Een negentiende-eeuws vademecum

Echt vertrouwen kan men alleen op familie, een vesting in een boze wereld. Alle anderen zijn kennissen; vrienden zijn zeldzaam; maar de familie, het gezin, is het ware. Dat is de boodschap van de klassieker Alleen op de wereld, een sociologisch interessant doe-het-zelf-boek.

Boek gemist – dat haal je nooit meer in wanneer het om een boek gaat dat iedereen in zijn jeugd gelezen heeft. Ik heb het nu gelezen, maar dan ook helemaal, bijna vijfhonderd pagina’s. Wat ik alsnog graag had geweten, is waarom August Willemsen na al zijn grote Portugese en Braziliaanse vertalingen in 1999 juist dit boek heeft willen vertalen, uit het Frans natuurlijk. Zijn nawoord getuigt van een grondige studie; hij vertelt wel waarom het boek anderen zo dierbaar schijnt te zijn: omdat ze er als kind bij gehuild hadden. Met de tranen waren kennelijk ook hun herinneringen aan de inhoud uitgewist, maar hij stelde zich verdekt op. Zoiets valt ook niet in te halen.
Ik zie nu dat toen ik de gerechtigde leeftijd had om Alleen op de wereld te lezen, begin jaren vijftig, er behalve de 28ste druk van de vertaling uit 1880 nog enkele bewerkingen in omloop waren, zoals een naar de Amerikaanse vertaling verkorte uitgave van 94 bladzijden (serie Oud Goud). Allard Schröder had voor zijn bewerking in 2003 nog 125 bladzijden nodig. Het verhaal kan, als het moet, worden naverteld in tien pagina’s. Maar als je het leest, moet je het in z’n geheel, in een passend laag tempo lezen, of beter nog: voorlezen, zoals Hector Malot ook zelf schijnt te hebben gedaan, hoofdstuk voor hoofdstuk aan zijn dochtertje Lucie. Misschien heeft zij op het laatst gezegd: nu is het mooi geweest; dan is het aan haar te danken dat de tranenrijke en -trekkende ontknoping, waar de inmiddels elfjarige Rémi niet alleen zijn echte moeder en broertje vindt maar ook nog eens een hele schaduwfamilie van lieve vrienden terugvindt, in twintig pagina’s wordt afgeraffeld. Eind goed, al goed, dat geldt ook voor het boek, dat de schrijver-hoofdpersoon, zelf geschreven en in eigen beheer uitgegeven, in het laatste hoofdstuk, ‘Mijn familie’, op de laatste pagina ter opluistering van het doopfeest van zijn eerste zoon aan alle aanwezigen cadeau doet: een cadeauboek in een boek, mooier kan niet.
Sans famille behoort tot de boeken die iedereen gelezen heeft, in welke vorm dan ook, soms zelfs zonder het te lezen. Zoals iedereen Robinson Crusoe gelezen heeft, waarvan de roman van Hector Malot een verre echo is: ook hij een doe-het-zelf-eenling, die op het juiste moment door het lot een helpende hand krijgt toegestoken. Ook voor Robinson Crusoe geldt dat velen het een leven lang met de jeugdversie doen. Ik denk zelfs dat Sans famille behoort tot de klasse van ongelezen boeken die meer invloed hebben dan gelezen boeken. Maar dat is een ander verhaal.
Ik had het boek nooit gelezen, zo min als ik tot mijn dertiende ooit één verantwoord kinderboek, laat staan een klassiek jeugdboek heb gelezen. In een regressieve bui schafte ik, om een kennelijk afgebroken draad uit mijn vroege jeugd op te nemen, in 1969 een jonge hond aan. Na een paar maanden had ik het idee dat er iets ontbrak, aan het plaatje van mij en de herdershond op een Zeeuws strand. Het was een silhouet, en op de rug van de hond hoorde een aap te zitten. Dus schafte ik een aap aan, Kobus, een brutale aap. Nog altijd weet ik niet waar ik dát plaatje vandaan had; ik heb geen boekomslag van Malot kunnen vinden met het beeld van een jongen in gezelschap van een hond met aap.
De titel Alleen op de wereld, zoals Sans famille meteen vertaald is, sprak en spreekt boekdelen, meer dan de roman zelf. Een enkele keer is het jongetje Rémi echt alleen. Het wil vooral zeggen dat hij er alleen voor staat in de grotemensenwereld. Als achtjarige krijgt hij de verantwoordelijkheid voor de troep kunstenaars (drie honden: Signor Capi, Signor Zerbino, Signora Dolze en het aapje Monsieur Joli-Coeur) wanneer zijn baas, Signor Vitalis, aan wie hij door zijn pleegvader Barberin verkocht is, voor vijf maanden de gevangenis in gaat. Op zulke momenten is hij jaloers op gewone kinderen, alleen dan, want mettertijd raakt hij op niets zo gesteld als op zijn vrijheid in de open lucht. Natuurlijk voelt hij zich eenzaam, een enkele keer, maar hij heeft eerder te veel familie dan te weinig of geen. Hij moet ook te hard werken om na te kunnen denken.

