Een narratief dier

Het gaat niet om de gegevens, maar om de verhalen die we op basis daarvan construeren. Die vaardigheid maakt ons even effectief als feilbaar.

David Eagleman is een neuroloog die onderzoek doet naar onze relatie met tijd en vooral de manier waarop wij tijd beleven. Een van zijn beweringen is dat wij voortdurend in het verleden leven, niet op een nostalgische manier, maar omdat onze herinneringen een groter deel uitmaken van wie we zijn dan het nu. Misschien niet zo opzienbarend, ware het niet dat er nog een manier is waarop wij in het verleden leven.

De hoeveelheid tijd die de zintuigen nodig hebben om een signaal (beeld, geluid, geur, smaak, gevoel) door te geven aan onze hersenen is zo groot dat het verschil tussen de gebeurtenis en het moment waarop het onze hersenen bereikt eigenlijk zou moeten opvallen. Dat doet het niet omdat onze hersenen dat verschil negeren. Eagleman noemt het voorbeeld van een auto die tegen een viaduct botst. Als dat honderd meter verderop gebeurt raakt de auto de pilaar van het viaduct in stilte. Daarna pas bereikt het geluid ons. Maar we merken geen verschil in wat we waarnemen en het moment waarop het geluid bij ons is. De geest corrigeert de kleine leemte tussen beeld en geluid en laat ze samenvallen tot een logisch geheel.

In een klinische situatie is iets dergelijks waargenomen als de cortex van proefpersonen wordt geprikkeld. Het kan wel een halve seconde duren voordat de patiënt op die prikkel reageert. De onderzoeker in kwestie, Benjamin Libet, omschreef de resultaten met een conclusie waarin zijn verbijstering nog doorklinkt: ‘The implications are quite astounding. We are not conscious of the actual moment of the present. We are always a little late.’ Eagleman zegt daarover: ‘[The brain] is (…) trying to put together the best possible story about what’s going on in the world, and that takes time.’

Natuurlijk betekenen die fracties verschil tussen gebeurtenis en verwerking niet dat we ‘in het verleden leven’, maar wel dat wij een verhaal maken van de wereld. Om te kunnen begrijpen, om samenhang aan te brengen in wat chaotisch lijkt, maken we van de geschiedenis een verhaal, door gebeurtenissen te ordenen, door verband aan te brengen, door voorvallen te vergroten of te verkleinen en tijd te comprimeren of juist uit elkaar te trekken. James Joyce doet dat als hij aan 16 juli 1904 meer dan zevenhonderd pagina’s besteedt, en als Julian Barnes de wereldgeschiedenis inkookt tot pakweg driehonderd pagina’s is dat zijn manier om een verhaal te maken van de geschiedenis. Wat gebeurt op het niveau van zintuigen en cortex doet de roman met zinnen, alinea’s, scènes en hoofdstukken.

Uit de chaos van het vele en schijnbaar ­onsamenhangende scheppen we orde. Dat doen we door patroonherkenning. Dat is voor de mens een overlevingsvoorwaarde. Voor een groot, opvallend en vooral weerloos zoogdier was dat een belangrijke vaardigheid. Het zorgt ervoor dat we in staat zijn om gevaarlijke situa­ties te herkennen zonder onze reactietijd te verlengen door na te denken. Computers zijn ook goed in patroonherkenning, maar het verschil tussen ons en de computer is dat wij er meer mee doen. We maken er een verhaal van, ze worden verbonden aan emoties, oordelen en vooroor­delen en ze veranderen ons. Veel psychische problemen komen voort uit gedrag dat is gebaseerd op onbewuste en onwillekeurige reacties op patronen en die reacties leiden zelf weer tot handelings- of psychologische patronen. De verhalen die wij construeren, construeren ons.

Door het verhaal maken wij de ambiguïteit van de wereld hanteerbaar. Waar gegevens ontbreken of onduidelijk zijn, brengen wij orde en logica aan door te speculeren en te extrapoleren, de ruimte op te vullen tussen wat waargenomen en begrepen kan worden en wat circumstantial evidence en extrapolatie is. Vaak leunen we niet op logische middelen om het verhaal compleet te maken en stellen we ons tevreden met wat voor de hand liggend lijkt, wat overeenkomt met verhalen die eerder zijn verteld, met patronen die ons op welke manier dan ook zijn aangeleerd en overgeleverd. Misschien zijn daarom de complottheorie en het geloof op dezelfde manier populair: er heeft zich iets voorgedaan dat aan de hand van beschikbare gegevens niet helemaal kan worden verklaard of voor ons gevoel te groot is om te bevatten. Elke wetenschappelijke verklaring, gebaseerd op logisch redeneren en circumstantial evidence, schiet dan gevoelsmatig te kort. Ja, er was een Big Bang die de gebeurtenissen in gang zette waardoor gaswolken ontstonden waaruit sterren en planeten voortkwamen en na miljoenen jaren ontstond op een van die planeten een vorm van leven dat zich van een eencellige ontwikkelde tot het hoogontwikkelde en zeer gecompliceerde organisme dat wij zijn. Hoe wonderlijk. Hoe verschrikkelijk ingewikkeld en hoe… toevallig. Voor velen te toevallig, te wonderlijk en te ingewikkeld om niet een ander, een verborgen verhaal te vermoeden.

Hetzelfde geldt voor de vliegtuigen die op een mooie septemberdag de Twin Towers in zeilden, gekaapt door nogal onaanzienlijke jongemannen die bewapend waren met niets dan een stanleymes en een paar uur vliegles. Voor verrassend veel mensen kan dat niet het hele verhaal zijn. Het is te onwaarschijnlijk, te banaal, te eenvoudig in vergelijking met de enormiteit van de gebeurtenis.

Aan de hand van aangeleerde en over­geërfde patronen kunnen we gecompliceerde ­situaties analyseren zonder daar bewust over na te denken. Die eigenschap heeft ons tot een ­narratief dier gemaakt. Het zijn niet de data die ertoe doen, maar de verhalen die we op basis van die data construeren. Die verschaffen begrip waar gegevens onvolledig zijn. Een eigenschap die ons even effectief als feilbaar maakt.


Marcel Möring spreekt op 14 september in Confrontaties: beeldende kunst, muziek en debat in het Concertgebouw. Andere gasten zijn de New Yorkse kunstenaar Mariam Ghani, dirigent Peter Eötvös en pianiste Tomoko Mukaiyama. Een coproductie van Konink­lijk Concertgebouworkest en Stedelijk Museum