Plots waan ik me een personage in de roman De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween van Jonas Jonasson. Toegegeven, de 100-jarige in dit verhaal is nog maar 85. Bovendien is ze vrouw en net zo oud als mijn moeder. Ook klimt ze niet uit een raam in Zweden. Ze stapt ze uit een bushokje in Nikitsch, een dorp in het Oostenrijkse Burgenland. Op enkele kilometers van de Hongaarse grens die ik zojuist ben overgestoken. In Nikitsch dronk ik koffie, las de Kronen Zeitung, hing mijn rugzak weer om en zag haar zitten. Een oud, fragiel dametje met een enorme bos grijs haar, mondkapje onder haar kin, vestje bij de hand en een namaak Gucci-tas op haar knieën.
‘Waar gaat u heen?’ riep ze.
‘Naar Deutschkreutz’, zei ik. ‘Negen kilometer verderop.’
Dan ga ik met u mee, meldde het dametje en stond op.

Ze draagt een roze truitje, jeans, open schoenen en lijkt inderdaad vastbesloten met mij op weg te gaan. Ik kijk om me heen en zoek de verzorgster die het oudje tijdens hun dagelijkse wandeling is kwijtgeraakt. Maar er is niemand. De zon brandt op de huizen, de straten zijn leeg en het dametje staat klaar om met me mee te wandelen.
Ik wijs op haar schoenen. ‘Weet u dat wel zeker? We zullen meer dan twee uur onderweg zijn. Het gaat heuvelop, heuvelaf naar Deutschkreutz. En u heeft niet bepaald wandelschoenen aan.’
‘Geen probleem, hoor. In Deutschkreutz woont mijn nicht Erlinde. Zij moet morgen naar het ziekenhuis. En de bus vertrok voor mijn neus. Ik probeerde te liften. Wel twintig auto’s reden voorbij, maar niemand stopte.’
Ze giechelt en wijst met een puntig vingertje naar mij. ‘U bent betrouwbaar, dat zie ik meteen. Dus ga ik nu met u mee.’ Ze buigt naar me toe en fluistert: ‘Ik heb drie dochters, die weten niet dat ik met u ga wandelen. Die zouden dat nooit toestaan. Ik doe het lekker toch.’ Ze legt haar hand op mijn arm. Guitig kijkt ze naar me omhoog. ‘Wanneer alsnog een auto zou stoppen, dan stap ik niet meer in. Nu gaan wij op pad’.

Juliane heet ze. Juliane Perle, jaargang 1936. ‘Perle’, zegt ze, ‘zoals die dingen in een ketting’. Nee, zo’n ketting heeft ze zelf niet. Die zou ze nooit kunnen betalen van haar pensioentje. Zelfs de kleren die ze vandaag aan heeft, hoefde ze niet te kopen. Die komen van een organisatie die kleding ophaalt bij rijke mensen en ze weer verdeelt onder armen. ‘Vindt u ze niet prachtig?’ Juliane blijft staan en spreidt haar armen. Ik beaam dat ze er heel mooi uitziet. Stijlvol. ‘En dan heeft u ook nog eens zo’n prachtige bos haar’, zeg ik. Weer legt ze haar hand op mijn arm. Ik zie hoe haar ogen vochtig worden. Juliane krijgt niet vaak complimenten. We naderen de rand van het dorp en passeren een garage met dure BMW’s en Mercedessen. Juliane maakt zich klein achter mijn rugzak. ‘Hier woont een van mijn dochters. Met haar man heeft ze dat autobedrijf. Ik vertel haar morgen wel van mijn avontuur.’

Juliane Perle, zo leer ik, komt eigenlijk uit een dorp vijf kilometer van Nikitsch. Dat dorp heet Kroatisch Minihof en werd halverwege de zestiende eeuw gesticht door Kroaten die vluchtten voor de Turken. Vrijwel iedereen, zegt Juliane, spreekt er nog Kroatisch. Zij ook.
‘Wil je het horen?’ Vanzelfsprekend wil ik dat. Terwijl we door de velden lopen, zingt Juliane. ‘Lepi Juro kres nalaže, z desnom rukom kres nalaže.’ En ze zingt mooi. De tekst zoek ik later op. Het is een lied over de katholieke heilige Sint-Joris die een vreugdevuur ontsteekt.
‘Zal ik ook een lied zingen?’ vraag ik. ‘Leuk’, zegt Juliane enthousiast. Ik zing de eerste regels van Kein schöner Land in dieser Zeit, een van de bekendste Duitse volksliederen uit de vroege negentiende eeuw. ‘Kein schöner Land in dieser Zeit/ als hier das unsre weit und breit,/ wo wir uns finden/ wohl unter Linden/ zur Abendzeit’. Juliane zingt meteen mee en neemt het vervolgens over. Ik ken maar een couplet. Zij kent ze alle vier. Bij het refrein val ik weer in. Juliane zingt de eerste stem, ik de tweede.

Nikitsch ligt alweer een uur achter ons. Het landschap heuvelt. Akkers met korenstoppels wisselen af met wijngaarden. In de verte meen ik de uitlopers van de Alpen te zien. Een warme wind draagt de geur van rijpend fruit. Wellicht loop ik wat langzamer dan normaal, maar Juliane houdt me gemakkelijk bij. Van de gedachte dat deze oude vrouw niet goed bij zinnen zou zijn, heb ik snel weer afscheid genomen. Juliane is scherp, humoristisch en een open boek. Veel te scherp, veel te humoristisch en veel te open voor een Oostenrijks dorp. Ik vraag haar alles wat in me opkomt en op alle vragen antwoordt ze met een verhaal. Dan weer zingen we. Schuberts Lindenbaum en Das Wandern ist des Müllers Lust. Soms huilt Juliane. Veel vaker schatert ze.

