Een muur van stilte groene-essay

Een ondernemer die bij de minister van Sociale Zaken over het arbeidethos van zijn Turkse werknemers klaagt, krijgt als antwoord een dagvaarding wegens discriminatie. Is dat hoe een democratie moet omgaan met de haar onwelgevallige meningen? Meindert Fennema over de on)mogelijkheden in de juridische bestrijding van extreem-rechts.
DE JURIDISCHE BESTRIJDING van extreem-rechts blijkt steeds weer te stuiten op grote moeilijkheden en inconsistenties. Om te beginnen is er geen overeenstemming over de vraag wat extreem-rechts precies inhoudt. In de tweede plaats kan extreem-rechts in de meeste Westeuropese landen op enige sympathie rekenen onder de bevolking.

Jean-Marie Le Pen mag zich volgens recente peilingen onder de Franse kiezers verheugen in een aanhang van bijna dertig procent. Het Vlaams Blok beschikt over een bijna even omvangrijke aanhang. In Nederland is het electorale potentieel ‘slechts’ negen procent, maar ook hier is veertig procent van de ondervraagden geneigd een Turkse werknemer eerder te ontslaan dan een Nederlander. Juist het feit dat extreem-rechts zich uitdrukkelijk tot tolk maakt van 'de man in de straat’ die zich door 'de politieke klasse’ genegeerd voelt, maakt het voor de politieke elite niet eenvoudig om zich eenduidig tegen extreem-rechts uit te spreken.
Maar er is nog een derde reden waarom de juridische bestrijding van extreem-rechts op problemen stuit. In een democratische rechtsstaat bestaat vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering. Kan een politiek systeem zich democratisch noemen als onwelgevallige meningen door de overheid verboden worden en als bepaalde politieke stromingen het recht op vergadering wordt ontzegd?
Jazeker, dat kan. Er zijn politieke systemen waarin de burgers niet alleen geacht worden zich aan bepaalde democratische spelregels te houden, maar zich ook een democratisch gedachtengoed eigen te maken. De Jacobijnen hadden zo'n inhoudelijke democratieopvatting. De natie was voor hen 'één en ondeelbaar’ en zij erkenden alleen een algemeen belang, dat in de algemene wil tot uitdrukking kwam. Een factie of partij was per definitie een deelbelang en daarom verwerpelijk. In de latere Oosteuropese volksdemocratieën stond het streven naar politieke en sociaal-economische gelijkheid voorop. De machthebbers vonden die gelijkheid van zo doorslaggevende betekenis voor de democratie dat zij de vrijheid van meningsuiting daaraan ondergeschikt maakten.
KENNELIJK GAAN onder de term democratie verschillende gedachtenwerelden schuil. Voor de een vertegenwoordigt de democratie een aantal maatschappelijke waarden, voor de ander is het een bestuurlijke procedure. Toch is de scheiding naar vorm en inhoud niet absoluut. Een procedurele opvatting van democratie impliceert niet alleen stemrecht en vrijheid van meningsuiting, maar ook een minimum aan maatschappelijke gelijkheid en een grote tolerantie. Omgekeerd ligt in het streven naar maatschappelijke gelijkheid altijd ook een streven naar politieke vrijheid en politieke tolerantie opgesloten. Zelfs in de volksdemocratieën werd de idee van een meerpartijenstelsel en van vrijheid van meningsuiting formeel nooit verlaten.
Beide opvattingen zijn te verdedigen en een historische vergelijking zou misschien duidelijk maken dat zij ook niet zover uiteenlopen als hier wordt gesuggereerd. Maar tegenwoordig wordt een meerpartijenstelsel algemeen als een conditio sine qua non van de democratie beschouwd, en een meerpartijenstelsel vereist vanzelfsprekend een minder inhoudelijke opvatting van democratie. Daardoor is het besef gegroeid dat democratie niet zozeer de inhoud van beleid betreft als wel de besluitvorming waarin dat beleid tot stand komt. In West-Europa wordt één uitzondering niettemin geaccepteerd. Er is over het algemeen geen politieke vrijheid voor diegenen die zich in de fascistische traditie plaatsen.
