Opheffer

Een mooie meisje

Taal verandert, lees ik voortdurend in alle kranten. «Een mooie meisje» is straks heel normaal. Daar moeten we aan wennen. Dat zal wel gaan als het moet, maar ik wil het niet. Ik vind dat niemand eraan moet wennen! Nooit.

«Alle vogels hebben een nest», is geschreven in een taal die ik niet kan achterhalen. Dat vind ik jammer. Kan ik de brieven van PC Hooft lezen? Nu wel, na er college in te hebben gehad, en met gebruikmaking van een glossarium. Kan ik, honderd jaar geleden geschreven, Van Deyssel lezen, of Jacob Israël de Haan of Couperus? Dat gaat net, maar om de manier waarop ze schrijven moet ik soms lachen. Sterker, ik lees op het ogenblik tamelijk veel boeken over de Tweede Wereldoorlog. De officiële brieven en teksten die in de oorlog werden geschreven komen me, wat de taal betreft, nu erg gedateerd voor. Ook door de ouderwetse schrijfwijze. En dan praat ik over brieven uit het jaar waarin ik werd geboren.

Onze cultuur is kortom steeds moeilijker te raadplegen. Terwijl de actualiteit het al moeilijk maakt om sommige artikelen te begrijpen. Ik las laatst aan mijn dochter een oude column van Jan Blokker over Joop den Uyl voor. Ze vond hem matig, terwijl ik hem destijds had uitgeknipt omdat ik hem zo geweldig vond. Toen ik doorvroeg bleek dat zij veel «actuele» grappen van toen niet begreep, omdat ze de geschiedenis daarvan niet kende, noch de context waarin die column werd geschreven. Goddank schrijft Blokker prachtig.

Soms geef ik op een middelbare school college over Gerard Reve. Daar maak ik hetzelfde mee. Wat ik heel bijzonder en mooi aan Reve vind, slaat soms totaal niet aan. De avonden, nou, te langdradig. Hoe «intellectueler» de school, hoe mooier trouwens de leerlingen De avonden vinden.

Taal is een instituut. Het kan mensen binden. Wie zijn taal niet kan achterhalen, ontbindt. Cultuur bestaat bij de gratie van het vastleggen. Als je dat niet meer kunt achterhalen, verarm je. De Engelsen kunnen makkelijk Shakespeare lezen, dat lukt ons niet met Vondel. Daarom zullen wij altijd armer zijn dan de Engelsen.

Dat taal op een gegeven moment wordt vastgelegd in grammatica’s is niet alleen maar mooi, daar moeten we ons aan houden. Iedereen vond het ooit raar dat je «menschen» moest schrijven terwijl je «mensen» zei. Maar als we consequent «menschen» hadden geschreven, was het voor niemand onduidelijk geweest; we hadden boeken van honderd jaar geleden veel makkelijker kunnen lezen. Waarom zou je woorden niet anders mogen schrijven dan je ze uitspreekt? Meer dan negentig procent van de Nederlanders spreekt de woorden anders uit dan ze worden geschreven. «Luui verke!» hoor ik mijn buurman schreeuwen. Hij zal waarschijnlijk «lui varken» schrijven. Waarom zou je dan ook niet «menschen» kunnen schrijven? Al die veranderingen hebben ons van onze eigen cultuur vervreemd; het wordt tijd dat we iets besluiten wat zeker tweehonderd jaar, liefst langer meegaat. Vreemde woorden, donder ze uit onze taal. Men mag zeggen wat men wil, maar niet schrijven wat men wenst.

(Ik schrijf dit eigenlijk uit eigen belang. Vriend Maarten schreef in zijn jeugd aardige gedichten en boeken. Zijn dochter trouwde met een Spanjaard en zijn kleinkinderen kunnen nu opa’s literatuur niet lezen. Dat idee benauwt me. Ik weet niet of ik ooit opa word, maar het lijkt me vreemd als je eigen volk je op een dag niet meer kan lezen. Mijn vader heeft in zijn leven één verhaal geschreven. Dat vind ik aangenaam, ik hoor zijn stem er nog in, die trouwens wel steeds zwakker wordt. Mijn grootvader schreef een aantal wetenschappelijke boeken, daar mag ik ook graag af en toe in lezen. Ik begrijp ze. Dat is belangrijk. Als ik ze niet meer kan verstaan, is er iets waardevols weg.)