Indonesië 75 jaar onafhankelijk

Een Nederlands onderonsje

Volgende week bezoekt het koninklijk paar Indonesië. Maar op 17 augustus, als Indonesië 75 jaar onafhankelijkheid viert, is Nederland er niet bij. Een gemiste kans.

22 augustus 1995. Koningin Beatrix in het ‘Miniatuurpark van het mooie Indonesië’in Jakarta tijdens een staatsbezoek. © Enny Nuraheni / Reuters / ANP

‘Het verheugt mij zo heel erg dat er tussen Nederland en Indonesië geen conflictpunt meer bestaat’, zei Sukarno tijdens een televisie-interview in het Nederlands na de Nieuw-Guinea-crisis in de jaren zestig. ‘Wat zou het mooi zijn als prinses Beatrix hier eens was, als staatsgast!’ riep de eerste president van de Republiek Indonesië uit.

Het duurde dertig jaar voordat dat gebeurde, in 1995, toen Beatrix inmiddels koningin was en Sukarno al lang en breed was opgevolgd door Suharto. Het bezoek werd een van de meest pijnlijke momenten in de Nederlands-Indonesische naoorlogse betrekkingen. Hoewel de koningin expliciet was uitgenodigd om op 17 augustus de viering van het vijftigjarige bestaan van de Republiek Indonesië bij te wonen, arriveerde ze een paar dagen later. Den Haag wilde vooral de Nederlandse veteranen niet voor het hoofd stoten. De sfeer verslechterde verder toen de koningin haar gastheer aansprak op de slechte mensenrechtensituatie in het land, terwijl ze de Nederlandse misdaden die door de eeuwen heen in Indonesië waren begaan onbenoemd liet. Het was nog eens extra precair omdat Indonesië de ontwikkelingssamenwerking met Nederland een paar jaar daarvoor had opgezegd, nadat toenmalig minister Jan Pronk ontwikkelingsgeld had gekoppeld aan de mensenrechtensituatie, wat Indonesië als neokoloniaal had opgevat.

Dit jaar viert Indonesië op 17 augustus 75 jaar onafhankelijkheid. Het is een uitgelezen kans om nu goed te doen wat toen misging. En het zou een impliciete erkenning kunnen zijn van het feit dat Nederland een paar maanden na zijn eigen bevrijding op 5 mei 1945 geen oorlog tegen het net door Sukarno onafhankelijk verklaarde Indonesië had moeten beginnen. Maar koning Willem-Alexander neemt geen deel aan de viering in augustus. Hij stuurt dan zijn jaarlijkse felicitatietelegram naar Indonesië, zo liet een woordvoerder van het ministerie van Binnenlandse Zaken weten. De Indonesische ambassade in Den Haag gaf geen reactie op de vraag of de koning welkom was geweest. Wel bezoekt het koningspaar het land deze maand met een begeleidende handelsmissie.

Een bezoek van de koning aan de onafhankelijkheidsviering kan ‘gevoelig’ liggen, zei VU-hoogleraar Fridus Steijlen recent in dagblad Trouw. De koning zou het staatsbezoek met het ontwijken van de cruciale datum daarom van een ‘politieke lading’ ontdoen. ‘Dit staatsbezoek richt zich op de toekomst.’ Een boodschap die kort daarop in de Volkskrant werd herhaald door kitlv-directeur Gert Oostindie. De nos meldde vervolgens dat ook een excuus tijdens het staatsbezoek niet valt te verwachten, omdat de Nederlandse staat eerst de resultaten van een historisch onderzoek wil afwachten.

Het is een reflex die symbolisch is geworden voor de Nederlandse wens om het koloniale verleden in Indonesië maar vooral op formalistische wijze te willen afhechten. Het boek over de Tweede Wereldoorlog mag nooit worden dichtgeslagen, ‘opdat we nooit zullen vergeten’, maar het ongemakkelijke hoofdstuk over het koloniale verleden mag nu eindelijk weleens worden afgesloten. Gevoeligheden dienen daarbij zoveel mogelijk vermeden te worden.

