Een mooie bijdrage aan de economie

‘Dat je maar een mooie bijdrage mag leveren aan de economie.’ Met deze plechtig gesproken woorden placht mijn vader nieuwgeborenen in onze familie te verwelkomen. Zijn woorden schoten me te binnen toen ik maandagochtend de volzin las die het D66-Kamerlid Bakker ten beste gaf over de wenselijkheid van het verlagen van het minimumloon: ‘Het gaat om mensen die niet de kwaliteit hebben om zelfs maar het minimumloon betaalbaar te maken voor de werkgever.’

De Centrale Economische Commissie, die het voorstel deed om in bepaalde gevallen gedurende vier tot zes jaar zeventig procent van het minimumloon te betalen, had die bepaalde gevallen ook benoemd: schoolverlaters zonder diploma; autochtonen en allochtonen die langer dan een jaar werkloos zijn. Nu zou ik een betoog kunnen houden dat ons minimumloon inmiddels tot de lagere van de Oeso-landen behoort, of dat verlaging van het minimumloon nauwelijks extra banen oplevert. Allemaal waar, maar het gaat hier om iets anders. Bakker had het over de ‘kwaliteit’ van mensen. Waarschijnlijk bedoelde hij produktiviteit. Maar dat zei hij niet, hij zei 'kwaliteit’. Door die twee gelijk te schakelen, meet hij de kwaliteit van mensen af aan hun vermogen om 'een mooie bijdrage te leveren aan de economie’. Werkloosheid is dan het gevolg van een gebrek aan kwaliteit. En ons probleem is dat we veel mensen hebben die zelfs een minimale kwaliteit missen.
Natuurlijk zou Bakker zich kunnen beroepen op een verspreking, ware het niet dat die verspreking zo treffend de kern van het werkgelegenheidsbeleid weergeeft. Nu in ongeveer iedere sector van de vaderlandse bedrijvigheid, inclusief de dienstensector, het aantal gewerkte uren terugloopt (niet het aantal werknemers - dit als gevolg van het deeltijdeffect) en het steeds duidelijker wordt dat we, hoe hard ook het tegendeel wordt beweerd, met een structureel steeds hoger wordende werkloosheid kampen, worden de pogingen de arbeidsmarkt verder op te rekken steeds grotesker. Banenplannen als die van Melkert zullen er uiteindeljk slechts toe leiden dat we op iedere straathoek een stads-, dorps- of pleinwacht hebben. En dank zij de dienstencheques van meneer Rinnooy Kan is straks ook het verven van het tuinhek een mooie bijdrage aan de economie. Een flink deel van dit 'werk’ bestaat helemaal niet. Mensen wordt een tot 'baan’ verbouwde bezigheid geboden tegen een tot 'salaris’ verbouwde uitkering. Anderen worden op die manier gedwongen tot het leveren van persoonlijke diensten, waarvoor het etiket 'baan’ al even overtrokken is. Het gaat daarbij niet om de vraag of er behoefte is aan dit soort diensten, maar om de vraag of men die zou moeten verrichten omdat men niet op een andere wijze in zijn onderhoud kan voorzien.
De sociale zekerheid beschermde ons tegen twee dingen: tegen de armoede als gevolg van werkloosheid en tegen de noodzaak om werk te accepteren dat die naam niet verdient. Omdat het de waardigheid van mensen aantast in plaats van ondersteunt. Dat is het probleem met dat soort werk, met een parafrase op Bakker: het heeft niet de kwaliteit om zelfs maar het minimum aan waardigheid op te leveren voor de werknemer.