze dat in elk geval uitdrukkelijk niet. Du Perron bracht die paradox zelf al onder woorden toen hij in zijn boek Blocnote klein formaat uit 1936 een personage opvoerde dat zich te buiten gaat aan een lange antisemitische tirade met als slotzin de uitroep: «En voor degenen die joodse vrienden en vrouwen hebben, wil ik hier opmerken dat ik persoonlijk nog nooit een behoorlijke Jood ontmoet heb en dat mijn joodse vrouw mij bedrogen heeft.»

«Dus bent u wel anti-semiet», wordt dan gevraagd. «Dus ben ik geen anti-semiet!» klinkt het antwoord verwoed.

Door selectief te citeren kan iedere schrijver de grond in worden geboord. Vanwege hun voortijdige einde kennen we Du Perron en Ter Braak alleen als jonge schrijvers. En jonge schrijvers plegen zich nu eenmaal met enige regelmaat te vergalopperen. Daarmee onderscheiden Du Perron en Ter Braak zich op geen enkele wijze van bijvoorbeeld Hermans of Mulisch, die ieder in het vuur van de jeugd heel wat onbezonnen theorieën op de wereld hebben losgelaten. Aangezien zij echter uitgroeiden tot een soort martelaars van 1940, de literaire pilaarheiligen van het Verzet, pakt elke paradoxale uitspraak uit hun mond direct uit als een enorme smet op het blazoen. Ziedaar de methode waarvan Gom perts zich bedient in Een kern van waarheid. Maar de bottom line zou toch moeten zijn dat zo’n eenzijdige belichting van het werk van twee zulke grote schrijvers (qua ambitie en engagement met hoge politieke en literaire waarden nooit overtroffen) feitelijk neerkomt op karaktermoord. Zo zou men van Du Perron ook heel makkelijk een racistische koloniaal kunnen maken als men maar handig genoeg uit zijn werk citeert. Wat bijvoorbeeld te denken van het citaat: «Ik wil tot het uiterste antifascist zijn — in Holland tenminste, in Europa, want in de koloniën, merk ik, wordt het probleem nog heel anders, als je daar wilt leven is de primaire waarheid dat je een blanke bent omringd door bruinen!» Frits Bolke stein zou er wel raad mee weten: ziedaar, het bewijs is geleverd: Du Perron was racist, in ieder geval in Indonesië, zijn land van herkomst!

In werkelijkheid was Du Perron dat nu juist uitdrukkelijk niet, zeker niet in Indonesië, het land dat hij als kind samen met zijn ouders had verlaten en waar hij in 1936, vlak na publicatie van Het land van herkomst, naar terugkeerde, een hernieuwde kennismaking die drie jaar zou duren. Hoewel voortgekomen uit een typisch koloniaal milieu onderscheidde Du Perron zich in Indonesië juist door zijn grote sympathie met de Indonesiërs die onafhankelijkheid van Nederland wens ten. Na zijn komst in 1936 maakte hij al snel kennis met E.F.E. Douwes Dekker, achterneef van Multatuli, die met zijn boek Siman den Javaan uit 1908 een vlammende aanklacht had geschreven tegen het koloniale stelsel en die door de Nederlandse autoriteiten dan ook werd beschouwd als een poten tiële staatsvijand (zodat hij in 1940 samen met NSB-leden zou worden afgevoerd naar een gevangenis voor politieke delinquenten in Suriname). Via Douwes Dekker leerde Du Perron onder meer Soekarno kennen, de latere vader van de Indonesische onafhankelijkheid. Op Java zou Du Perron fel polemiseren met H.C. Zentgraaff, de gezaghebbende hoofdredacteur van de krant de Java Bode, die grote literaire successen had behaald met zijn herinneringen aan zijn deelname aan de slachtpartijen van de oorlogen in Atjeh.

Via Zentgraaff hekelde Du Perron de grote pro-NSB-gezindheid van de koloniale samenleving, waar men Anton Mussert inderdaad op handen had gedragen toen hij daar campagne voerde. Zentgraaff, op zijn beurt, pleitte na de aanvallen van Du Perron op zijn persoon voor «een radicale schoonmaak onder de pathologische figuren en exhibitionisten van dat slag». De Atjeh-veteraan greep in zijn tegenaanvallen op Du Perron veelvuldig naar Het land van herkomst, dat niet alleen «pornografisch» zou zijn, maar ook nog eens het verraderlijke karakter van de auteur zou aantonen in de passages waarin hij het privé-leven van zijn ouders beschreef.

Zo was Du Perron al snel de risee van Nederlands-Indië, het land van zijn jeugd, waaraan hij in Het land van herkomst prachtige hoofdstukken had gewijd. «Ik sta bij mijn hele familie hier te boek als een rooie, sinds ik hun met enige heftigheid verteld heb dat ik er niet aan dacht om voor het huwelijk van Juliana met dien duitsen gigolo te vlaggen», zo schreef Du Perron in januari 1937 aan zijn vriend Jan Greshoff (er voor het gemak even aan voorbijgaand dat kroonprinses Juliana als een van de weinige Nederlanders mooi wel een abonnement op Forum had).

Zijn «land van herkomst» bleek bij hernieuwde kennismaking toch vooral afschuw op te roepen. Op 12 september 1939 verliet het gezin Du Perron Indonesië, en ging terug naar Nederland, waar de reeds op Java door een hartaanval verzwakte Du Perron zou beginnen aan de laatste maanden van zijn leven. «Du Perron was, kun je wel zeggen, zo ziek dat hij nog maar een schok nodig had om dood te gaan en die schok was toevallig de oorlog», schreef H. van Galen Last, de literator die als geen ander weerwerk heeft geboden tegen de giftige aanvallen van W.F. Hermans op Du Perron en Ter Braak. Waarvan akte, al zou ik persoonlijk het woordje «toevallig» hebben weggelaten.