In het interbellum ontstond de gewoonte om een onderscheid te maken tussen democratische en ondemocratische partijen. In die context ontwikkelde zich een debat over de vraag of men die laatste partijen wel moest toestaan. Die principiële vraag is in Nederland in 1936 door de staatsrechtsgeleerde G. van den Bergh uitvoerig aan de orde gesteld. Van den Bergh wilde partijen die zich tegen de democratie keerden verbieden. Het democratisch erfgoed diende beschermd te worden tegen hen die dat erfgoed wilden vernietigen. Deze militante democratieopvatting is in West-Duitsland na de Tweede Wereldoorlog neergelegd in de grondwet, waardoor zowel links- als rechts-extremistische partijen daar verboden kunnen worden. In een militante democratie hoeven de burgers slechts het principe van de democratische besluitvorming te aanvaarden. Zonder zo'n gemeenschappelijk uitgangspunt kan de democratie niet functioneren, zeggen de voorstanders van een militante democratie. Een dergelijk standpunt is niet alleen begrijpelijk in het licht van de historische gebeurtenissen in Duitsland, maar lijkt ook een elegante uitweg uit het dilemma van de keuze tussen een inhoudelijke opvatting van democratie, die kan leiden tot een totalitair regime, en de zuiver procedurele opvatting, die de vijanden van de democratie ruim baan geeft.
De aanhangers van een zuiver procedurele democratieopvatting verwerpen zelfs deze minimale inperking van de democratische grondrechten. Zij zijn van mening dat een democratie louter een procedure is. Maar ook een zuiver procedurele democratie is gebaseerd op waarden: tolerantie en individuele vrijheid zijn daarvan kernbestanddelen. Procedurele democraten menen dat de beste manier om intolerantie te bestrijden bestaat uit het uitnodigen van de anti-democraten tot deelname aan het democratische debat. Zij gaan uit van een absolute vrijheid van meningsuiting, die zijn grenzen slechts vindt bij het aanzetten tot geweld. Het verschil tussen een zuiver procedurele en een militant procedurele democratie is dat de laatste van alle partijen eist dat zij een verklaring van democratische gezindheid afleggen, terwijl de eerste ervan uitgaat dat revolutionairen door het democratisch proces tot de democratie worden bekeerd.
De zuiver-procedurele democraten lijken het historisch gelijk aan hun kant te hebben. In feite wordt ter linker- noch ter rechterzijde van het politieke spectrum het parlementair-democratisch bestel ter discussie gesteld. De communistische partijen en hun erfgenamen hebben zich tot de parlementaire democratie bekeerd en ook de partijen die men tegenwoordig als extreem-rechts aanduidt, wijzen haar niet af. En moeten niet juist die standpunten waarmee men het hartgrondig oneens is, het felst beschermd worden tegen censuur?
Toen Noam Chomsky in 1980 een voorwoord schreef voor een boek van Robert Faurisson, waarin deze het bestaan van de Holocaust ontkende, deed hij dat niet omdat hij sympathie koesterde voor de standpunten van Faurisson. Hij was van mening dat ook mensen met wier opvattingen men het grondig oneens is, recht van spreken hebben, en hekelde de Franse intellectuelen die volgens hem totalitaire neigingen hebben. Hij beriep zich weliswaar op Voltaire, maar meer dan hij zelf besefte, maakte Chomsky zich tot woordvoerder van de Amerikaanse democratische traditie, waarin het recht op vrije meningsuiting vrijwel onbeperkt is. In de Verenigde Staten zijn alleen scheldwoorden en het oproepen en aanzetten tot geweld strafbaar.
In Europa ligt dat anders. In Duitsland bestaat sinds 1949 een Verfassungsschutz die ook gebruikt wordt om racistische partijen te verbieden. In Nederland bestaat geen speciale wetgeving ten aanzien van de ontkenning van de holocaust, maar wel een uitgebreide wetgeving inzake het aanzetten tot discriminatie en belediging van groepen wegens ras, godsdienst of levensovertuiging. Ook in Nederland wordt een discussie gevoerd over het verbieden van politieke partijen. Wij moeten dus constateren dat in de laatste jaren een heropleving valt waar te nemen van een inhoudelijke democratieopvatting, met de daarmee onvermijdelijk samengaande beperking van de vrijheid van meningsuiting.