Komen we daarmee ook verder? Werkelijke interesse in Indonesische ervaringen of zienswijzen dringt niet door op nationaal niveau – noch bij de overheid noch in het publieke debat – en zo blijft de discussie over het koloniale verleden vooral een Nederlands onderonsje.

De gevoeligheden uit het koloniale verleden zijn talrijk en niet te vermijden. Dat komt bijvoorbeeld naar voren in de rechtszaken die Indonesische nabestaanden tegen de Nederlandse staat aanspannen. Ook strijdt de Indische gemeenschap nog steeds voor onbetaald loon met betrekking tot werkzaamheden gedaan tijdens de Tweede Wereldoorlog in Azië, en vond recent nog een rechtszaak plaats inzake de Molukse treinkaping. En er is de kritische discussie rond het onderzoek Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950 van het Niod, het kitlv en het nimh. De erkenning van de Indonesische onafhankelijkheidsdatum is een voorbeeld van een gevoeligheid die met een formalistische aanpak van de Nederlandse staat is afgedaan, zonder Indonesië daarin echt te kennen.

President Sukarno en vicepresident Mohammed Hatta riepen op 17 augustus 1945 de Indonesische onafhankelijkheid uit. Nederland erkende de onafhankelijkheid niet en het liep uit op een bijna vijf jaar durende onafhankelijkheidsoorlog. Formeel gezien geldt in Nederland de lezing dat Indonesië pas onafhankelijk werd toen Nederland de soevereiniteit aan Indonesië overdroeg op 27 december 1949. Maar voor de Indonesiërs is 17 augustus het begin van een nieuwe natie, van hoop en verandering. Voor de Indische gemeenschap in Nederland herinnert de datum aan de Bersiap, de gewelddadige periode die direct na de onafhankelijkheidsverklaring uitbrak waarin duizenden (Indische) Nederlanders, Chinezen, Ambonezen en aan Nederland loyale Indonesiërs om het leven kwamen. ‘De kwesties van schuld en van verlies spelen in Nederland daarom nog een rol’, stelt Yvonne van Genugten, directeur van het Indisch Herinneringscentrum in Den Haag. In Indonesië ligt een bezoek van een Nederlandse koning op 17 augustus een stuk minder gevoelig, zegt de in Nederland woonachtige journalist Aboeprijadi Santoso. ‘Dat is een Nederlands probleem. In Indonesië is men niet zo bezig met kwesties rond schuld.’

In 2005 erkende toenmalig minister Ben Bot de datum van 17 augustus 1945 wel ‘politiek-moreel’. Hij sprak de woorden uit dat Nederland ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ had gestaan. ‘Dat vonden wij toen iets verfrissends, iets nieuws’, zegt Santoso. ‘Maar bij nader inzien was het geen echte erkenning.’ De soevereiniteitsoverdracht in 1949 bleef in Nederland als formele onafhankelijkheidsdatum gelden en excuses werden niet gemaakt.

‘Voor veel Indonesiërs is een excuus van Nederland vooral een waardige erkenning van de strijd’

Vijf Indonesische nabestaanden van slachtoffers van Nederlands geweld hebben zich recent in een brief aan de koning expliciet uitgesproken tegen zijn komst naar Indonesië deze maand zolang Nederland geen excuses maakt en de Indonesische onafhankelijkheidsdatum niet in juridische zin erkent. Een juridische erkenning en excuses is voor beide regeringen complex, zegt Santoso, maar blijkens een interview dat Ben Bot recent in het Algemeen Dagblad gaf zag hij zijn uitspraak als ‘een punt’ dat hij ergens achter had gezet. Hij deed in het interview de uitspraak dat ‘de Indonesiërs’ ‘geen excuses’ van Nederland willen en graag vooruitkijken.

