Een mythisch graf

Johan de Boose hemelt zijn gelukkige jeugd niet op © Stephan Vanfleteren

Hoe schrijf je over je vader? Édouard Louis maakte furore met zijn uitgeschreeuwde lofzang Ze hebben mijn vader vermoord. Hij zet hem neer als een onbehouwen vuil stuk vreten, maar houdt hem toch in de lucht. De staat, de elite, de omstandigheden, ik was het uiteraard met hem eens, zo word je dus als je vertrapt wordt. Maar wat een opluchting toen zijn boek uit was. En daarna de vraag: waarom moest ik dit lezen? Wat wilde Louis er precies mee? Waarom maakte hij literatuur van zijn vader? Om revolutie van de grond te krijgen? De grote klassieker is bij ons natuurlijk Karakter van Bordewijk dat gratis moet worden uitgedeeld.

Ik merk dat ik de neiging heb ironisch over dit onderwerp te schrijven, het heeft uiteraard te maken met mijn eigen verhouding tot mijn vader (en moeder), aan wie ik regelmatig denk maar over wie ik nooit ga schrijven.

Johan de Boose doet een poging in Dondersteen. Hij noemt zijn boek een ‘roman’, maar het bevat sterk autobiografische elementen, er staan zelfs foto’s van zijn vader, zijn moeder en hun ouders in, fraaie familiefoto’s die een sterk nostalgische leeshouding oproepen. In mijn familiealbums zitten ze ook. Hij beschrijft geestig de inderdaad sterke gelijkenis van zijn vader met koning Boudewijn van België – wel jammer dat zijn moeder niet op koningin Fabiola leek – en maakt helder dat hij een gelukkige jeugd had, zonder dat hij daar al te grote lofzangen over loslaat.

De Boose tilt zijn vader boven de prietpraat van het gezinsleven uit

Hij zoomt niet in op de gewone, banale, tot eindeloze verveling leidende prietpraat en gedoe binnen het Belgische (en Nederlandse) gezinsleven, waar we allemaal aan onderworpen waren, maar tilt zijn vader erboven uit. ‘Je wist meteen nadat je hem ontmoet had dat je met een bijzonder iemand te maken had, iemand om wie je niet heen kon. Hij achtervolgde je, met zijn hoofd een beetje schuin, glimlachend en tegelijk weemoedig, met een nieuwsgierige blik, afwachtend en doordringend, genadeloos borend en toch vol mild begrip.’ Sterke zinnen, ik zie iemand opdoemen. De Boose werkt deze bijzonderheid overtuigend uit. Zijn vader was een amateur wetenschapper, archeoloog, bioloog, paleontoloog, noem nog maar een paar wetenschappen. Hij interesseerde zich voor de geschiedenis van de aarde, niet zomaar, maar tot in de raarste details. Hij verzamelde stenen, legde daar de leeftijd van vast, verzamelde zand uit alle windstreken, correspondeerde uitvoerig met andere ‘willenweters’. En maakte daarvan zijn levenswerk. Dit alles vanuit zijn studeerkamer, hij was leraar tekenen op een technische school, ging zelden op reis.

Deze man is overtuigend bijzonder weergegeven, toch zou de roman al snel aan belang en inzet inboeten als het hierbij bleef. Maar gelukkig maakt De Boose van zijn vader een mythische figuur, hij groeit uit tot een halve godheid, die over alomvattende kennis beschikt. Ik vond dit ijzersterk, het maakte hem ook tragisch. Er komt een uitvoerige scène in de roman voor waarin de jeugdige Johan, nog lang geen schrijver, met zijn vader vanuit het dakraam van hun huis de Matterhorn beklimt. En vader hem wijst op allerlei gesteenten en interessante rotsformaties, terwijl moeder beneden staat te roepen of ze koffie komen drinken. Maak van je vader een mythe, dit is de weg die De Boose insloeg.

Dit boek is ook een roadtrip, met alles erop en eraan. De verteller reisde in het heden per auto door Colorado, New Mexico en Utah, hij wil het graf bezoeken van zijn allang overleden vader en van zijn zwager. Langs oeverloze wegen reist hij, met treurige motels, drank, verveling en in opperste melancholie.

Die zwager, Gary, is een typisch outcast-figuur, van half-indiaanse afkomst, onaangepast, aan de drank, wel met hoogdravende levensopvattingen, waar ik niet erg van opkeek, maar die wel uitvoerig aan bod komen, evenals de treurige omstandigheden waarin hij tegen het einde van zijn leven belandde. De Boose bezoekt zijn graf en doet een tijdje mee met de plaatselijke armoedzaaiers en verschoppelingen, hij wil ook graag even outcast zijn. Veel zuipen, halve hippie-taferelen, iedereen aan lagerwal. In romans staat dit gewoonlijk voor stoere verzetsromantiek en alternatief gedrag: zuipen als verzet tegen de wereld. De clichés vliegen je meestal om de oren, zo ook hier. Over de dorpsbewoners lezen we: ‘Stuk voor stuk marginale types met schaamteloze blikken.’ En over Gary zegt een dorpsbewoner: ‘Niemand zag hem ooit dronken, maar hij was wel de beste drinker.’

Wel bijzonder is het vervolg van de reis. De verteller belandt, op zoek naar het ultieme, mythische graf van zijn vader, uiteindelijk in de prehistorische landschappen in Utah waar de geschiedenis van het ontstaan van de aarde zich voor je ogen afspeelt. Waar zijn vader het altijd over had. En daar maakt hij een fraai beschreven hallucinerende voettocht door de woestijn. Daar is zijn vader symbolisch begraven, daar hoort hij thuis, eindelijk opnieuw thuis. En nu nam de roman de mythische proporties aan die er in het begin ook waren. Hier ging ik samen met de schrijver op pad, hier ging de roman zingen, zowaar ook fluisteren en leven. Laatste zin: ‘Ik ga zitten en haal, om mijn hartslag onder controle te krijgen, diep adem.’