Een nederlands accent

De Duits-joodse schrijver/psychoanalyticus Hans Keilson werd in december 85 jaar. In 1936 vluchtte hij naar Amsterdam. Hij nam tijdens de oorlog deel aan het verzet en deed daarna onderzoek naar het lot van oorlogswezen. Een gesprek met een ervaren Europese intellectueel.

‘IK ZAL VANAVOND niet al te veel psychoanalytische begrippen gebruiken. Er wordt tegenwoordig zo makkelijk met freudiaans jargon gesmeten.’ Hans Keilson spreekt in Hamburg voor een gehoor van psychoanalytici en kinderartsen - zijn collega’s. Taal is belangrijk voor hem. Hij is immers ook schrijver en dichter. 'Hoe verbindt u het arts-zijn met het schrijven en dichten?’ wordt hem vaak gevraagd. 'Dat zou ik ook wel eens willen weten’, zegt hij dan lachend, en daarmee is het probleem voor hem afgedaan.
Keilson vertelt zijn collega’s in Hamburg het verhaal van Esra en wat hij ervan heeft geleerd. De twaalfjarige Esra was het eerste kind dat Keilson in november 1945 onderzocht. Het was net teruggekeerd uit een concentratiekamp. Esra had in Bergen-Belsen zijn ouders en vijf broers en zusters verloren. Keilson vroeg hem voorzichtig naar zijn belevenissen in het kamp. Als antwoord liet Esra alleen het hoofd zakken. De arts weet nu dat hij die vraag toen niet had moeten stellen - nog niet. Hij was immers ook zelf nog niet in staat te bevatten wat er in de kampen was gebeurd. Hij citeert uit een essay van Max Liebermann over Claude Monet: 'De artistieke waarheid berust niet op de zo precies en getrouw mogelijke objectieve weergave van de natuur, maar op de subjectieve weergave van de indruk van de natuur.’ Wat voor de kunstenaar geldt, geldt ook voor de therapeut: hij moet zich eerst een eigen beeld kunnen vormen van het trauma, voor hij kan beginnen de patient te begrijpen.
De psychotherapeut verschilt echter op een belangrijk punt van de kunstenaar. Dat verschil, zo betoogt Keilson, ligt in de 'ononderbroken reflectie en de voortdurende onderlinge controle door middel van supervisies, of laten we zeggen “intervisies”, en publikaties waarin we ons werk aan rationele kritiek blootstellen’. Bij het woord 'supervisie’ kijkt Keilson even op van zijn papier: 'Let wel, dames en heren: inter-visie.’ En hij laat het woord enkele seconden in de volle zaal hangen alvorens zijn verhaal te vervolgen.
Hier spreekt de arts en kunstenaar, en de ervaren Europese intellectueel. In zijn Duits komen af en toe 'neerlandismen’ voor, en de 'l’ en de 'n’ spreekt hij haast op z'n Nederlands uit. Alleen wie beide talen kent, merkt het op. Het is kenmerkend voor het leven van Hans Keilson.
KEILSON werd op 12 december 1909 in Bad Freienwalde aan de Oder geboren. Zijn joodse ouders waren kleine zelfstandigen. Zij behoorden tot de liberale, 'geassimileerde’ joden, een destijds nog niet voluit geaccepteerd verschijnsel. Dat ervoer Hans Keilson al op jonge leeftijd. Zijn ouders hadden er geen bezwaar tegen dat hij meezong in het koor van een nabij gelegen protestantse kerk. Maar toen er een nieuwe koorleider kwam werden hij en twee andere joodse kinderen weggezonden. Later, toen hij op school het gedicht 'Die Weber’ van Heinrich Heine voordroeg, vonden zijn klasgenoten en de leraren dat dat 'nestbevuiling’ was: 'Deutschland, wir weben dein Leichentuch,/ wir weben hinein den ewigen Fluch.’ Twee jaar lang praatte niemand meer met hem.