Santoso ziet dat anders. ‘Voor veel Indonesiërs is een excuus niet alleen morele genoegdoening, maar in relatie tot 17 augustus 1945 vooral een waardige erkenning van de strijd.’

Symboliek, een geste van de koning uitgedrukt in een bezoek op 17 augustus, had een belangrijke vorm van erkenning kunnen zijn, vindt ook Santoso. ‘Het zou betekenen dat Indonesië door Nederland gelijk wordt getrokken met andere landen. Nu blijven we toch nog in koloniale verhoudingen steken.’ Van Genugten zegt daarover: ‘Een groot deel van de Indische gemeenschap, en die hoor je veel minder in de media, had het kunnen waarderen als de koning bij de viering aanwezig zou zijn geweest.’

Dat de Nederlandse overheid helemaal niet open staat voor ruimhartige gestes die een erkenning uitdrukken van het historisch onrecht in Indonesië, wordt onderstreept door de juridische afhandeling van individuele rechtszaken die het Comité Nederlandse Ereschulden (kukb) van Jeffry Pondaag samen met advocate Liesbeth Zegveld namens Indonesische nabestaanden tegen de staat aanspant. Dat gebeurde voor het eerst in 2011, met de baanbrekende uitspraak in het voordeel van Indonesische nabestaanden in de zaak rond Rawagede, het West-Javaanse dorp waar in 1947 honderden burgers werden doodgeschoten. De staat maakte excuses aan negen weduwen en betaalde ieder een compensatie van twintigduizend euro. Voormalig minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders bezocht de graven in Rawagede. Daarna volgden er meer zaken die in het voordeel van de nabestaanden uitpakten, maar tot een algemeen excuus of een groots gebaar kwam het in Nederland tot op heden niet. Er wordt alleen per casus schuld vastgesteld in een rechtbank. Ter vergelijking: premier Mark Rutte bood onlangs excuses aan voor de Nederlandse verantwoordelijkheid bij het wegvoeren van joodse Nederlanders tijdens de Holocaust in de Tweede Wereldoorlog. Hoogleraar Peter Romijn, hoofd onderzoek bij het Niod, stelde naar aanleiding van de excuses van Rutte in Het Parool terecht: ‘Uiteindelijk zijn er meer dan honderdduizend mensen vermoord. Daar hoor je je als overheid rekenschap van te geven.’

De Nederlandse staat schuift het koloniale ongemak inzake Indonesië dus af op juristen, die geen duimbreed toegeven en zich op verjaring beroepen. Afgelopen zomer tijdens een zitting in de rechtbank in Den Haag bediende de staat zich van een kruideniersmentaliteit toen het stelde dat er destijds in de casus Rawagede was toegezegd dat het om een uitzondering zou gaan en dat er geen talloze claims op zouden volgen, en dat de claims toch maar blijven komen. In het bijzijn van twee nabestaanden van slachtoffers van het tussen december 1946 en maart 1947 door Nederlanders aangerichte bloedbad op Zuid-Sulawesi, mevrouw Talle en de heer Andi Monji, die op kosten van de kukb aanwezig waren, leek de boodschap dat het nu maar eens afgelopen moest zijn met dat gezeur van weduwen en nabestaanden uit Indonesië. ‘En het einde is nog niet in zicht’, verzuchtte de advocaat van de staat.

