Thema & Variaties

Een museum voor aanraakbare kunst

Vreemd eigenlijk, denk ik vaak als ik in een museum ben, dat kunst uitsluitend een zaak voor de ogen is. Vooral als een tentoonstelling bestaat uit sculpturen komt het me voor als een merkwaardig contrast: de fysieke arbeid van de kunstenaar die resulteert in een werk achter kogelvrij glas.

In het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam bezocht ik de tentoonstelling Brancusi, Rosso, Man Ray: Framing Sculpture. Deze drie kunstenaars hebben gemeenschappelijk dat ze allemaal niet uit Parijs afkomstig waren, maar wel op enig moment deel uitmaakten van de Parijse avant-garde. En alle drie experimenteerden ze met het manipuleren van de kijkervaring door vervreemdende foto’s van hun eigen werk te maken: expres over- of onderbelicht, vanuit een rare hoek genomen, nabewerkt. Hoewel het volkomen verschillende kunstenaars zijn, kon je bovendien zien hoe ze elkaar beïnvloedden: Rosso’s Enfant malade (1889) inspireerde Brancusi bij het maken van zijn beroemde Muse endormie (1910), een werk dat Man Ray later op zijn beurt aanzette tot Noire et Blanche (1926).

Ik liep om de sculpturen heen, kwam zo dichtbij mogelijk, zette mijn ogen in een speciale stand waarvan ik nog steeds hoop dat deze, net als Roald Dahls Matilda, op een dag in staat is dingen de lucht in te tillen. Het was een indrukwekkende verzameling, prachtig in de ruimte geplaatst, verrassend door de fotografie als overkoepelend medium. En toch was het onbevredigend.

Noem het kinderachtig, maar ik vond het zo treurig voor die beelden – wereldberoemd in sommige gevallen – dat ze daar zo mooi stonden maar volledig onaanraakbaar waren. Vooral de sculpturen van Brancusi, die vogels, torso’s en blinkende eierhoofdjes, schrééuwden om een beetje aanraking. Zo onvoorstelbaar glad waren ze, en ondanks hun elementaire vormen zo niet-abstract. Ik voelde de voortdurende aandrang ze te omhelzen, die ronde dieren- en mensenvormen in mijn armen te dragen, mijn hoofd tegen hun koele metalen lijven te ruste te leggen.

Ik moest denken aan het Petrusbeeld in de Sint-Pieter in Rome, wiens voet in de loop der eeuwen zo vaak is aangeraakt en gekust dat hij helemaal is afgesleten. Voor al die devote gelovigen valt het beeld samen met wat het representeert: wanneer ze de stenen voet aanraken, raken ze iets wezenlijks van de heilige zélf aan. Een beetje middeleeuws en infantiel, zou je kunnen vinden: in een geseculariseerde maatschappij als de onze is alles alleen nog maar symbool en afgeleide. Iemands intelligentie lezen we vaak af aan zijn capaciteit om te abstraheren.

Aan de andere kant: een tentoonstelling als deze in het Boijmans trekt hordes bezoekers, en wel omdat het een unieke kans is om al die iconische beelden in het echt te zien. Nog altijd bieden alleen originele kunstwerken – blijkbaar – de mogelijkheid tot een wezenlijke kunstervaring. Heel ouderwets eigenlijk, en onmiskenbaar een tikkeltje religieus.

Lopend tussen die Brancusi’s fantaseerde ik over een museum waar bezoekers alles mogen aanraken: vingers langs verfstreken van Rothko en Van Gogh, armen om Bernini en Rodin, een kusje op de diamantenschedel van Hirst. Langzaam maar zeker zouden alle kunstwerken afslijten, totdat ze uiteindelijk, ergens tegen het einde der tijden, helemaal verdwenen zouden zijn, opgelost in miljoenen schilfertjes, zwervend in de atmosfeer, van niemand en van iedereen.