Na zijn middelbare school ging Keilson in Berlijn medicijnen en sport studeren. Als student verdiende hij geld door in cafes en op feesten viool en trompet te spelen. Daarnaast schreef hij zijn eerste roman, Das Leben geht weiter. Het vertelt het verhaal van zijn ouders, van de neergang van een joodse winkelier in de tijd van de Weimarrepubliek. Begin 1933 rolde het boek, uitgegeven door S. Fischer, van de drukpersen; in het zelfde jaar deed Keilson zijn artsenexamen. Kort daarna werd het boek verboden en verbrand - Keilson bleek de laatste joodse auteur te zijn die voor de oorlog bij de gerenommeerde uitgever debuteerde. En arts mocht hij alleen nog maar voor joodse patienten zijn. Hij werd toen leraar sport op joodse scholen in Berlijn.
Tot 1936 bleef Keilson in de Duitse hoofdstad. Hij weet niet meer goed waarom hij niet al eerder alles in het werk stelde om te vertrekken. Zijn levensgezellin Gertrud Manz - een grafologe, die bij het zien van het handschrift van Hitler, zonder te weten dat het van hem was, meteen had uitgeroepen: 'Die steekt de wereld in brand’ - moest hem overhalen Duitsland te verlaten. 'Waarschijnlijk’, zegt hij nu, 'heb ik toen niet willen geloven dat het zo erg zou worden. Velen dachten dat het nazibewind maar enkele maanden zou duren. Misschien heb ik aan Buchners Danton gedacht. Op het moment dat Danton de kerkers van Luxembourg wordt binnengebracht, zijn de andere gevangenen verbaasd. Buchner laat Danton daarop zeggen: “Ik dacht dat ze het niet zouden durven.”’
HET LAND VAN Keilsons ballingschap werd Nederland. 'Ik heb geen moeite gedaan, om verder weg te gaan.’ Zijn eerste tijd in Amsterdam staat beschreven in het gedicht 'Amsterdammer Lied’ uit 1937:
Zu Amsterdam im vierten Stock mit einer Laus im Haar, da lebten wir, mein Schatz und ich, dreiviertel und ein Jahr.
Wir liebten uns am Schwanenteich des Nachts im Vondelpark. Der Himmel glanzte: Leuchtmetall, die Erde roch so stark.
Die Freiheit sa uns im Genick, zuvor die Polizei. In Amsterdam war es noch kalt im Tulpenmonat Mai.
Weit draussen rauscht das grosse Meer bei Zandvoort und Zaandam. Doch dahinaus gelangt nur, wer es auch bezahlen kann.
Es lebt sich in der schonsten Stadt selbst mit der liebsten Frau, wenn man dort keine Arbeit hat, am Ende ungenau.
Denn wenn du nichts zum Beissen hast, sei’s auch in Amsterdam, dann nutzt dir nichts das IJsselmeer, Marken und Volendam.
Kind, pack die Koffer wieder ein! Zu Ende ist die Jagd. Noch einmal uber'n Rembrandtplein, dann schmeiss dich in die Gracht.
'Dat geeft aan hoe het was’, zegt Keilson nu. Hij wordt weer helemaal enthousiast over Amsterdam. 'Amsterdam had een mythische klank. De a’s in de naam, de geschiedenis, het beeld van die stad, van de joden in die stad. Ik heb dat nog steeds wanneer ik het station uit loop: een open stad, een overweldigend gevoel.’
Voelde u zich er dan geen vreemdeling?
'Ik was er een vreemdeling. Maar het gevoel vreemdeling te zijn was niet hetzelfde als afgewezen zijn. We kregen heel gauw contact, bijvoorbeeld met een arts uit Bussum, die tot op heden mijn beste vriend is.’