De staat tekende tijdens de zitting zelfs hoger beroep aan tegen de zaak van de door de rechter in het gelijk gestelde – en inmiddels overleden – heer Yaseman die in 1947 in een gevangenis op Oost-Java was gemarteld. Het is een uiterst pijnlijk gebaar: de casus-Yaseman is de enige zaak van marteling die tot nu toe in Nederland voor een rechter kwam, alsof het om een uitzondering gaat. Nog eens ter vergelijking: in Groot-Brittannië dienden recent meer dan veertigduizend Keniaanse slachtoffers van martelingen tijdens de Mau Mau-oorlog (1952-1960) een gezamenlijke claim in. Hoewel compensatie voor deze claim vooralsnog afketste, betuigde Groot-Brittannië in 2013 wel op nationaal niveau spijt na een eerdere succesvolle rechtszaak van meer dan vijfduizend Keniaanse slachtoffers en betaalde bijna twintig miljoen pond uit. In Frankrijk sloot president Emmanuel Macron compensatie uit voor de martelpraktijken tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog (1954-1962), maar hij erkende ze tenminste wel.

Een van de pijnlijke consequenties van de individuele juridische afhandeling van morele problemen is dat weinig waarde wordt gehecht aan de bewijslast in de vorm van Indonesische getuigenissen. In een vertoonde video, door een zelfstandige onderzoeker vervaardigd, vertelde de heer Yaseman hoe hij in een gevangenis in Oost-Java werd gemarteld. Maar Indonesische getuigenverklaringen zijn voor de staat alleen betrouwbaar als ze nauwkeurig corresponderen met Nederlandse rapporten die voor waar worden aangenomen. Zoals historica Tineke Bennema in deVolkskrant opmerkte, werd bijna letterlijk gesteld dat ‘hun woord, in persoon gebracht, minder weegt dan archiefdocumenten’. Dat deze rapporten door ‘daders’ werden opgesteld die baat hadden bij een vage weergave van gebeurtenissen, vergeet de staat voor het gemak. Het relaas van de slachtoffers is daarentegen verdacht. Je zou het bijna een koloniale omgang met historische bronnen kunnen noemen.

Bovendien zet deze strikt technisch-juridische aanpak Indonesiërs buitenspel in het Nederlandse rechtssysteem. Een duidelijk voorbeeld is de recente zaak over het dorp Lisu in Zuid-Sulawesi, waarin Nederlandse soldaten de Indonesiër Iabu dwongen tot een tweegevecht met een andere Indonesiër. Iabu werd gedood en zijn zoon eist nu compensatie. Hoewel de staat erkent dat het leger in Lisu 47 personen standrechtelijk executeerde, dat de naam van één van die slachtoffers, ‘Iabu’, op het dorpsmonument staat vermeld, en de staat ook inziet dat het historische bronmateriaal de claim van Iabu’s zoon voldoende verifieert, betwijfelt de staat of het wel om dezelfde Iabu gaat. In later opgestelde documenten staat de naam namelijk anders geschreven dan op het monument. Dat heet ‘spijkers zoeken op laag water’, zo stelt Brechtje Vossenberg, de advocaat van Iabu’s zoon, in haar pleitaantekening. ‘Als je dan nog niet wilt aanvaarden dat hier sprake is van een tikfout, is het omdat je bewust het geheel aan bewijsmateriaal niet in onderling verband wil zien’, aldus Vossenberg. >

Afronding van het verleden door een formalistische benadering van een onafhankelijkheidsdatum en door individuele vaststelling van schuld middels rigide rechtsregels duidt niet op veel enthousiasme voor een gezamenlijke toekomst. Het ontkennen van een moreel probleem, dat aan de houding van de staat ten grondslag ligt, is in lijn met het jarenlang politiek wegkijken van het koloniale verleden in Indonesië. De staat lijkt nu volgens de laatste berichtgeving van de nos zelfs het door hem gefinancierde historische onderzoek naar gepleegd geweld in Indonesië als politiek argument op te willen voeren om vooralsnog geen excuses te hoeven maken. Historisch onderzoek wordt onterecht gepolitiseerd en als vertraging ingezet. De gebeurtenissen in Indonesië zijn historisch voldoende vastgesteld om ruimhartigheid richting de toekomst te rechtvaardigen, en in relatie tot excuses niet te reduceren tot de periode 1945-1950. Zo beschreef Piet Hagen in Koloniale oorlogen in Indonesië (2018) meer dan vijfhonderd gewelddadige confrontaties in bijna vijf eeuwen tijd, waarbij ongeveer vier miljoen Indonesische doden zijn gemaakt.

