2001: Op de bres voor het Vrije Westen - Leon de Winter

Een Nederlandse Amerikaan

Als zoon van een joodse voddenboer voelt schrijver en columnist Leon de Winter zich in de Verenigde Staten als een vis in het water. Na de aanslagen van 9/11 wordt de strijd tegen de islam ook zijn strijd.

Medium leonw

Hij zou nooit de eerste keer vergeten. Toen hij in 1986 voor het eerst Los Angeles bezocht, logeerde hij een week in een wit kasteel. Hij voelde zich er meteen thuis, meer thuis zelfs dan waar ook in de wereld. LA is Hollywood, is de droomstad, de verhalenstad, de stad van de illusies – en daarmee zijn natuurlijke omgeving. LA was meteen als een oude jas waar zijn soort temperament behaaglijk in paste. Alles was er uitvergroot, maf, heftig, of om het op z’n Amerikaans te zeggen: over the top.

Hij zou er nog veel komen, alleen en met zijn vrouw en twee kinderen. Hij zou er in zo’n typisch westkusthotel – appartementen gedrapeerd om een zwembad met ligstoelen en parasollen eromheen – in obsessieve concentratie aan een nieuwe roman werken. Hij zou er een huis huren om daar met zijn gezin te wonen; dat was dan een echt verhalenhuis, dat ooit van de psychiater van Marilyn Monroe was geweest en waar de filmster twee jaar lang elke dag op de sofa had gelegen in een kamer met gelambriseerde houten wanden. Hij stelde zich voor dat in het water van het niervormige zwembad in de tuin, hoe vaak ook ververst, nog steeds moleculen van Marilyn ronddreven.

Sinds die eerste keer voelde hij het al als het vliegtuig Los Angeles naderde: de lucht is hier anders, het licht is hier anders. Het licht spat de stad in via de Stille Oceaan; de lucht is er schoner en ruimer. Amerika ging het decor vormen van zijn romans, met personages die bevrijd zijn van de last van de geschiedenis, die dromen van een nieuw leven. Want LA was ook dat: groter worden dan je ooit dacht te kunnen worden, hoger springen dan je ooit dacht te kunnen springen. LA was meer dan wat ook het symbool van de vrijheid.

Na de terroristische aanslag op het World Trade Center kopte de Franse krant Le Monde ferm op de voorpagina dat wij allemaal Amerikanen waren. Wij Europeanen identificeerden ons de weken na de ramp met het land van de vrijheid dat door atavistische gelovigen was aangevallen, we zagen de beelden van de ineenstortende torens, van de vallende mensen en van de lichtgrijze as die de omgeving van het zakencentrum met een dikke laag bedekte – en we huiverden. Hij, met zijn overlopende liefde voor Amerika, hij identificeerde zich meer dan de meeste anderen en plantte een Amerikaanse vlag in zijn tuin.

Toen na verloop van tijd bleek dat wij helemaal niet allemaal Amerikanen waren en de kritiek op president Bush en zijn war on terror aanzwol, probeerde hij Nederland er met steeds krachtiger woorden en bredere armgebaren van te overtuigen dat het oorlog was, misschien wel de Derde Wereldoorlog, dat de wereld buiten het Westen een onbarmhartige plek was, dat niet alleen moslimfundamentalisten in afgelegen grotten in Afghanistan maar ook heel wat moslims om de hoek het op onze vrijheden hadden gemunt. Later zou hij zijn website, waarop hij zijn opiniestukken en interviews met dwarse conservatieve Amerikaanse denkers plaatste, de veelzeggende naam Het Vrije Westen geven.

Hij had de verwachting van zijn ouders ingelost: hij was een geaccepteerd intellectueel geworden

In 1986 ging hij niet alleen voor het eerst naar Hollywood, hij publiceerde in dat jaar ook een roman die anders was dan alles wat hij daarvoor had geschreven. Voor zijn thuiskomst in Amerika was hij een echte Europeaan geweest. De schrijvers die hij bewonderde en naar wie hij verwees, waren doodernstige Midden-Europeanen als Peter Handke, Thomas Bernhard en Franz Kafka, of een fijnzinnige melancholicus als de Fransman Patrick Modiano. Hij refereerde aan de Frankfurter Schule, de school van filosofen die in hun ‘kritische theorieën’ onder meer het imperialisme en het kapitalisme, lees: Amerika, hekelden. Hij schreef in de jaren zeventig dunne boeken met zwaarwichtige titels als Over de leegte van de wereld en De (ver)wording van de jongere Dürer. Ze bevatten ‘prozateksten’, de vlag waaronder in die jaren afstand werd genomen van het burgerlijke genre van de roman. Anekdotiek was een vies woord, want anekdotes, verhalen, ze boden vooral amusement en verhulden dat ‘de werkelijkheid’ maar een constructie was. Zijn proza moest ‘reflexief’ zijn, laten zien dat de relatie tussen verhaal en werkelijkheid problematisch was.