BESTAAT ER EEN DERDE WEG tussen die van de volledige vrijheid van meningsuiting en die van de ideologische beperking van deze vrijheid? Aanhangers van zo'n derde weg beroepen zich graag op de Britse politieke filosoof John Stuart Mill, die in On Liberty argumenteerde dat de vrijheid van het individu zijn grens vindt daar waar een ander schade lijdt door zijn handelingen. Joel Feinberg heeft Mills schadebeginsel uitgebreid met het aanstootbeginsel. Aanstoot is een onaangename geestestoestand, zoals irritatie, boosheid of walging, veroorzaakt door onrechtmatig gedrag. Meningen zijn volgens Feinberg legitiem, maar beledigingen en hatelijke symbolen kunnen voor de betreffende personen of groepen - en niet alleen voor hen - zeer aanstootgevend zijn. Maar betekent dit ook dat men dergelijke uitingen kan verbieden?
Volgens Mill niet, want bij hem beperkt het schadebeginsel zich tot handelingen. Meningsuitingen zijn daarvan uitdrukkelijk uitgesloten, omdat zij in de optiek van Mill zozeer verbonden zijn met de meningen zelf, dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting in feite een beperking van de gewetensvrijheid betekent. Degenen die zich bij de beperking van de vrijheid van meningsuiting beroepen op Mills schadebeginsel, doen dat dus ten onrechte. Zij maken het probleem van de afweging van de schade tegen de vrijheidsbeperking - dat bij Mill al enorm is - alleen maar groter.
De Amsterdamse rechtsfilosoof Cees Maris gaat nog een stap verder en erkent dat ook meningen die niet in de vorm van scheldwoorden worden geventileerd, aanstoot kunnen geven. Hij maakt onderscheid tussen directe geestelijke schade, die optreedt wanneer uitingen bij de gediscrimineerden 'structurele gevoelens oproepen van onveiligheid, angst en minderwaardigheid, die het functioneren van een persoon op lange termijn belemmeren’, en indirecte geestelijke schade, die ontstaat wanneer de uitingen 'een algemeen klimaat scheppen waarin bepaalde groepen als minderwaardig worden gezien, zodat individuele leden niet goed kunnen functioneren’. Niet duidelijk is hier wat bedoeld wordt met 'structurele gevoelens’: zijn dat gevoelens die bij veel mensen bestaan, zijn het gevoelens die bij een persoon bestaan en telkens terugkeren, of zijn het sterke gevoelens? Zoals hier geformuleerd lijkt het begrip geen goede basis voor een strafrechtelijke veroordeling.
Maris pleit ervoor om niet alle uitingen van discriminatie strafbaar te stellen - alleen krasse vormen die het de doelgroep onmogelijk maken 'goed te functioneren’. Die opvatting is in Nederland geen gemeengoed en is volgens sommigen zelfs in strijd met artikel 1 van de Grondwet. Zij interpreteren de term 'discriminatie’ in de grondwet zo ruim dat ook taalhandelingen die niet leiden tot ongelijke behandeling van personen of groepen onder de term discriminatie vallen.
Die heersende opvatting wordt gedeeld door de discriminatieofficier van het arrondissementsparket te Amsterdam, mr. H. J. de Graaff. De Graaff meent dat de opmerking 'Ze moesten alle homo’s uitroeien’ discriminerend is. Discriminatie en de wens tot discriminatie vallen in zijn opvatting samen, hetgeen in het strafrecht een ongebruikelijke figuur is. Op basis van artikel 1 ligt het voor de hand om alleen ongelijke behandeling op grond van ras, geloof, politieke overtuiging of afkomst als ongrondwettig te beschouwen. Als wij dat niet doen, zou ook de uitspraak 'Fascisten zouden uitgesloten moeten worden van het kiesrecht’ ongrondwettig zijn, omdat deze uitspraak een wens tot discriminatie op grond van politieke overtuiging inhoudt.
Deze ruime interpretatie van het begrip discriminatie wordt in het wetboek van strafrecht bevestigd art. 90 lid vier). Ook artikel 137d gaat in die richting: 'Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of bij afbeelden aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen …) wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.’ Een uitspraak als 'De scientologen vormen een gevaar voor onze samenleving, we zouden moeten overwegen die beweging te verbieden’ is dus strafbaar, want hij zet aan tot discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging. De uitspraak 'Fascisten zouden uitgesloten moeten worden van het kiesrecht’ daarentegen niet, want de wetgever heeft bij de opstelling van artikel 137d de term 'politieke overtuiging’ weggelaten. Als strafbare feiten gepleegd worden, kan vervolgens de betreffende politieke partij op basis van artikel 140 worden bestempeld als een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Het lidmaatschap van zo'n organisatie is strafbaar en uiteindelijk kan een dergelijke organisatie op basis van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek worden ontbonden.