‘Sans famille’ vraagt om uitleg – er moet een adjectief bij gedacht worden: echt. Daarom is de beginzin zo raak: ‘Ik ben een vondeling.’ En vondeling blijf je, je leven lang. Vandaar de tegenwoordige tijd in het relaas van de oudere Rémi, die zijn inwijding in de grote wereld navertelt, in twee delen: Deel I tot aan de dood van de Italiaanse dierendresseur Signor Vitalis, die hem als achtjarige gekocht heeft, op jaarbasis gehuurd, en hem in de anderhalf jaar van hun rondreis door Frankrijk van alles geleerd heeft; Deel 2, de zoektocht samen met zijn eveneens Italiaanse vriendje Mattia in Frankrijk en Engeland naar zijn echte moeder.
Voordat deze, een Engelse dame, haar oudste, verloren (als baby gestolen) zoon in de armen sluit, heeft Rémi al ettelijke moeders en families achter de rug. Acht jaar lang was zijn wereld niet groter dan het dorpje Chavanon, waar hij in nette armoe maar liefderijk verzorgd werd door moeder Barberin, wier man, zijn vader dacht Rémi, als metselaar in Parijs leefde. Pas als de man zonder een cent en invalide terugkeert en hij de jongen naar een tehuis wil brengen, hoort deze dat de twee niet zijn echte ouders zijn. Op slag is vrouw Barberin, hoe aardig ook, geen moeder meer. En Barberin was te hardvochtig om een echte vader te kunnen zijn. Hij blijkt de vondeling indertijd in Parijs niet uit menslievendheid meegenomen te hebben maar uit geldzucht. De rijke kleertjes beloofden immers een fikse beloning – en de lezer beloven ze een stralende afloop.
Nee, dan Vitalis, de oude zwerver met de grote witte baard, met zijn kunstenaarstroep waar Rémi aan wordt toegevoegd. Zijn rol zal zijn om de domoor in het straattoneel te spelen, een omgekeerde wereld waarin de intelligente dieren het voor het zeggen hebben. Mooie scènes waarin Vitalis de jongen toneel leert spelen. Hij leert hem lezen, met uit hout gesneden letters, zelfs bladmuziek; hij leert hem hoe je met dieren moet omgaan, als gelijken, geduldig, nooit straffen! En elke les is tevens een levensles, over en voor het leven. Wat werken is, armoede, gezag, wet, harteloosheid én liefde. De reis zelf is al een les sociografische Frankrijk-kunde. Als Vitalis een droomleraar is, dan is de weetgierige Rémi een modelleerling; de inwijding van zo’n honderdvijftig pagina’s een stoomcursus opvoedkunde uit het (rousseau-aanse) boekje. Misschien was het meer voor onderwijzers en opvoeders bedoeld dan voor de jeugd. Malot geeft zelf de verklaring waarom Rémi op z’n achtste nog niet kon lezen en schrijven: op het platteland werden onderwijzers zo slecht betaald dat ze als schoenlapper of naaister hun brood moesten verdienen; of ze wisten zelf niets.
Wanneer Vitalis tijdens de tweede winter in Parijs van honger en kou omkomt en Rémi met een Italiaans jongetje, het muzikale wonderkind Mattia, verder trekt, wordt hij zelf leraar. Op een gegeven moment zegt Rémi als hij iets niet weet: ‘Dat is zo omdat het zo is.’ Dan leert Mattia hém dat zoiets een pedagogische dooddoener is; als hij het zelf niet weet, dient een leraar een boek aan te schaffen. Daarop reageert Rémi met een andere frase: ‘Een goede leermeester is meer waard dan het beste boek.’
Daar voegt Malot in zijn boek een ‘mits’ aan toe, door twee illustratieve scènes. De ene speelt zich af tussen Rémi en de zieke zoon van de sjieke Engelse dame (de toekomstige echte moeder). Rémi ziet dat Arthur zich niet kan concentreren bij het leren, en doet hem dan een oude geheugentruc aan de hand: stel je bij elke zin (in dit geval van een fabel) een concrete scène voor. Het werkt, waarop Arthur concludeert: ‘Woorden, daar heb je niets aan, die betekenen op zichzelf niets, maar dingen, die zie je voor je…’ Het is een pedagogisch en vermoedelijk ook literair programma.

Dan vindt hij na veel spelingen van het Lot – met als vast schema dat een ramp gevolgd wordt door geluk: wat zijn er toch veel aardige mensen – zijn echte moeder. Wat moet dat ‘echt’ toch? Zo was het en is het vaak nog in de provincie: echt vertrouwen kan men alleen op familie, een vesting in een boze wereld. Alle anderen zijn kennissen; vrienden zijn zeldzaam; maar de familie, het gezin, is het ware. Als Rémi een echte moeder vindt, vindt hij meteen ook een verleden terug: wortels. De roman eindigt met de doop van een echt eigen kind, dat het geluk heeft in een echte familie te belanden. Aanwezig is ook een schaduwfamilie: alle aardige mensen die Rémi op zijn tocht naar het geluk geholpen hebben, surrogaat-familieleden, want als het erop aankwam waren ze toch niet echt. Twee jaar maakte hij na de dood van Vitalis deel uit van het gelukkige gezin van een Parijse bloemenkweker, maar toen de man in de gevangenis kwam en de kinderen over het land verspreid bij familieleden werden ondergebracht (oorspronkelijk zou Malots roman over dat thema gaan) bleef onze Rémi moederziel alleen achter: ‘En ik?’ vraagt hij aan de tante die alles regelt. ‘Jij? Jij behoort niet tot de familie.’ ‘Maar ik kan voor u werken.’ ‘Maar je behoort niet tot de familie.’
Wat heb ik nu gelezen? Een negentiende-eeuws doe-het-zelf-boek, sociologisch heel interessant. En nu nog het vervolg uit 1893: En famille, vertaald als Weer thuis.

HECTOR MALOT
ALLEEN OP DE WERELD
Uit het Frans (Sans famille, 1878) vertaald en van een nawoord voorzien door August Willemsen
Archipel (negende druk), 519 blz., € 17,50