Zit Indonesië nog wel te wachten op een Nederlandse koning tijdens de 75-jarige vrijheidsviering?

Als presidentskandidaat noemde Macron de 132 jaar durende Franse bezetting tijdens een bezoek aan Algerije ‘een misdaad tegen de menselijkheid’. Al moest hij zijn woorden later afzwakken, het laat wel zien hoe er zonder voorafgaand historisch onderzoek een betekenisvolle geste kan worden gemaakt.

De nadruk op het willen sluiten van een boek heeft ook zijn weerslag op het maatschappelijke debat. Het heeft heel lang geduurd voordat op nationaal niveau de erkenning kwam voor het feit dat het Nederlandse geweld niet slechts exceptioneel was, of dat het niet minder structureel was dan dat van andere koloniale machten. De Amerikaanse historica Jennifer Foray kwalificeert de Nederlandse benadering als ‘ja, maar’-denken: ja, we weten dat ons kolonialisme slecht was, maar andere imperiale machten waren veel erger. Het debat werd daardoor lang gekarakteriseerd door oprispingen van geweldsincidenten die dan weer wegebden, zoals de getuigenis van Joop Hueting in 1969 of de foto van geëxecuteerde Indonesiërs in de Volkskrant in 2012. Nederlandse discussies over schuld, excuses, daders en slachtoffers staan centraal.

Historicus Rémy Limpach doorbrak met zijn boek De brandende kampongs van generaal Spoor (2016) het geaccepteerde idee van uitzonderlijke ‘incidenten’ met de conclusie dat het Nederlandse optreden structureel gewelddadig was. Toch blijft de publieke aandacht in Nederland vooral liggen bij het verhaal van de uitgezonden Nederlandse militair, waarin de Indonesiërs slechts als decor figureren.

Dat was goed te zien in de npo/vara-serie van Coen Verbraak Onze jongens op Java. Onze jongens die in onze kolonie ‘rust en orde’ kwamen brengen. Hoewel Verbraaks format van de individuele beleving sterk is, voorziet de documentaire de stereotypering van de Indonesische strijd nauwelijks van context. Daardoor lijkt het frame van ‘rust en orde’, waaraan de meeste veteranen die aan het woord komen refereren, rechtstreeks uit de propagandakoker van 1945 te komen, waarin de onafhankelijkheidsproclamatie van Sukarno en Hatta niets voorstelde en Nederland de plicht had om het gezag in zijn kolonie te herstellen.

Zo vertelt veteraan Jansen over een stad met vijandige kampongs eromheen en duidt de voice-over dat de vrijheidsstrijd zomaar ontbrandde, met een ‘explosie van geweld’, nadat Sukarno Indonesië onafhankelijk verklaarde. De revolutie wordt losgekoppeld van driehonderd jaar Nederlandse onderdrukking en verzet daartegen, zoals de politieke strijd door Indonesische nationalisten. ‘Die Japanners hebben erg veel verpest, hoor’, voegt veteraan Bruijn toe, want die gaven de Indonesiërs ‘een soort militaire training’. De Japanners militariseerden de Indonesische jeugd, maar de ideeën over vrijheid bestonden al lang en los van de Japanners. Oud-minister Ruslan Abdulgani zei, in het Nederlands, in de prijzenswaardige documentaire Indonesia Merdeka van Roelof Kiers uit 1976 dat het nationalisme in de jaren dertig werd aangewakkerd door het verbod om dat sentiment uit te mogen dragen. De Nederlandse vrijheidsstrijd tegen Spanje en het Wilhelmus waren voor hen inspiratiebronnen voor hun eigen vrijheidsstrijd: ‘Verdrijven wie ons hart verwondt, wij voelden dat aan als iets tegen kolonialisme door de Nederlanders. Waarom zouden wij het kolonialisme niet mogen verdrijven?’

