Waarom de Arabische wereld zwijgt over de dood van Theo van Gogh

Een moordzonder echo

De Arabische media hebben de moord op Theo van Gogh goeddeels genegeerd. Hassan Daoud legt uit waarom.

De moord op Theo van Gogh heeft in de Arabische pers geen bijzondere aandacht gewekt. Men beperkte zich tot de bericht geving over de daad en haar gevolgen, zoals de brandstichting in Nederlandse moskeeën en de demonstraties in Duitsland. De Arabische lezer beschouwt de Europese reactie op deze misdaad – zowel van de politici als van de bevolking – misschien als overdreven, want voor velen hier geldt de moord als een eenmalig incident. Toch werd in talkshows (maar niet in de serieuze dagbladpers) geklaagd over het feit dat de Nederlandse regering zich als gevolg van deze gebeurtenis gedwongen ziet haar houding jegens migranten opnieuw te overwegen.

In de Arabische wereld is een soortgelijke gebeurtenis binnen enkele dagen vergeten en zonder gevolgen gebleven. Er vinden heel wat ernstiger botsingen plaats waarbij tien, twintig of honderden mensen om het leven komen zonder dat ze discussie op de voorpagina’s losmaken of een regering aanleiding geven tot heroverweging van haar beleid. Daaronder vallen bijvoorbeeld conflicten van religieuze of etnische aard. De leiders hebben het antwoord nog niet gevonden of nieuwe incidenten doen zich al weer voor. Deze problemen duiken niet op in de schriftelijke debatten. In het beste geval doet men ze af met een bericht waarin staat dat het voorval op een misverstand berust en dat het conflict dankzij de bezonnenheid van de officiële en geestelijke leiders in de kiem is gesmoord.

De moord op Theo van Gogh behoort tot de categorie voorvallen die in de Arabische wereld niet in de schriftelijke debatten terechtkomen. Wat bij ons wordt besproken, zijn problemen van «algemene» aard die kunnen worden herleid tot het Arabisch-Israëlische dan wel Arabisch-Amerikaanse conflict, of fundamentele kwesties zoals het debat over modernisering en democratie, vooruitgang en achterstand. Als men over meer gedetailleerde kwesties zou willen nadenken, dan vereist dat een taal die we nog helemaal niet beheersen. We weten bijvoorbeeld niet hoe het kamp van Guantánamo of het schandaal van Abu Ghraib te bespreken. We komen niet verder dan onze woede te uiten en een veroordeling van het gebeurde uit te spreken, op dezelfde manier als wanneer we in nieuwsuitzendingen over het groeiende aantal burgerslachtoffers in Irak of onder de Palestijnen horen.

Als de woede en veroordeling in de Arabische wereld totaal en absoluut zijn, zou elke poging om erover te discussiëren een miskenning van het vergoten bloed betekenen. Vandaar slechts woede en veroordeling. Het debat over de gevangenen van Guantánamo en Abu Ghraib voltrekt zich in de buitenlandse pers, en daaraan ontlenen wij selectief zinnen en samenvattingen die we dan weer in onze kranten afdrukken, zodat we bijvoorbeeld kunnen zeggen: kijk, de daders geven zelf hun misdaad toe.

De moord op Theo van Gogh is verwarrend en complex omdat hij geen woede oproept en niet wordt veroordeeld. Dader en slachtoffer hebben beiden hun aandeel in de verwarring, want in de eerste plaats behoort de dader (vooralsnog) tot de zwakken en het slachtoffer tot de sterken. We hebben hier niet te maken met het gebruikelijke scenario waarin een «vreemde» westerling een Arabische «verwant» doodt. De jonge Marokkaan Mohammed B. hangt ergens tussen de rol van de moordenaar en die van de wreker in. Wat Van Gogh betreft, die wordt door de weinigen die de kans hadden om in Beiroet zijn film Submission te zien (vanzelfsprekend in een privé-voorstelling) niet beschouwd als een slacht offer, want volgens hen heeft hij uit pure haat een spelletje gespeeld met andermans taboes.

Daar komt bij dat de moord op Van Gogh, even afgezien van de gedachtevorming en de hoofdbrekens die hij veroorzaakt, hier als een probleem van de «anderen» – in dit geval de Nederlanders – wordt gezien, niet als een probleem dat betrekking heeft op bijvoorbeeld Marokko of de Arabische wereld in zijn algemeenheid. Mohammed B. en zijn daad lijken ver van ons af te staan, want de kwestie rond Van Gogh houdt geen enkel verband met onze eigen dringende problemen. Daarom denken we er niet wezenlijk anders over dan over andere Europese aangelegenheden. Zelfs het afslachten van gijzelaars in Irak maakte op de toeschouwers in Arabische landen de indruk dat het voor de families van de westerse slachtoffers bedoeld was, als het ware voor de export. Derhalve zapten de toeschouwers onmiddellijk weg of wendden zich met afschuw van de beelden af zonder zich erdoor geraakt te voelen. Een discussie over de executie van gijzelaars met het zwaard werd hier niet gevoerd. Het debat bleef beperkt!
tot enkele stemmen die het religieuze aspect van de terechtstellingen bespraken. Veroordelingen kwamen alleen van de kant van rechtsgeleerden, die zulke oordelen mogen vellen. De overige toonaangevende figuren zwegen alsof het bespreken van zulke wandaden niet tot hun taak behoort.

De moord op Van Gogh zou in de Arabische wereld vermoedelijk meer opschudding hebben gewekt als zijn film bij een groter publiek bekend was geweest. Een dergelijke opwinding zou de vermoorde eerlijk gezegd niet ten goede zijn gekomen, want de strekking van zijn film was precies van het soort dat hier de collectieve verontwaardiging opwekt en velen ertoe zou hebben gebracht het voor de moordenaar op te nemen en hem wellicht te beschouwen als iemand die in hun naam wraak had genomen. Maar zolang vorm en boodschap van Submission hier grotendeels onbekend zijn, zal men de daad van Mohammed B. als «andermans» probleem blijven zien. Marokko hoeft niet te vrezen voor diplomatieke of morele verwikkelingen aangezien de dader, wiens ouders als migranten naar Nederland kwamen, niet meer onder de verantwoordelijkheid van zijn land van herkomst valt.

Dat geldt vanuit Arabisch oogpunt niet enkel voor Mohammed B., maar voor alle migranten, te weten mensen die elkaar op vliegvelden en overvolle schepen verdringen en ons het idee geven dat ze niet midden uit onze samenleving komen, dat ze over de rand ervan zijn gevallen. Niemand bekommert zich om hen of om het feit dat ze hun land hebben verlaten. Ze zijn overtollig in hun vaderlanden waar het op een inwoner meer of minder niet aankomt.

De jongeman die Theo van Gogh van het leven beroofde stamt dus van «daar», ook al heeft hij het door die daad opgenomen voor een overtuiging die «hier» in de islamitische wereld wortelt en die hij tijdens zijn leven «daar» al die tijd heeft gekoesterd.