Een nationaal-socialistisch groeiboek

In Een jaar in scherven (1988) beschrijft Koos van Zomeren de schok die hij ervoer toen hij, in de periode dat hij afstand nam van zijn verleden als maoïstische beroeps revolutionair, De SS’ers van Armando en Hans Sleutelaar las. In deze interviews met Nederlandse Oostfrontstrijders trof Van Zomeren immers steeds woorden aan die hem angstwekkend vertrouwd voorkwamen: idealisme, gemeenschap, kameraadschap, opoffering et cetera. Hij verzuchtte dan ook dat hij blij was dat ‘wij geen twintig waren in 1940’.


Bas Kromhout, De voorman: Henk Feldmeijer en de Nederlandse SS. Atlas Contact, 283 blz., € 39,95

Henk Feldmeijer was in 1940 dertig jaar, en hij had rond zijn twintigste op politiek gebied ook een radicale keuze gemaakt. Dat hij zich, als leider van de Germaanse SS in Nederland, zou ontwikkelen tot zo’n beetje de ‘foutste’ Nederlander die men zich kan voorstellen, had uiteraard veel te maken met zijn karakter, maar ook met de omstandigheden.

Feldmeijer was van eenvoudige afkomst. Zijn grootvader en vader waren onderofficier en omdat hij goed kon leren mocht hij met een beurs in Groningen wis- en natuurkunde studeren. Al spoedig kwam de sportieve, fysiek sterke en slimme Feldmeijer erachter dat hij ondanks deze eigenschappen niet meetelde in het wereldje van studenten, waar afkomst, geld en relaties veel belangrijker waren. Als hij een echte studiebol was geweest, had Feldmeijer zich natuurlijk met zijn hele ziel en zaligheid op de wetenschap kunnen storten om zich op die manier te bewijzen. Hij had echter een nogal ongedurig karakter, was een typische Draufgänger en vond de studie maar droog en abstract.

Feldmeijer koesterde grieven tegen de maatschappij, waarin ‘geldzakken’ het voor het zeggen hadden en vooral oude, gezapige mannetjes aan de touwtjes trokken, en er voor ‘de jeugd’ weinig ruimte was. Als hij niet was opgegroeid in een kleinburgerlijk, nationalistisch en militaristisch milieu, waarin vol overgave werd gescholden op ‘de roden’, was Feldmeijer misschien communist geworden. Nu werd hij gerekruteerd voor de pas opgerichte nsb en werd hij in 1932 ingeschreven als ‘stamboeknummer’ 479.

Anders dan de talrijke landgenoten die zich na de Duitse inval achter het vaandel van Mussert schaarden, was Feldmeijers keuze voor het nationaal-socialisme geen zaak van opportunisme maar van idealisme. Er vielen nog lang geen vette baantjes te vergeven en door met zijn studie te stoppen en zich fulltime voor ‘de beweging’ in te zetten werd hij een paria.

In zijn uitstekende biografie laat Bas Kromhout zien dat Feldmeijer een typische revolutio­nair was, iemand die radicaal en rücksichtslos een bepaald ideaal nastreefde. Ook binnen de nsb behoorde hij tot de radicalen en zette hij zich al spoedig af tegen de in zijn ogen te ‘burgerlijke’ en tamme Mussert. Hij wilde graag deel uitmaken van een kleine, vastberaden en volledig toegewijde elite. Vandaar dat het niet lang kon duren eer hij contact kreeg met Duitse geestverwanten, die zich daar in de SS hadden georganiseerd. De ‘volkse’, racistische en gewelddadige ideologie van Himmler en de zijnen maakte Feldmeijer zich volledig eigen, en hoewel Feldmeijer later misbruik maakte van zijn positie door zich te verrijken, was ook zijn keuze voor de SS niet ingegeven door opportunisme. Door uitgebreid te citeren uit het ‘groeiboek’ dat Feldmeijer bijhield voor zijn pasgeboren zoontje kan Kromhout aantonen dat ‘de mens’ en ‘de SS’er’ bij Feldmeijer absoluut niet te scheiden waren. Zelfs dit intieme document staat barstensvol nationaal-socialistische denkbeelden en slogans.

Door zijn radicalisme kwam Feldmeijer al voor de oorlog in conflict met Mussert, maar als begenadigd redenaar en propagandist maakte hij zich onmisbaar, zodat hij uiteindelijk leider werd van de nieuwe partijmilitie, de Mussertgarde. Tijdens de Duitse bezetting zou hieruit de Germaanse SS in Nederland worden geformeerd, waarvan Feldmeijer de ‘voorman’ werd. In de strijd tussen de nsb’ers die geloofden in de mogelijkheid van een autonoom Nederland binnen een nationaal-socialistisch Europa en degenen die streefden naar één Groot-Germaans (lees: Duits) rijk was Feldmeijer een van de fanatiekste vertegenwoordigers van het laatste kamp. De dikwijls kinderachtige ruzies die hierover werden uitgevochten worden door Kromhout minutieus beschreven. Hoewel dit niet de meest opwindende lectuur vormt, is het goed dat hieraan veel aandacht besteed wordt, aangezien zijn biograaf aantoont dat de rol die Feldmeijer speelde aanzienlijk groter was dan historici tot nog toe hebben aangenomen.

Om het goede voorbeeld te geven diende Feldmeijer tweemaal aan het front, in Griekenland en in Rusland, en na zijn terugkeer speelde hij een belangrijke rol in de nazistische terreur. Het ‘Kommando Feldmeijer’ pleegde een reeks zogenoemde _‘Silbertanne’-_moorden, waarbij onschuldige, anti-Duitse burgers werden geliquideerd als represaille voor aanslagen van het verzet. In februari 1945 kwam Feldmeijer, op weg naar het front in de Betuwe, om toen een geallieerd vliegtuig zijn auto beschoot.

Feldmeijer was een mateloos man die zich helemaal gaf en zich volledig identificeerde met de ideologie waarvoor hij gekozen had. Dat maakte hem tot een leidersfiguur die een deel van de nationaal-socialistische aanhang wist te inspireren. Tegelijkertijd was die mateloosheid ook zijn zwakte, omdat die zich ook vertaalde in een neiging tot ruziemaken en hedonisme. Feldmeijers uitspattingen ‘op genotzuchtig gebied’ bezorgden Rauter, de SS-chef in Nederland, en zelfs Himmler de nodige hoofdbrekens. Maar omdat er in Nederland weinig nazi’s waren die wat fanatisme betrof ook maar in de schaduw van Feldmeijer konden staan, kwam hij er steeds mee weg.