Interview Thom Mercuur

Een museum van de rust

Thom Mercuur wordt directeur-conservator van het nieuwe Museum Belvédère in Oranjewoud bij Heerenveen. Jarenlang streed hij voor het eerste museum in Friesland voor hedendaagse kunst, dat niet voor niets buiten de stad komt te staan. «Belvédère wordt een museum van de rust, van de stilte.»

Vaak heeft hij zich afgevraagd waar hij in vredesnaam mee bezig was. Slapeloze nachten waren er, halve depressies. De buiten wereld geloofde er al lang niet meer in. Ze noemden hem een fantast. Toch zette Thom Mercuur door. Schnabbelend, regelend, lobbyend. En het wonder geschiedde. Vorig jaar ging in het Oranjewoud bij Heerenveen de eerste paal van zijn museum voor moderne kunst de grond in. Inmiddels nadert de bouw zijn voltooiing. Gek wordt hij bij de gedachte wat er voor de opening in november nog allemaal moet gebeuren. Maar het idee dat werk van geliefde kunstenaars als Jan Mankes, Jean Brusselmans, Robert Zandvliet en Thijs Rinsema straks in zijn museum hangt, geeft kracht.

Thom Mercuur (64) is een kleine, grijze man op gympen. Tijdens een wandeling vertelt hij dat hij vergroeid is met zijn geboorteplaats Heerenveen. Hier ging hij als jongen vaak uit stropen en zette hij zijn eigen film liga op. Via zijn vrienden Boele Bregman en Sjoerd de Vries — getalenteerde schilders wier werk hij later zal exposeren — komt hij in aanraking met de beeldende kunst: met de Friese schilder Jan Mankes, maar ook met het Vlaams expressionisme en De Stijl. Regelmatig varen ze met de Lemmer nachtboot naar Amsterdam om het Stedelijk Museum te bezoeken. Wanneer zijn vader ernstig ziek wordt, neemt Thom Mercuur de zorg voor diens slijterij op zich.

Kort daarna opent hij zijn eigen galerie. Hij is een tijdje directeur van ’t Coopmanshus in Franeker, maakt dada-tentoonstellingen van kunstenaars uit Drachten, om uiteindelijk conservator in het Fries Museum te worden. Acht jaar blijft hij daar in dienst. Zonde van zijn tijd. Thom Mercuur: «Ik was het niet eens met hoe het daar ging. Het Fries Museum was vooral een historisch museum. Ze hadden weinig aandacht voor moderne kunst. En als ze eens wat lieten zien, waren het altijd Friese schilders van lager allooi. Er zaten veel sociale aankopen tussen.» Eind jaren tachtig neemt hij ontslag. Juist op dat moment lijkt de situatie te verbeteren. Het bestuur stelt een onafhankelijke commissie aan die zich moet buigen over de toekomst van de collectie moderne kunst. Mercuur is de enige die pleit voor een apart museum: «Het bestuur schrok toen ze dat hoorden. De rest van de commissie wilde de moderne kunst aan de Turfmarkt houden. Daarom ging het feest niet door.»

Wel laat directeur Boschma hem een tentoonstelling maken waarin hij zijn visie op de toekomst van het museum kan tonen. Bij het Tjeukemeer, volgens Mercuur de aangewezen locatie voor zo’n museum, exposeert hij schilderijen in het riet. Belangstellenden worden getrakteerd op porties gerookte paling. De expositie is een groot succes. De afspraak is dat het bestuur in een aangrenzende expositie haar eigen ideeën zal ontvouwen. «Dat lukte ze niet», zegt Mercuur met een voldaan gezicht, «want die lui kunnen geen tentoonstellingen maken.» Na enig gesteggel komt het erop neer dat Mercuur ook díe tentoonstelling maakt. Absurd? Hij grijnst: «Tja, iemand moest het doen.»