Keilson hield zich nauwelijks op in kringen van emigranten. Hij wilde Nederlands leren. En dat deed hij vooral aan de hand van de voetbalreportages van Han Hollander. Hij is vol lof over de Nederlanders die hij toen ontmoette. Maar tijdens een bijeenkomst in Leipzig, waar hij een tentoonstelling over Duitse Exilliteratur in Nederland opende, wijst Gerda Meijering hem er op dat Nederlanders toen ook geen heiligen waren. 'Tien procent van de Nederlanders was NSB'er, collaborateur, verrader…’ Later zegt Keilson tegen mij dat zij gelijk heeft, 'maar zij kan het zeggen, ik niet’. En hij voegt er relativerend aan toe: 'Als je Durkheim kent, weet je dat elke normale maatschappij misdadigers kent. In dit opzicht is Nederland een heel normaal land.’
Toch, zo vervolgt hij, is er een wezenlijk verschil tussen de Duitse en de Nederlandse maatschappij: 'In de geschiedenis van Nederland komen geen door de overheid geprovoceerde pogroms voor. En er is geen antisemitisme, er zijn slechts vooroordelen.’
Op mijn vraag of hij een verklaring voor dat verschil heeft, noemt hij twee dingen die wellicht kunnen helpen het te verklaren, het water en de handel: 'Een Hollands gezegde luidt: “Wie ’t water deert, die ’t water keert”. Het water was voor Nederland altijd een welhaast kosmische bedreiging, geen maatschappelijke dreiging maar een dreiging van buitanaf.’ De Duitsers, zo legt hij uit, hebben daarentegen hun dreigingen altijd in eigen huis gezocht en hun identiteit verworven door zich daartegen te verweren.
Over het tweede punt van verschil zegt hij: 'Het prototype van de Duitser was altijd de militair, dat van de Nederlander de handelaar. De handelaar in Duitsland was de jood. Het Duitse Rijk van 1871 was een militaire staat en een agrarische staat, waar de adel en de militairen het voor het zeggen hadden. In Nederland hebben de adel en de militairen die rol nooit vervuld, daar waren het de burgers, de handelaars, die de toon zetten. En een handelaar slaat zijn tegenstander niet dood. Hij concurreert slechts met hem.’
Maar heeft die mercantiele relatie niet ook andere kanten: de markt als de plaats waar de sterkere zegeviert over de zwakkere? Keilson laat zich niet van de wijs brengen. 'Ik hoorde eens het verhaal van een jongeman die een zaak had. Er kwam een joodse concurrent die hem van de markt verdrong. De jongeman ging naar zijn vader en klaagde: “Die jood heeft mij in moeilijkheden gebracht.” Toen zei de vader: “Dan was hij dus slimmer dan jij.” Dat bedoel ik nou.’
TIJDENS DE DUITSE bezetting van Nederland dook Keilson onder, eerst in de Rekkense Inrichtingen, later in Delft. Hij was voorzien van papieren op de naam van dr. Van der Linde, waardoor hij als arts en koerier voor de verzetsgroep 'Vrije Groepen Amsterdam’ kon werken. Zijn onderduikervaringen bij de familie Riemtsma in Delft vormen de achtergrond van zijn tweede roman, Komedie in mineur, een verhaal waarin hij er blijk van geeft zich goed te hebben ingeleefd in de situatie van zijn gastheer en -vrouw.
In die tijd begon hij ook aan zijn derde boek, In de ban van de tegenstander, zijn moeilijkste en meest controversiele werk. Ter introductie van de Duitse heruitgave in 1989 (het boek werd voor het eerst in 1959 uitgebracht) schrijft uitgeverij Fischer: 'De parabel van de elanden is zo gedurfd dat ze alleen geschreven kon worden door een jood die door de nazi’s werd verdreven.’ Het verhaal gaat over keizer WillemII, die van de Russische tsaar een kudde elanden cadeau krijgt. Hij geeft de dieren alle aandacht en de beste natuurlijke omgeving om in te leven. Toch gaan zij na verloop van tijd een voor een dood. Er wordt een onderzoek ingesteld. Uiteindelijk blijkt dat het hun aan niets ontbreekt, behalve aan de wolven, hun natuurlijke vijanden. De verteller zegt: 'Je vindt het misschien belachelijk wat ik nu ga zeggen. Beschouw het voor mijn part als de bekentenis van een krankzinnige. Maar ik heb het leven zo lief, dat ik het zelfs in mijn tegenstander nog ontdek en van bewondering geen raad weet met mijzelf, als ik zie dat ook hij deel heeft aan een scheppingsdaad, tot welker vernietiging hij nu misschien is uitgerukt. Geloof me, hij zelf kan het niet begrijpen.’