DEZE ARTIKELEN VERWIJZEN niet naar het schadebeginsel, ze zijn uitdrukkelijk bedoeld voor de bestrijding van politiek extremisme. Sommige opvattingen van het schadebeginsel stemmen hiermee overeen, omdat ze het mogelijk maken om de vrijheid van meningsuiting te beperken zonder op het hellende vlak van de inhoudelijke democratieopvatting terecht te komen. Dat schadebeginsel zou dus met recht tegen het standpunt van Chomsky kunnen worden ingebracht. Immers, het verbieden van negationistische literatuur is nu niet meer de onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting uit naam van de democratie en al evenmin een maatregel om discriminatie te voorkomen en te voldoen aan een internationale verdragsverplichting, maar een afweging van het maatschappelijk belang van de vrijheid van meningsuiting versus het belang van de slachtoffers van de holocaust.
De toepassing van het schadebeginsel is echter verre van eenvoudig. Het veronderstelt, zoals we zagen, een doelgroep die zodanig leed wordt aangedaan dat zij niet meer maatschappelijk kan functioneren. Enerzijds wordt het verbod op discriminatie hierdoor beperkt, want niet alle vormen van discriminatie zijn in de ogen van Maris strafbaar. Anderzijds treedt er ook een verruiming op. Uitingen hoeven niet discriminerend te zijn om toch aanzienlijke schade toe te brengen aan bepaalde groepen. De discussie over de vrijlating van de Drie van Breda ging voor een deel daarover: het besluit werd aangevochten met als argument dat de slachtoffers van deze oorlogsmisdadigers door hun vrijlating ernstige psychische en daardoor ook lichamelijke schade zouden lijden.
LATEN WIJ DE MOGELIJKE tegenargumenten van Chomsky eens onder de loep nemen. Zijn eerste tegenargument zou kunnen zijn dat de potentiële slachtoffers niet gedwongen worden negationistische lectuur te lezen. Maar dat betekent dat men de vrijheid van meningsuiting wel degelijk beperkingen oplegt. Men staat dan namelijk niet toe dat negationistische lectuur ongevraagd toegezonden wordt. Toen de Nederlandse rechter oordeelde over de nota Nederland voor de Nederlanders van de Centrumpartij, speelde de wijze van verspreiding een rol bij de bepaling van de strafbaarheid.
Een tweede tegenargument betreft de precedentwerking van zo'n verbod. Waarom beperkt de wet zich tot dit ene geval? Is The Bell Curve, waarin beweerd wordt dat Amerikaanse negers minder intelligent zijn dan blanken, voor zwarte burgers niet even aanstootgevend als de ontkenning van de holocaust voor joden? Waarom wordt dat boek hier dan niet verboden? Wordt er soms met twee maten gemeten? Dat een dergelijke redenering beslist niet denkbeeldig is, blijkt uit een bijdrage van de Nederlandse jurist Peter Rodrigues. Hij schrijft: 'Vergelijkbaar met de ontkenning van de holocaust is bijvoorbeeld de ontkenning van de apartheid of de slavernij. Het verspreiden van dergelijke boodschappen is - ongeacht of de discriminatie zich richt tegen joden, zigeuners, Tutsi’s of Bosniërs - rechtens ontoelaatbaar.’