Een bredere context ontbreekt in Verbraaks documentaire, waardoor de schijn kan worden gewekt dat de Republiek Indonesië niet bestond, dat de Indonesiërs slechts ‘terroristen’ waren of hulpeloze slachtoffers die door Nederland gered moesten worden. Onderbelicht blijft dat de Indonesische diplomaten de Republiek internationaal gestalte gaven in de Verenigde Naties en dat net zelf onafhankelijk geworden staten zoals India en Pakistan wel officiële diplomatieke betrekkingen met de Republiek aangingen. Oud-generaal Simaputang beschrijft in Indonesia Merdeka hoe de proclamatie voor massa’s mensen een ontroerend moment was. De Indonesiërs vormden weliswaar geen eenheid, maar zoals de historicus Ethan Mark ook schrijft in zijn Japan’s Occupation of Java in the Second World War (2018) wilde vrijwel iedereen van de Nederlanders af. Zo vertelt baboe Alima in de documentaire Ze noemen me baboe van Sandra Beerends (2019) dat de komst van de Japanners Indonesiërs deed dromen van onafhankelijkheid. ‘Alsof een koffer is geopend met weggestopt verdriet en onderdrukte gedachten.’ Hoewel de Japanse bezetting leed bracht, voelde de vertelster dat zij ‘onderdeel kon zijn van iets groots’.

Zolang we het Indonesische perspectief niet bij het debat betrekken blijven de Indonesische dimensies van hoop, verzet en verlangen naar vrijheid verborgen en blijven wij gefixeerd op het afronden van ons koloniale verleden zonder dat we begrijpen waar dat verleden voor Indonesië over ging. En het Indonesische perspectief is geen optionele toevoeging of interpretatie, maar een gelijkwaardige invalshoek die nodig is om te begrijpen waar koloniale onderdrukking en dekolonisatie echt over gingen. Pramoedya Ananta Toers bestseller Aarde der mensen uit 1980, waarvan de verfilming deze maand naar Nederland komt (CinemAsia Film Festival), laat dat zien. Toer beschrijft hoe de Javaan Minke en zijn Euraziatische vrouw Annelies aan het eind van de Nederlandse overheersing tevergeefs vechten tegen het racistische Nederlandse rechtssysteem dat hun huwelijk niet erkent.

Het is de vraag of Indonesië nog zit te wachten op een Nederlandse koning tijdens de 75-jarige vrijheidsviering. De Nederlandse staat laat in zijn gehele houding ten opzichte van het koloniale verleden in Indonesië zien de betekenis ervan nog steeds niet te begrijpen en de kwestie vooral formeel te willen afsluiten. Maar een afgehechte geschiedenis is een eenzijdige geschiedenis. Pas als Nederland de Indonesische ervaringen werkelijk serieus neemt, kan het zich met een bezoek van het koningspaar aan Jakarta op 17 augustus een waarachtige vriend van het vrije Indonesië betonen. Wellicht op de manier zoals Sukarno dat in de jaren zestig voor ogen had.

Roel Frakking is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het KITLV. Anne-Lot Hoek is zelfstandig onderzoeker en schrijft een proefschrift/boek (UvA/De Bezige Bij) over verzet tegen Nederlandse overheersing op Bali. Beiden zijn betrokken bij het onderzoek Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950

Tijd voor verontschuldigingen

Een staat die zijn excuses maakt voor fouten in het verleden. Ooit was het ondenkbaar, inmiddels komt het steeds vaker voor. Maar echt van harte gaat het zelden. En niet alleen omdat er een prijskaartje aan hangt. De volgende aflevering in de serie over ‘sorry’ van staatswege: Australië en de Aboriginals.