In zijn witte bestelbusje rijden we naar het museum. Op de voorbank ligt een menukaart uit het restaurant van het Groninger Museum. «Die heb ik vanochtend meegepikt», zegt Mercuur. «Even de kunst afkijken.» De meeste musea ontbreekt het volgens hem aan een goed restaurant: «Wat ze daar in het Stedelijk serveren, is niet te vreten. Bij ons zullen straks mosselen, uiensoep en andere streekgerechten op de menukaart staan.» Aan het eind van een kronkelig zandweggetje doemt het rechthoekige, uit Duits basaltsteen opgetrokken museum op. «Tussen die naden in de gevel», zegt Mercuur, «kunnen de vleermuizen zich straks gaan nestelen.»

Na de dubbeltentoonstelling in het Fries Museum neemt Thom Mercuur een poosje afstand van de beeldende kunst. Hij schrijft boekjes voor zijn uitgeverij De Drijvende Dobber en opent een visrestaurant. Al snel blijkt hij niet geschikt voor de horeca. «Het opbouwen was leuk, maar iedere avond handjes geven is niks voor mij.» De plannen voor een eigen museum spoken nog altijd door zijn hoofd. Bij de directie van het Fries Museum dringt hij aan op samenwerking. Sipke Castelijn, Rik Vos, Wim van Krimpen, allemaal probeert hij ze enthousiast te maken. Niet altijd wordt hij even serieus genomen. «Wim van Krimpen lachte me in mijn gezicht uit. Na tien minuten stond ik weer buiten.»

Volgens Mercuur is zo’n apart museum voor moderne kunst geen overbodige luxe. In het naast elkaar exposeren van traditioneel en modern werk ziet hij weinig: «Combinaties werken niet. Beide partijen gaan er dan op achteruit. Dat zie je aan het Groninger Museum. Ze exposeren daar veel modern werk, maar slechts een klein deel van wat ze aan historische objecten hebben. Dat vind ik doodzonde.»

Na jaren vruchteloos lobbyen besluit hij zijn plannen zelf maar uit te voeren. Het Tjeukemeer blijft de beoogde locatie. Aanvankelijk zit het hem mee. Verschillende geldschieters ondersteunen het project, Aldo van Eijck maakt bouwschetsen, de gedeputeerde van cultuur staat aan zijn kant. Dan begint de gemeente dwars te liggen. Het museum zou een gevaar vormen voor de beschermde blauwgrassen. Mercuur heeft er zijn bedenkingen bij: «Onzin. Die blauwgrassen groeiden overal. Ze hoefden ook helemaal niet kapot. We wilden alleen een paar paden aanleggen, om het museum te verbinden met de eendenkooi en het kano verhuurbedrijf.» Hardmaken kan hij het niet, maar hij vermoedt dat er een boycot van het Fries Museum achter zat: «Die waren waarschijnlijk bang dat ik hun bezoekers in zou pikken.» Ook de gemeente Leeuwarden zat volgens Mercuur in het complot: «We hadden hier in Heerenveen al een betere schaatsbaan en een betere voetbalclub. Bouw er nog een museum bij, en er gaat helemaal niemand meer naar Leeuwarden.»

Operatie Tjeukemeer wordt afgeblazen. Al snel dient een nieuwe plek zich aan: het zeventiende-eeuwse landgoed Oranjewoud, een bosrijke omgeving vlak bij Heerenveen, waar vroeger adellijke families hun buitens hadden. Een naam voor het museum heeft hij al: Belvédère, naar de pas gerestaureerde uitkijktoren die hij in zijn jeugd vaak beklom. Museum en uitkijktoren, volgens Mercuur is het een onweerstaanbare combinatie: «Voor zo’n toren komen ze maar één keer. Vanuit het bejaardentehuis heb je een beter uitzicht. Komt er een museum bij, dan komen de mensen nog eens terug.»

Helaas, ook nu wordt de bouw op het laatste moment verhinderd. Geke Faber, staatssecretaris van Landbouw en Visserij, gooit roet in het eten. «Samen met de wethouder ging ze op inspectie. Waarom ik niet meeging? Ik mocht niet mee! Ze zeiden: ‹Wij gaan het bos in. Jij blijft hier.› Na tien minuten was de zaak bekeken.» Nog steeds kan Thom Mercuur zich erover opwinden: «Het museum paste volgens Faber niet binnen de ecologische structuur. Jaren voor niets gewerkt.»

