Gastcolumn

Een neger in een pak

Anton de Kom had vele kwaliteiten. Een daarvan was zijn verfijnde gevoel voor mode. Opnieuw tramelant daarom onder zijn bewonderaars bij de onthulling van zijn standbeeld in de Bijlmer.

OP DE MARKT die gehouden wordt op het Anton de Komplein in Amsterdam-Zuidoost is het opmerkelijk stil. De kooplui nemen niet de moeite hun waren luidkeels aan te prijzen, omdat hun klanten toch hun mobiele telefoon aan hun oor hebben. Waarom allochtonen zo vaak moeten bellen is maar een van de vele ongerijmdheden die men hier aantreft.
Het begint al bij de naam van het plein, Anton de Kom, de Surinamer die soms een schrijver en soms een verzetsman wordt genoemd. Een revolutionair, een opruier, een communist, een dichter, een romanticus, een tapdanser, wat zal het zijn?
In ieder geval heeft hij sinds zijn komst naar Nederland, in de herfst van 1920, altijd in Den Haag gewoond en had hij op het laatst niet eens geld voor een treinkaartje naar Amsterdam, waar tot de oorlog in jazzclubs of ‘negertenten’ werd gedanst op de tonen van Surinaamse muzikanten als Kid Dynamite.
In Den Haag is De Kom ook gearresteerd in 1944, door de Grüne Polizei, en afgevoerd naar een kamp in Duitsland, waar hij in 1945 overleed. Maar geen straatnaam die eraan herinnert. Anton de Kom is volkomen toegeëigend door de creoolse Surinamers in Amsterdam, wat hem overigens een gruwel moet zijn geweest. Zijn hoogste ideaal was eenheid en samenwerking, en dan vooral tussen de arme creolen, Hindoestanen en Javanen. Maar zelfs de toeëigening door de creolen gaat niet zonder slag of stoot – waar de naam Anton de Kom opduikt, is er trammelant, schijnt het.
Van het plein komt men op de veel hoger gelegen Bijlmerdreef, maar de brede trappen er naartoe zijn verlaten, op een man in een bruinleren jack na die, hoe kan het anders, zit te telefoneren. Op de bovenste trede staat het beeld van De Kom. Ook dit standbeeld veroorzaakte trammelant, in 2006: waarom kreeg een blanke kunstenares de opdracht het beeld te maken? Een Surinaamse beeldhouwer, zeiden enkele woedende verstoorders van de onthulling, zou nooit met zo’n ontwerp zijn gekomen: een zwarte, reeds kalende man met gesloten ogen in een strijdbare houding, maar… naakt! Dat is trappen op de Surinaamse ziel, creool, Hindoestaan of Javaan.
De nazaten van De Kom waren wel tevreden met het beeld, schreef de krant, het symboliseerde zijn eerlijkheid en zijn kwetsbaarheid. Maar voor de doorsnee Surinamer verwijst naaktheid naar de slavernij, de vernedering, de uitbuiting waar Anton de Kom zo fel tegen opkwam.
Naaktheid past hoe dan ook niet bij deze man, die in zijn leven misschien nooit rijk was, maar een uiterst fijn gevoel voor mode bezat. Hij verscheen in overhemden met gesteven kragen, vlinderdas en pochet, zwierige jas, glimmende schoenen, zo noodzakelijk voor de verdienstelijke tapdanser die hij was. In de pas verschenen biografie van Rob Woortman en Alice Boots wordt zelfs melding gemaakt van de mysterieuze verdwijning van Anton de Kom in 1938: hij zou met een dansgroep toeren door Europa, om bij te verdienen. En hem dan naakt afbeelden in Amsterdam?
Woortman en Boots schenken uiteraard veel aandacht aan De Koms belangrijkste werk, Wij slaven van Suriname. De publicatie vond plaats na zijn terugkeer van een reis naar Suriname, waar hij de vreedzame opstand tegen de koloniale overheerser had willen organiseren. Maar al direct na zijn komst in januari 1933 werd hij gevolgd door de politie, omdat men in de kolonie geen communistische raddraaiers duldde. De Kom bereikte de creoolse arbeiders nauwelijks, maar de Hindoestaanse en vooral Javaanse contractarbeiders des te meer – al berustte het op een misverstand. De Hindoestanen zagen hem als een afgevaardigde van Mahatma Gandhi en de Javanen dachten dat hij een of ander prinselijk heerschap uit Java was, die zou zorgen voor de terugkeer naar hun land van herkomst. Intussen wilde De Kom alleen maar hun grieven noteren, om te bewijzen hoe urgent de radicale maatschappelijke verandering was. Naïef? Wellicht, maar het bestuur liet toch maar schieten op de samenscholingen die hij veroorzaakte, waarbij twee doden vielen. Hij werd zonder vorm van proces drie maanden opgesloten in het Fort Zeelandia en daarna met zijn gezin op de boot naar Nederland gezet.
Terug in Nederland maakte De Kom zijn boek af en zocht hij een uitgever, geholpen door zijn communistische vrienden. Maar over ieder woord in Wij slaven van Suriname werd getwist: zijn vrienden wilden iets meer communistische propaganda, de uitgever juist iets minder. De Kom koos gelukkig voor het laatste, waardoor het boek ook vandaag de dag niet gedateerd overkomt.
Intussen was De Kom wel werkloos, in de crisis die toen heerste, en hij belandde uiteindelijk in de werkverschaffing. Eind jaren dertig kreeg hij bovendien last van achtervolgingswaan en moest zijn vrouw hem laten opnemen. In een hartverscheurende passage vertelt zijn zoon over de dag waarop de GGD hem kwam halen, hoe hij zich verzette, hoe hij toen erbij lag, een zwarte man tussen de witte lakens. Hij werd beter, maar hij kwam van de ene hel in de andere, omdat de oorlog uitbrak.
Het boek van Woortman en Boots is een breedvoerig en bij tijd en wijle dramatisch relaas van een man en zijn levenswerk, maar de juweeltjes zijn toch de vele foto’s van een knappe neger met een vilten hoed en een opgetrokken kraag. Een man die, zoals zijn zoon vertelt, op een stoel klom om zijn pantalon aan te trekken, opdat de randen van de broekspijpen niet vuil zouden worden. Hij zal een revolutionair zijn geweest, een wereldverbeteraar, een idealist. Maar naakt? Nee, dat niet.

Alice Boots en Rob Woortman, Anton de Kom: biografie. Contact, 546 blz., € 49,95