Zijn boeken verschenen bij een kleine onafhankelijke uitgeverij met een voorkeur voor geëngageerde literatuur. Hij had de filmacademie in Amsterdam bezocht (en voortijdig verlaten) en experimentele films gemaakt. Met zijn lange haar en baard zag hij eruit zoals linkse intellectuelen er in die dagen uit hoorden te zien; zijn werk werd gewaardeerd door de culturele elite. Het slimme, maar doodsbange jongetje dat in een isolement was opgegroeid, ver van het vanzelfsprekende gemak van de gegoede klasse, het jongetje dat zich zo geschaamd had voor zijn afkomst, had de verwachting die zijn ouders altijd van hem hadden gekoesterd ingelost: hij was een geaccepteerd intellectueel geworden.

Hij werd in 1954 in ’s-Hertogenbosch geboren in een joods gezin met vier kinderen. Zijn ouders waren allebei van straatarme komaf: zijn vader was marktkoopman, eerder had hij nog een kar door de straten geduwd en om vodden geroepen; zijn grootmoeder van moederskant ging de boer op met rollen stof. Zijn vader had alleen lagere school, zijn moeder had zelfs die niet afgerond. Ze behoorden tot het proletarische jodendom dat in de oorlog vrijwel geheel werd weggevaagd. Zij doken onder; de rest van de familie kwam niet terug uit de kampen. Ze zaten nog een tijd ondergedoken bij notoire nsb’ers in Den Bosch. Als er dineetjes of feestjes voor hoge SS’ers werden gegeven, moesten zijn ouders opdraven als butler en dienstmeisje. Na afloop trokken ze zich trillend terug op hun zolderkamertje en aten oud brood.

Hij was het tweede kind en al vroeg bleek dat hij goed kon leren; vanaf zijn vierde, vijfde stond vast dat hij advocaat of professor moest worden; hij ging naar het gymnasium. Zijn vader was na de oorlog rijk geworden als handelaar in oud papier, lompen en metalen; hij was een voddenjood, zou hij later provocerend zeggen. ‘Jood De Winter’ werd zijn vader genoemd, hij had een bedrijfspand naast dat van Heineken, had eigen vrachtwagens, een eigen goederentrein en een duwboot. Ze woonden in een groot wit huis aan de rand van de stad, in een soort woestijn; in de verte lagen de dreigende muren van Den Bosch, waar de torens van de Sint-Jan bovenuit staken. Achter die muren woonden de katholieke patriciërs, waar zijn ouders met een mengeling van minachting en angst tegenaan keken. Zijn vader kocht begin jaren vijftig zo’n grote Amerikaanse auto dat de garage bij het huis verbouwd moest worden. Zijn moeder deed in haar minkjas de afwas.

Ze gingen elke sabbat naar sjoel, aten koosjer en vierden de joodse feestdagen. De sfeer thuis was geborgen, maar ook was er altijd de oorlog en de angst. En de schaamte. Hij wilde zich als kind graag conformeren, zonder Bossche tongval spreken, gewoon schoon en zuiver Nederlands zijn. Het werk van zijn vader had iets armzaligs en smoezeligs; hij leerde erover liegen: zijn vader was ‘zakenman’. Vriendjes durfde hij niet mee naar huis te nemen, want je kon nooit weten wanneer zijn moeder, een kleine, dikke, mediterrane vrouw, oorlogsverhalen begon op te dissen, emotioneel werd, hevig begon te huilen. Hij was een typisch kind van de tweede generatie, had altijd het gevoel dat hij z’n ouders moest beschermen, hij wilde aan hun wensen voldoen.

Hij schreef dat de kickbokser Badr Hari met z’n losse handjes een parel voor de samenleving zou kunnen zijn

Toen hij zo oud was als zijn vader toen de oorlog begon, 28, begon hij zich af te vragen wat híj gedaan zou hebben, wat híj geweten zou hebben, hoe bang híj zou zijn geweest en of hij zou hebben overleefd. Het werd het begin van zijn Vatersuche. Zijn vader overleed een week voor zijn elfde verjaardag aan een hartaanval. Die plotselinge dood was verbijsterend geweest, en zijn vader drong zich nu steeds meer aan hem op. Hij had een foto van hem waarop hij even in de twintig was, een brutale jongen met een pet op, die op de markt stond met een tros druiven in de hand. Hij besefte dat zijn vader om alles een verhaal kon bouwen, als geen ander kon ouwehoeren en moppen vertellen, met zijn praatjes alles kon verkopen. Ondertussen had hij het werk van Philip Roth, Bernard Malamud en John Updike leren kennen en het ongeremd verhalende van die Amerikaanse schrijvers kwam hem veel natuurlijker voor dan het kunstmatige proza van zijn Europese voorbeelden. Hij besloot dat het genetisch was, dat hij net als zijn vader een verhalenverteller was.