Even denkt hij erover de hele boel achter zich te laten en te emigreren naar Frankrijk, waar hij met vrienden een huis heeft. «Als Hans Wezenaar, Jaap van de Kerckhof en de rest van het bestuur er niet waren geweest, had ik dat zeker gedaan.» Dan ziet hij de plek ten Noorden van Oranjewoud: «Ik wist het meteen: hier moet het komen.» Ditmaal heeft hij geluk. Staatsbosbeheer werkt aan een plan om het landgoed in de oorspronkelijke staat terug te brengen. Mercuur weet de gemeente ervan te overtuigen dat zijn museum hierop een belangrijke aanvulling is. In samenwerking met architect Eerde Schippers wordt een derde plan ontwikkeld, een 104 meter lang, dertien meter breed modernistisch bouwwerk. Het museum kan volgens Mercuur niet los worden gezien van de omgeving: «Met dit project wil ik heel Oranjewoud omarmen. Dagjesmensen kunnen er straks ook fietsen huren en lekker eten.»

Deze keer is er niemand die de bouw verhindert. Alleen een groepje buurtbewoners klaagt over mogelijke verkeersoverlast. Wanneer ook die om zijn, gaat het snel. De provincie Friesland, de gemeente Heerenveen, het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling: allemaal zijn ze bereid financiële steun te bieden. Wat nog rest aan bouwkosten heeft Mercuur binnen de kortste keren bijeengescharreld. Het cement tussen de voegen is nog niet droog of hij organiseert een kijkavond voor belangstellenden. Behalve de nodige publiciteit levert het hem verschillende nieuwe geldschieters op. Verder wil hij over de financiën weinig loslaten. «Interesseert me ook niet», zegt Thom Mercuur, en mompelt nog iets over een penningmeester.

«Het is nog een beetje een rommel», zegt Mercuur als we het museum binnenwandelen. In de grote hal wordt hard gewerkt. Bouwvakkers lopen af en aan, overal staan steigers. Het geluid van een drilboor maakt een normaal gesprek onmogelijk. Behendig beweegt Mercuur zich tussen het puin door. «Dat moet het restaurant worden!» schreeuwt hij, wijzend naar een door glas platen geflankeerde ruimte, «en daar komt de bibliotheek.»

Vanaf het begin wist hij dat het museum buiten de stad moest komen: «Een museum met Friese kunst hoort thuis op het platteland.» De locatie sluit aan op het werk dat hij straks gaat tonen: «Belvédère wordt een museum van de rust, van de stilte.» Zo hoopt hij een contrast te bereiken met het Groninger Museum: «Groningen is stedelijk, daar past zo’n museum ontworpen door Men dini. Hier moet je dat net even anders doen.»

We lopen naar het gedeelte dat is gereserveerd voor de permanente collectie. Tussenwanden delen de zaal op in kubusvormige ruimtes. Het zal sober worden. Met overdadig aangeklede exposities heeft Mercuur weinig op. «Het gaat om de kunst», zegt hij, «de presentatie mag nooit te opvallend zijn. Die gekleurde wandjes in Groningen vind ik niks. Het kan wel, zolang het incidenteel gebeurt. Maar wat doen ze nu? Kleurtje hier, kleurtje daar: een heel onrustige boel.» Wat voor tentoonstellingen kunnen we wél verwachten? Mercuur: «Het zal vooral gaan om mijn visie op een kunstenaar, om wat ik erbij voel.» Zo heeft hij plannen om een De Stijl-kamer te maken waarin werk van Theo van Doesburg en andere De Stijl-leden hangt. De kamer hoeft niet waarheidsgetrouw te zijn, het is zijn fantasie. «Ik zou daar graag een Mondriaan bij hebben», peinst Mercuur, «al was het maar een kleintje.»