Birgit Erdle noemt het boek in haar Kritisches Lexikon der deutschen Gegenwartsliteratur 'een vertwijfelde poging om de scheur die door de wereld loopt op te sporen. (…) De ik- figuur is uit op het accepteren van het conflict, van de tegenstellingen en scheuringen, van de “condition humaine”, niet op het ontkennen of gladstrijken ervan door zich over te geven aan harmoniserende heilsverwachtingen van religieuze, wereldbeschouwelijke of politieke aard.’
In de ban van de tegenstander werd in Duitsland overigens nauwelijks opgemerkt. In de Verenigde Staten haalde het boek in 1962 de top-tien van Time Magazine, en in Israel verschenen vernietigende kritieken.
ONDERTUSSEN WERKTE Keilson onverdroten verder aan zijn wetenschappelijke oeuvre. Zijn belangrijkste publikatie op dat gebied verscheen in 1979, toen hij zeventig jaar oud was: Sequentielle Traumatisierung bei Kindern, een inmiddels ook het Engels vertaald verslag van een follow up-onderzoek naar het lot van joodse oorlogswezen in Nederland. Het omvangrijke werk kwam tot stand met medewerking van de Amsterdamse psycholoog Herman R. Sarphatie, en in de laatste fase kreeg hij ook hulp van de mathematicus Arnold Goedhart. Het is een van de weinige onderzoeken naar kinderen op het moment dat ze nog maar net waren teruggekeerd uit de concentratiekampen waar ze hun ouders hadden zien sterven, of waren achtergebleven op onderduikadressen, terwijl hun ouders naar Auschwitz of andere concentratiekampen waren gedeporteerd. Diezelfde kinderen werden vijfentwintig jaar later opnieuw onderzocht. Keilson heeft uit zijn bevindingen geconcludeerd dat niet alleen het eerste trauma aandacht verdient, maar dat voor de kinderen ook de daarop volgende opvang een traumatisch gebeuren is geweest dat verreikende consequenties heeft gehad voor de latere ontwikkeling. De resultaten van Keilsons onderzoek hebben een belangrijke invloed gekregen op de rechtsspraak inzake schadevergoeding, en niet alleen in Nederland.
Esra, de jongen die uit Bergen-Belsen was teruggekeerd, kon pas vijf jaar later vertellen wat hij had beleefd: op een morgen in het kamp had hij zijn moeder dood naast zich zien liggen. De volwassen Esra leeft inmiddels in Israel, is getrouwd en heeft twee kinderen. In 1969, toen Keilson voor het laatst met hem sprak, bleek dat hij nog altijd moeite had de dood van zijn ouders in het kamp te accepteren. De extra zoen voor zijn kinderen wanneer zij gaan slapen, geeft hij plaatsvervangend voor de grootouders.
Het blijkt dat de psychotherapie in zoverre effect heeft gehad dat Esra bij iedere opdoemende crisis tijdig therapeutische hulp ging zoeken. Keilson: 'Dat is misschien het beste wat we konden bereiken. We moeten als therapeuten bescheiden leren zijn. Het zou van grootheidswaan getuigen om te denken dat we de gevolgen van een zwaar trauma kunnen genezen. Het enige wat we kunnen doen, is de mensen helpen hun verwondingen te dragen en te integreren in hun leven op een dusdanige manier dat voor hen het leven nog waard is te worden geleefd.’
Keilsons werk verscheen voornamelijk bij S. Fischer Verlag en wordt daar tot op de dag van vandaag herdrukt. Nederlandse vertalingen van zijn romans zijn niet meer in de handel.