IN 1986 VERSCHEEN, nadat hij vier jaar geen letter op papier had gezet, zijn kloeke roman Kaplan. Hij was van uitgeverij gewisseld, zijn boeken zouden voortaan worden gepubliceerd door een gevestigd huis, De Bezige Bij. Zijn wilde haren waren afgeknipt, zijn baard afgeschoren, hij ging maatpakken dragen en verruilde zijn lelijke Eendje voor een Jaguar. Op een dag was hij wakker geworden en wist hij dat hij geen harig intellectueel monster meer wilde zijn. Hield hij het in zijn eerdere werk afstandelijk en abstract, Kaplan stond barstensvol verhalen, vol effectbejag, vol banale grappen, vol sentiment. Hij verwerkte er zijn joodse jeugd in Den Bosch in en voerde ‘Jood Kaplan’ op, voddenjood en de vader van de hoofdfiguur. De roman was de uiting van een rouwproces; hij kwam tot de ontdekking dat schrijven dat was: vertellen om niet ten onder te gaan.

Het culturele establishment dat hem eerst had omhelsd, wees zijn literaire metamorfose hardhandig af. Hij had een Cosmopolitan-_roman geschreven, waarin hij ‘knipoogde naar de Bouquetreeks’. Ook de romans daarna werden als kitsch, pulp bestempeld, hem werd een knieval naar het grote publiek verweten. Hij was de grens overgestoken van de hoge cultuur naar het amusement, had het sacrale dat literatuur aankleefde met voeten getreden. Van gewaardeerde, maar matig verkopende avant-gardist werd hij een bestsellerschrijver, van linkse intellectueel een entertainer. Bij boekpresentaties deelde hij glimmende persmappen uit, toen nog een novum. In een televisiespotje voor de Libris-boekwinkels liet hij zich in smoking liggend op een boekenplank filmen. Het studentenblad _Propria Cures monteerde het beeld op een foto van een massagraf bij Auschwitz. Het was een smakeloze echo van de nog smakelozer aanvallen waar Theo van Gogh al eerder mee begonnen was en die hij tot 2001 zou volhouden: hij zou zijn joodse identiteit en de holocaust misbruiken om rijk te worden.

Tussen hem en de elite van de goede smaak zou het niet echt meer goed komen. En hoewel hij kon fulmineren tegen zijn hautaine critici, ‘stelletje oetlullen bij elkaar’, voelde hij zich ook bevrijd. Hij vond dat zijn boeken uit de jaren zeventig pasten bij de twintiger die hij was, ze waren een uiting van zijn verlangen een volwaardig lid te zijn van de intelligentsia. Nu hij niet meer het jongetje hoefde te zijn dat alles goed zou maken, hoefde hij zich ook niets meer aan ‘de grachtengordel’ gelegen te laten liggen. Hij kon in zekere zin weer terug naar waar hij vandaan kwam: naar een positie aan de rand, naar de buitenkant. Hij hoefde zich niet meer aan te passen.

Hij stortte zich niet alleen meer en meer op zijn joodse wortels – al werd hij nooit gelovig – hij ging zich steeds sterker bij Israël betrokken voelen en begon zich allengs tegen de laffe tolerantie van de grachtengordel te keren, tegen de amorfe het-zal-allemaal-zo’n-vaart-niet-lopen-moraal. De verlichte elite lag comfortabel onder een deken van politiek correcte consensus; hij vond dat verstikkend. Hij begon columns te schrijven voor media waar het keurige establishment de neus voor ophaalde: het AD, Elsevier, De Telegraaf. Daarin hekelde hij niet alleen de gemakzuchtige houding van ‘links’ als het ging om Israël, de islam en de integratieproblemen in eigen land, maar nam hij het ook op voor mensen die door de deftige kranten verketterd werden. Figuren die naar de buitenkant waren verdreven, vonden in hem zijn verdediger: hij schreef een meelevend portret van Jan van Vlijmen, een van de hoofdrolspelers in de vastgoedfraude rond woningcorporatie Vestia; schreef dat de kickbokser Badr Hari met z’n losse handjes een parel voor de samenleving zou kunnen zijn; noemde zijn vriend Bram Moszkowicz nadat hij als advocaat van het tableau was geschrapt een leeuwenkoning.