Door zijn manier van presenteren wil Mercuur onvermoede verbanden bloot leggen. Friese kunstenaars vormen de aanleiding om lijntjes te trekken naar nationale en internationale ontwikkelingen. Eerder toonde hij het verband tussen dada-frontman Kurt Schwitters en de in Drachten woon achtige schoenmaker Thijs Rinsema. Belang rijk is dat er in zijn tentoonstellingen iets te ontdekken valt. Een retrospectief zal hij niet snel maken: «In dat soort tentoonstellingen moet alles kloppen. Er mogen geen gaten in de selectie vallen.» Een retrospectief brengt ook praktische bezwaren mee: «Je moet dan een catalogus maken die het hele oeuvre beslaat. Een klein museum als het mijne kan dat niet.» Bij het maken van zijn tentoonstellingen legt Mercuur zichzelf strenge beperkingen op: «Belvédère wordt een museum voor olieverf en terpentijn. Dus geen fotografie, geen videokunst. Dat soort begrenzingen heb ik nodig. Anders wordt het warrig.»

Over kronkelige weggetjes gaat het richting centrum. In een etablissement praten we over zijn favoriete kunstenaars. Daaronder bevinden zich veel autodidacten en eenlingen. «Dat komt», zegt Mercuur, «omdat het Friezen zijn. Groningers gaan samen in een groep, Friezen blijven alleen.» Ooit waren er plannen om iets op te zetten. «Halverwege de jaren zestig kwamen Sjoerd de Vries, Boele Bregman, David van Kampen, Martin van Amerongen en ik in café De Knellende Hand bijeen om een groep te vormen.» De bijeenkomst was geen succes. «Het boterde niet tussen de krantenmensen en de kunstenaars. Van Amerongen en Bregman kregen ruzie. We hadden allemaal flink gedronken, uiteindelijk werd het vechten. De biljartkeus vlogen door het café. Daarna is het nooit meer wat geworden.»

In zijn museum heeft hij plaats ingeruimd voor uiteenlopende figuren als Jan Mankes, Jean Brusselmans en J.C.J. van der Heyden. Een duidelijke lijn laat zich niet ontdekken. Waarom? Mercuur: «Ik selecteer gevoelsmatig.» Hij moet toch wel bepaalde voorkeuren hebben? Geïrriteerd: «Journalisten willen altijd weten waarom. Nou, dat kan ik niet uitleggen, ik kan het alleen tonen in mijn tentoonstellingen. Maar ik meen het wel. Het zit heel diep bij mij. Ik was een keer met Sjoerd de Vries in de Hermitage. We komen daar binnen, en daar hangen zes, zeven Rembrandts. Er zat een portretje bij, van een oude man. En daar ga ik. Begin zo te janken. Waarom, tja, dat weet ik niet. Schilderkunst doet je wat of niet. Het is vreemd, bij muziek stellen ze je die waarom-vraag nooit.»

Hij haalt een paar catalogi te voorschijn, met werk van Raveel, Charchoune en Vlaamse expressionisten. Allemaal kunstenaars die zich lieten inspireren door hun directe omgeving. Mercuur knikt: «Sjoerd de Vries zei eens: ‹Als ik het bij de achterdeur niet vind, dan vind ik het nergens.› Als jongen ging hij met zijn vader naar de Deelen, waar hij beeldjes uit turf sneed. Dat snijden doet hij nog steeds, alleen doet hij het nu in zijn schilderijen.» Zijn blik blijft haken aan een zelfportret van Jan Mankes. «Dit vind ik mooi. Hier zit emotie in.» Bij een metarealistisch drieluik: «Verschrikkelijk. Niet om aan te zien. Aan de manier van schilderen zie ik dat het niet uit het hart van de kunstenaar komt. Zo iemand wil alleen maar pronken met zijn techniek».

Hart van de kunstenaar, gevoel, ziel — enige romantiek is Thom Mercuur niet vreemd. «Daar is toch niets mis mee?» En dan: «Goede kunstenaars zijn altijd een beetje gek. Verzamelaars trouwens ook.»