Een narratieve kreeftengang

De verhaalopbouw van Dwyer Hickeys romans is cruciaal voor haar onderwerp © Lorna Fitzsimons

De Ierse schrijver Christine Dwyer Hickey weet haar romans zo vorm te geven dat de lezer pas langzamerhand in de gaten krijgt hoe cruciaal de verhaalopbouw is voor haar onderwerp. In De laatste trein uit Ligurië slaagde ze er in dankzij een achronologische verknoping van fragmenten het Dublin van 1995 met het Italië van 1933 te verbinden. Daarnaast werkte ze het dramatische voorspel van de Tweede Wereldoorlog haar vertelling in, met als hoogtepunt het uit Italië smokkelen van een joods kind. In haar meest recente roman The Narrow Land (2019), gesitueerd op Cape Cod, is een van de personages de schilder Edward Hopper die in een creatieve crisis verkeert.

Het kille oog van de hemel, oorspronkelijk Cold Eye of Heaven geheten en in 2012 uitgeroepen tot Ierse roman van het jaar, heeft een wel zeer opvallende vorm. Het is een omgekeerde vertelling, een narratieve kreeftengang, dat wil zeggen dat het verhaal begint met het naderende einde van de 75-jarige hallucinerende hoofdpersoon Farley Grainger. In de nacht van 14 op 15 januari 2010 treft de sinds tien jaar gepensioneerde partner van Slowey & Son, Legal & Town Agents, zichzelf opeens aan in zijn eigen vervuilde badkamer, liggend voor de wc. Hij heeft een beroerte gehad en lijdt aan geheugenverlies. Dat geheugen én zijn ogen haperden al de dag ervoor, toen hij in Dublin was om voorbereidingen te treffen voor de begrafenis van zijn zakenpartner Slowey. Half gedesoriënteerd dwaalde hij door Dublin en voelde zich een vreemde in een vroeger zo vertrouwde omgeving. ‘Het is net of je een buitenlander bent. Alsof je er niet bij hoort. Alsof iedereen stiekem hoopt dat je oprot naar je eigen land, waar dat ook mag wezen.’

Een leven kan er erg lang over doen om los te komen van een fout

Als hij half verlamd voor zijn wc ligt, weet Farley niets meer van Slowey of een begrafenis. De dag ervoor kon hij zich de naam Jackie al niet meer herkennen als de naam van zijn broer… Zijn terugblik vol grote sprongen en gaten – we gaan van 2010 per tien jaar terug in de tijd, tot 1940 – draait in feite rond één grote levensfout die hij heeft gemaakt, een fout die alle andere fouten uitlokte. Daarom is het motto van Philip Larkin zo toepasselijk: een leven kan er erg lang over doen om los te komen van een fout. En die fout maakte hij bij zijn vrouw Martina, die leed aan een terminale ziekte. De nacht dat ze stierf was Farley dronken, zodat hij niet bij haar was. Na haar dood raakte hij een halfjaar de weg kwijt en verloederde en vervuilde in zijn eigen huis. Martina werkte voor een levensverzekeringsbedrijf. De 25.000 Ierse ponden die haar dood opleverde meende Farley in het bedrijf van Slowey te hebben gestopt, via een ‘herenakkoord’ met eigenaar Frank Slowey. Voortaan was hij partner, dacht hij. Als troost, een soort medicijn tegen het verlies van Martina, had hij tien jaar lang een affaire met Martina’s jongere zus, de vrouw van Frank Slowey. Enzovoort, want de fragmentarisch opgebouwde roman zit bijzonder goed in elkaar en alle details houden verband met elkaar. De bron van alle ellende, die ik hier slechts gedeeltelijk weergeef, blijft de nacht waarin zijn vrouw stierf zonder dat hij er erg in had.

Farley Grainger is zijn hele leven een buitenstaander: als hij ziek is in zijn jeugd verbergen de volwassenen een dodelijke waarheid voor hem; als hij sjouwwerk verricht in een klooster wordt hij ruw afgewezen door een jonge non; zijn overspelige vader is systematisch afwezig; hij neemt zijn dementerende moeder, die liever haar jongste zoon voortrekt, in huis en krijgt stank voor dank; het bedrijf waarvoor hij veertig jaar werkt ziet hem niet als familie, laat staan als partner. Het is geen toeval dat hij uitgerekend op de avond van zijn afscheid straalbezopen raakt, vlak nadat hij beseft belazerd te zijn. Een bestaan als rentenierende pensionado zit er niet in. In plaats daarvan vegeteert hij in een Dublinse buitenwijk en strandt in zijn eigen vervuilde badkamer, verlamd in de buurt van de stinkende wc-pot. Nog even en hij is verlost van zijn grote levensfout en weet niets meer.

Het slot van de roman sluit aan bij het begin: de levenscyclus is bijna voltooid. De witte wc-pot wordt een wit kussen, meent de malende oude man, alsof hij in het wit van de laatste pagina oplost, zoals Maarten Klein in Bernlefs Hersenschimmen. Hij hallucineert en hoort het ruisen van water. Hij denkt dat hij aan het vissen is en met de lieslaarzen van zijn vader (die vroeger zogenaamd uit vissen ging maar in werkelijkheid elders was) in het rivierwater staat. In wezen staat hij midden in de levensstroom en is hij, zoals zijn hele leven, alleen. ‘Alleen aan de oever van de rivier. Een man, een jongen, een kind, een baby, weer een man, dat alles tegelijk.’ Dát is de precieze omschrijving van Het kille oog van de hemel.

Christine Dwyer Hickey (1960) behoort in een adem genoemd te worden met Anne Enright, Lucinda Riley, Sally Rooney en de oermoeder van de Ierse literatuur: Edna O’Brien. Van hen is Dwyer Hickey de meest onderschatte.