Van gewaardeerde, maar matig verkopende avant-gardist werd hij een bestsellerschrijver

ZIJN VADER WAS de enige van zijn familie die in de oorlog de juiste keuze had gemaakt en was ondergedoken. Zijn vader las de krant. Hij zelf las tien tot vijftien kranten per dag, hongerde naar informatie, want zeker na 9/11 waren er weer de oorlog en de angst. Hij raakte ervan doordrongen dat het idee dat ons prachtige leven met al onze verworvenheden, vrijheden en zekerheden nooit ten einde zou komen een ijdele illusie was. Net als zijn vader destijds stonden we weer op een punt in de geschiedenis dat we positie moesten kiezen. We waren in een gevecht terechtgekomen met een ouderwets soort Kwaad, met een hoofdletter. En het Kwaad was te identificeren, het lag in de islam. De angst, de onrust, de wereldgeschiedenis slopen ook steeds meer zijn romans in.

Hij ging zich in de klassieke religieuze modellen verdiepen. De koran kwam permanent op zijn werktafel te liggen. Het was, al voor 9/11, begonnen met zijn bekommernis om Israël, dat kleine landje dat omringd werd door dictaturen en de haat van moslims. Hij maakte zich zorgen om het voortbestaan van Israël en ging het land steeds meer zien als pars pro toto voor het hele Westen. Zoals de vijandelijke Arabische omgeving het op Israël had voorzien, zo was onze roes van onkwetsbaarheid een vorm van zelfbedrog.

Het publieke debat raakte gepolariseerd. Niet alleen rechts-populistische politici trokken de deken van consensus die over het denken over de multiculturele samenleving lag ferm weg, intellectuelen vielen hen bij. Ayaan Hirsi Ali maakte furore met haar kritiek op de achterlijke islam en zijn perverse profeet. Zij werd de heldin van hoogleraren en publicisten als Paul Cliteur, Afshin Ellian, Hans Jansen en Jaffe Vink. Als ‘de vrienden van Ayaan’ kwamen zij bekend te staan en hij was een van hen. Hij werd een van de ghostwriters van haar speeches.

Had hij in 1994 nog met Chris van der Heijden een Handleiding ter bestrijding van extreem rechts gepubliceerd, nu werd hij zelf in de hoek van het radicaal rechts gedrukt. Hij, en intellectuele islamcritici zoals hij, zouden handelaren in angst zijn en moslims stigmatiseren, in hun felle afkeer van de islam hanteerden ze dezelfde retoriek als de moslimfundamentalisten zelf. Zo zag hij, zo zagen zij het niet. Ze doorbraken juist een cultuur waarin het establishment min of meer op dezelfde manier progressief en braaf tolerant was. Hij voelde zich verwant met conservatief Amerika, waarbij hij zeer liberaal was als het om sociale vraagstukken ging. ‘Today, America is America again’, twitterde hij vorige week, toen duidelijk was dat de Republikeinen zowel in het Congres als de Senaat de meerderheid hadden veroverd. Het conservatieve geluid, zeker als het om de botsing van culturen ging, was in Nederland te lang weggedrukt.

Hij was niet als Theo van Gogh, die van kwetsen zijn beroep had gemaakt. Al schreef hij na de moord over hem: ‘Hij was een klootzak, maar hij was míjn klootzak en hij had het recht om een klootzak te zijn.’ Hij was het niet eens met Pim Fortuyn dat je alles moest zeggen wat je dacht en ook met Geert Wilders vereenzelvigde hij zich niet. Als hij iets vond, stond hij op en verhief hij zijn stem, meer was het niet. Met zijn temperament was dat altijd zwaar aangezet, over the top, maar hij gaf altijd ook argumenten. ‘Hier sta ik, ik kan niet anders.’ Hij was de standwerker op de markt van ideeën zoals zijn vader standwerker was geweest.


Bronnen: de tv-programma’s: Benali boekt (2011) en Oog in oog (2013); de artikelen: Ton Anbeek, ‘_Leon de Winter en de literaire kritiek: De (ver)wording van een reputatie’ (Literatuur, jaargang 9, 1992), Ischa Meijer, ‘Leon de Winter’ (uit_ De interviewer en de schrijvers_, 2003), interviews en profielen uit_ NRC Handelsblad en Vrij Nederland


Beeld: Bloemendaal, 2006. Op een dag in 1986 was hij wakker geworden en wist hij dat hij geen harig intellectueel monster meer wilde zijn (Merlijn Doomernik, HH).