Weinig bleef Juliane bespaard. Op haar tweede verjaardag trekken de nazi’s Oostenrijk binnen. Wanneer Juliane vijf is, wordt haar vader ingelijfd bij het Duitse leger en vertrekt hij naar het Oosten. ‘Elke avond zaten we aan tafel te bidden dat hij snel thuis zou komen. Bidden, bidden, altijd maar bidden. En niets heeft het geholpen. Mijn vader vocht in Stalingrad. Zeker weten we het niet. Waarschijnlijk is hij daar gevallen. We kregen er nooit officieel bericht van. Hij kwam simpelweg niet meer terug. Later gaf mijn moeder me brieven uit hun verkering. Ik kan ze nog steeds niet lezen, zo’n pijn deed het om op te groeien zonder vader.’ Dan wellen weer tranen. Bij Juliane ligt het hart niet op de tong. Juliane is een en al hart.

‘We haatten Hitler. We haatten de nazi’s. We haatten de Duitsers. Ze hadden mijn vader weggehaald. Maar we waren veel angstiger voor de Russen. Die kwamen in 1944. Elke vrouw werd door hen verkracht, soms door meerdere soldaten. Kroatisch Minderhof ligt op grens, we konden nergens heen. Vlak voor ons groeven de Duitsers zich in. Meteen achter ons zaten de Russen.’

Eén dag zou Juliane nooit vergeten. ‘Drie Duitse soldaten verschenen op ons erf en riepen ons naar buiten. Wij waren doodsbang maar we hadden geen keus. Ik liep achter mijn moeder aan en hield haar schort vast. Waar hij opeens vandaan kwam, weet ik niet. Plots was er een Russische soldaat met een machinegeweer. Takketakketakketak.’ Juliane maait met haar magere armen in een halve cirkel. ‘Eén salvo van die Rus en de drie Duitsers lagen dood voor ons. Alsof er niets gebeurd was, herlaadde de Rus zijn geweer en liep verder. Mijn moeder deed toen iets wat ik op dat moment niet begreep. Ze doorzocht de zakken van de dode soldaten. Alles wat ze kon vinden haalde ze er uit. Hun passen, hun foto’s en hun brieven.’ Niet veel later zou ze alles naar de families van die jongens sturen, samen met een verslag over de gebeurtenissen. Hoezeer we die Duitsers ook haatten, mijn moeder wilde niet dat die gezinnen moesten meemaken wat wij hadden meegemaakt.’

De naoorlogse jaren zijn zwaar. Juliane, haar broers en moeder leven van het landje achter hun huis. Het Rode leger plundert Oostenrijk en lijkt niet van plan om snel weer weg te gaan. De angst voor de Russen zit diep. Het gezin improviseert een schuilkelder, weggestopt in de diepe tuin. ’s Nachts trekken de vrouwen zich daarin terug. Pas in 1955 verlaten de Sovjets het land. Achter zich trekken ze het IJzeren Gordijn dicht. Meer dan dertig jaar blijft de wereld ten oosten van Kroatisch Minihof op slot. Juliane trouwt. Haar man is dakdekker. Ze krijgen drie dochters. Op haar vijfentwintigste slaat het noodlot opnieuw toe. Haar nog jonge man sterft plots aan een hartstilstand en laat haar met drie peuters achter. ‘Weer was het bittere armoede’, zeg Juliane. ‘We hadden doorlopend honger.’ Ze overleeft door zich aan boeren in de omgeving te verhuren als werkster. ‘Ik deed alles. Aardappels rooien, druiven persen en varkens slachten.’ Aan hertrouwen komt ze niet meer toe. ‘Ach, er waren toch weinig leuke mannen in het dorp.’ In augustus 1989 scheurt het IJzeren Gordijn. In Sopronkőhida, vijftien kilometer verderop, vluchtten de eerste Hongaren naar het Westen. Een paar dagen later wandelt Juliane de andere kant op. Giechelend: ‘Ik liet me verwennen door een Hongaarse kapper en ging naar een thermaalbad. Nergens zag je nog Russen. Allemaal waren ze weg. Eindelijk. Nooit was ik zo blij als toen.’

‘Het is dus niet de eerste keer dat je aan de wandel gaat’, zeg ik. Juliane schatert. ‘De mensen noemden me toen knettergek.’ Ze tikt tegen haar voorhoofd. ‘Dat zullen ze weer doen wanneer ik hun morgen vertel dat ik met jou gewandeld heb. Welke vrouw van 85 doet zoiets nu?’ Weer pakt ze mijn arm. Ik omhels Juliane en zoen haar gerimpelde wangen. Ik proef het zout van haar tranen.

Het is warm. Een halve middag zijn we nu op pad. Ik wil nog dagen met Juliane wandelen. Maar de weg daalt definitief naar Deutschkreutz. Achter de bomen doemt de kerktoren van het stadje op. We passeren Gasthof Huszar, waar ik een kamer heb gereserveerd. Ik laat het pension even voor wat het is. Liever loop ik met Juliane mee naar haar nicht. Stel dat ze niet thuis geeft, want Juliane heeft haar komst niet aangekondigd.

Erlinde is thuis en heft haar handen. ‘Himmelherrgott Juliane, ben jij helemaal hier naartoe gelopen?’ Dan serveert ze koffie en water in de tuin en nemen we afscheid. Juliane belooft me nooit meer te vergeten, ‘zo lang ik leef’, zegt ze. En ze meent het. Weer vloeien tranen. Ik wandel terug naar Gasthof Huszar. Ik mis haar nu al.


Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten