Een mooie jongen voor foucault

Patricia Duncker, De Foucault hallucinatie. Vertaald door Auke Leistra, uitgeverij De Prom, 179 blz., f24,90
GEK GENOEG begint hij steeds meer op te vallen op die overbekende filmbeelden van Parijs 1968, met zijn brede grijns, gretige blik en glimmende schedel. Alsof Foucault als een Zelig in de massa is opgedoken. Nog even en hij heeft de megafoon voor zijn mond in plaats van die kleine schele man naast hem die toch al een steeds grijziger vlek begon te worden. Het is niet eens een demystificatie die de persoon van Sartre heeft getroffen, het is een ordinaire devaluatie. Er was nog even een opleving toen Annie Cohen-Solal een biografie over hem schreef, maar wanneer was dat ook al weer…?

Michel Foucault is vitaler dan ooit en weet nu nog dames tot grootse gebaren te bewegen. Zo heeft de Engelse universitair docente Patricia Duncker niet een biografie over hem geschreven, en ook geen opera, maar een roman voor hem. Zij heeft Foucault met dit boek, Hallucinating Foucault (vertaald als De Foucault hallucinatie), iets cadeau willen doen. Bestaat er een betere reden om te schrijven? Het is daarom des te teleurstellender dat Dunckers roman zo in de goede bedoelingen is blijven ste ken. Niet iedereen die een writers novel schrijft, hoeft de meeslepende vertelkracht van Byatts Possession te evenaren, maar om in dit genre te slagen, moeten eruditie en vertelkunst wel iets met elkaar krijgen. Something steady, liefst.
EEN tweeentwintigjarige Engelse student zit iedere dag in de bibliotheek te werken aan zijn dissertatie over het werk van de Franse schrijver Paul Michel. Hij wordt verliefd op de germaniste die in de Zaal Zeldzame Boeken schrijft aan haar dissertatie over Schiller. Zij vindt het een schande dat hij zich nooit heeft afgevraagd hoe het eigenlijk in real life met Paul Michel is gesteld. Want: ‘Als je van iemand houdt, dan weet je waar ze zijn, wat er met ze gebeurd is. En je doet er alles voor om ze te redden.’ Min of meer om haar tevreden te stellen reist de jongeling af naar Frankrijk om Paul Michel op te zoeken. En hij redt hem ook nog, voorzover een getourmenteerd kunstenaar als Paul Michel ooit te redden is.
Het verleidelijke aan Dunckers roman is dat teksten er zo'n magische rol in spelen. Het is een boek voor lezers. De korte cryptische boodschappen die de germaniste voor haar minnaar achterlaat op de keukentafel, de fragmenten uit het werk van Paul Michel, het interview met hem in een homoblad, de brieven van Michel aan Foucault… Niet alleen bewerkstelligen die verschillende teksten een authentiek effect dat de spanning van de speurtocht naar Paul Michel zeker verhoogt, ook geven ze een aardige illustratie van de centrale gedachte van het boek. Die luidt dat elke schrijver een lezer heeft voor wie hij schrijft. En als die lezer doodgaat, verliest het schrijven iedere zin. Voor sommige schrijvers zozeer dat ze gek worden en ook dood willen.
Toch slaagt Duncker er niet in om deze gedachte echt navoelbaar te maken. Dat heeft zowel met haar schrijfstijl als met haar personages te maken. Het hele boek blijft de toon van de schrijfster twijfelen tussen iets laconiek- lolligs en iets heel zwaars. Als de student in contact wil komen met de germaniste, vraagt hij haar een vuurtje. 'Ik weet dat dat een versiertruc is die de Neanderthalers al gebruikt moeten hebben, maar vrouwen die dissertaties schrijven hebben meestal niet door dat je ze probeert te versieren.’
De grappenmaker schrompelt vervolgens snel ineen bij de colleges die hij van deze strenge vrouw over zich heen krijgt. De passages waarin zij hem onderwijst over wat het verlies van de lezer voor een schrijver als Paul Michel betekent, blijven echter steken op een ingewikkeld dictaatniveau. Het zijn woorden, enkel maar woorden.
DUNCKERS personages krijgen evenmin ergens vlees aan de botten en bloed door de aderen. De Engelse student, stelselmatig door iedereen aangesproken met 'mon petit’, blijft tot het eind toe een soort schlemiel van wie het voortdurend de vraag is: 'Zal hij het allemaal wel snappen?’ Zijn hartstochtelijke germaniste, die vooral woest en meeslepend wil lezen, is een erg schimmige figuur en op een onprettige manier raar. Wat nog hoopvol leek te beginnen als een romance tussen twee gepassioneerde wetenschappers, komt niet veel verder dan een treurig soort seks voor academici. 'Ze had ook vast omlijnde ideeen over wat er tussen ons in bed moest gebeuren. Voor mij was dat fantastisch want ik had niet bijster veel te doen.’
Achteraf gezien is de hele verhouding tussen die twee slechts een omslachtige constructie om iemand, de jongen in dit geval, voor een boodschap het bos in te sturen: zoek Paul Michel! Ondertussen schrijft de germaniste Schiller liefdesbrieven met tranen en tuiten. Want: 'Als je niet verliefd bent op het onderwerp van je proefschrift, wordt het allemaal gortdroog.’
Degene over wie het eigenlijk gaat in Hallucinating Foucault is natuurlijk Foucault zelf. De schrijfster heeft in een interview verteld dat, was zij een jongeman geweest, zij zeker werk van hem zou hebben gemaakt. Gortdroog is haar boek over hem dan ook niet geworden, maar verliefd? Opwindend dan misschien, roerend, aanstekelijk? De gedachte om voor Foucault een figuur in het leven te roepen die zijn echte naam draagt, zijn obsessies deelt, het uiterlijk heeft dat hij graag gehad had willen hebben, en dan ook nog eens hem als zijn muze koestert, is zonder meer prachtig. Daar zit het hem dan ook niet in. 'Ik doorzoek de spiralen van al mijn zinnen op u. Ik gooi hele pagina’s manuscript weg omdat ik u er niet in vinden kan’, laat Duncker Michel in een brief aan Foucault schrijven. Zo'n exclamatie heeft in al zijn duistere heftigheid iets ontegenzeggelijks Frans.
Nu heeft de schrijfster behalve met Foucault ook wat met Fransen in het algemeen. Op haar drieendertigste was ze Engeland spuugzat en omarmde zij Frankrijk als haar nieuwe vaderland. Inmiddels woont en werkt ze weer in Wales. Het zou de Franse diepere gedachten misschien geen kwaad doen als ze ook weer Britse grond onder de voeten kregen.