Aanvaarden we deze argumentatie, dan doet zich een nieuw afbakeningsprobleem voor. Iedereen die een beeld van wreedheid ter discussie stelt, loopt dan de kans met de strafrechter in aanraking te komen. Een voorbeeld: In Washington is in 1995 een tentoonstelling van de Library of Congress geannuleerd. Die tentoonstelling, getiteld Behind the House of the Master: The Cultural Environment of the Plantation, werd afgeblazen na protesten van de zwarte medewerkers van de bibliotheek, die meenden dat er een te positief beeld geschetst werd van het leven op de plantages. Die mening is misschien terecht gerespecteerd, maar het zou toch wel ver gaan als de maker van de tentoonstelling, Michael Vlach, die zich baseerde op interviews met ex-slaven die in de jaren dertig gemaakt zijn, voor de rechter zou moeten verschijnen omdat zijn werk door de kleinkinderen van de geïnterviewden als te pijnlijk wordt ervaren. Maar vanuit het perspectief van de slachtoffers heeft Rodrigues natuurlijk gelijk. Wat door de negationisten beweerd wordt, is bloedstollend; wat sommige anti-immigrantenpartijen aan racisme produceren is meer dan schokkend. De woede van de potentiële slachtoffers is begrijpelijk en zij hebben het recht om beschermd te worden. De vraag is of dat met strafrechtelijke middelen moet gebeuren.
BIJ DE JURIDISCHE bestrijding van racistische uitlatingen doen zich ook definitieproblemen voor. De Leidse antropoloog Jaap van Donselaar hanteert bijvoorbeeld een essentialistische definitie van extreem-rechts. Bij hem is extreem-rechts iets wat 'objectief’ bestaat, ook al geven verschillende auteurs er een ander label aan. Vanuit dat perspectief maakt hij in zijn proefschrift Fout na de oorlog het onderscheid tussen frontstage en backstage. Het verschijnsel dat Van Donselaar met extreem-rechts aanduidt, mag zich publiekelijk frontstage) achter een respectabele identiteit verschuilen, achter de coulissen backstage) weet de onderzoeker de ware aard van het beest wel te vinden. Deze benadering leidt tot een onbeperkte regressie, want wanneer mogen wij besluiten dat zich achter de frontstage geen backstage bevindt?
In gepolitiseerde vorm leidt deze benadering tot een samenzweringstheorie: extreem-rechts beschouwt de politieke elite als een samenzwering tegen het volk, de antiracistische beweging beschouwt extreem-rechts als een samenzwering tegen de democratie en tegen allochtonen. De politieke elite gaat niet in debat met de anti-immigrantenpartijen omdat men 'met racisten niet discussieert’. Maar met de achterban van extreem-rechts gaat men wel in debat omdat deze misleid wordt. Een dergelijke scheiding tussen partij en achterban is kunstmatig, te meer omdat het debat met de achterban op paternalistische wijze wordt gevoerd. Zo kreeg een ondernemer die een brief stuurde aan de minister van Sociale Zaken om met hem van gedachten te wisselen over het arbeidsethos van zijn Turkse werknemers en hij verschafte de minister tal van voorbeelden uit zijn eigen bedrijf) geen antwoord van de minister maar van de officier van justitie: hem werd discriminatie ten laste gelegd. Het cordon sanitaire dat sommige politici rond extreem-rechtse partijen willen aanleggen, wordt zo een wall of silence. Er dreigt dan een politieke patstelling, waardoor de politieke macht uitsluitend uit een gerechtelijke uitspraak komt. Voor degenen met een procedurele opvatting van democratie is dat onaanvaardbaar. Voor hen is de kern van de democratie gelegen in het politieke debat en in de voortdurende poging om partijen nader tot elkaar te brengen.
Het blijkt niet gemakkelijk te zijn om de zuiver procedurele en de militante opvatting van democratie met elkaar te verzoenen. Daarom wil ik trachten de zaak van de andere kant te benaderen en beginnen bij de overeenstemming tussen beide posities. Die overeenstemming heeft niet alleen betrekking op de opvatting dat racisme verwerpelijk is, maar ook op de opvatting dat racistisch en extreem-rechts geweld strafbaar is. Bovendien delen beide posities de opvatting dat bestrijding van racistisch en extreem-rechts geweld de allerhoogste prioriteit heeft. Laten we daar dus mee beginnen. Een dergelijke benadering vereist echter een duidelijke scheiding tussen racisme en xenofobie enerzijds en racistisch en extreem-rechts geweld anderzijds, waarbij de prioriteit moet worden gegeven aan de bestrijding van racistisch geweld. De huidige rechtspraktijk in Nederland lijkt soms wel omgekeerd: justitie doet reusachtig veel moeite om Janmaat veroordeeld te krijgen op uitspraken die, als ze door prof. dr. Frank Bovenkerk worden gedaan, op veel bijval kunnen rekenen, en lijkt de opsporing van daders van racistische aanslagen over te laten aan undercover-journalisten.