I Am Not Me, the Horse Is Not Mine

Een neus voor Stalin

In 1836 begon Gogols Neus aan zijn wandeling door Sint-Petersburg. In 1928 paradeerde hij aan de hand van Sjostakovitsj door stalinistisch Leningrad. In 2010 stuurde William Kentridge hem naar New York en nu komt hij voorbij in EYE. Waar ging de wandeling eigenlijk naartoe?

Medium verbij

‘Het vreemdste, het alleronbegrijpelijkste is wel hoe schrijvers in godsnaam zulke onderwerpen kunnen kiezen. Ik moet eerlijk bekennen dat dit mijn verstand te boven gaat’, schreef Nikolaj Gogol op de laatste bladzijde van zijn verhaal De neus. ‘In de eerste plaats is ons vaderland hier in geen enkel opzicht mee gebaat; ten tweede… en ook in de tweede plaats heeft geen mens er profijt van. Kort en goed, ik weet niet wat ik ervan denken moet…’

Wel merkwaardig, om je eigen verhaal in het verhaal zelf zo te becommentariëren. Maar het is dan ook een uiterst vreemd verhaal. Staatsdienaar Kovaljov wordt op een kwade ochtend wakker en ontdekt dat zijn neus is verdwenen. Eenmaal van de schrik bekomen, doorkruist hij Sint-Petersburg, radeloos op zoek naar zijn neus. Na een reeks wonderbaarlijke verwikkelingen vindt hij zijn neus terug en herneemt het leven zijn gewone gang. Het verhaal is kort, iets meer dan twintig pagina’s in druk, maar het is een van de meest absurde, meest vermakelijke en ook meest geïnterpreteerde korte verhalen uit de wereldliteratuur. Maar wat valt eraan te interpreteren? vraagt de schrijver zich in de laatste zin af. ‘De mensen kunnen zeggen wat ze willen, maar dergelijke geschiedenissen doen zich voor, niet zo dikwijls, maar gebeuren kunnen ze.’

‘De mensen’ hebben hun hersens gepijnigd om een betekenis te ontdekken in het verhaal. De een kwam met een psychoanalytische duiding (de neus staat voor de penis), de ander met een religieuze (de neus staat voor het verloren geloof), een derde met een sociale (de neus staat voor de ambitie hogerop te komen). Al die duidingen vinden wel ergens in het verhaal een aanknopingspunt. Kovaljov vraagt zich af hoe hij zonder neus nog achter de vrouwtjes aan kan gaan. De eerste keer dat hij zijn neus weer terugziet, zit die te bidden in een kathedraal. Wanneer hij de neus daar aanspreekt, reageert die verontwaardigd en wijst erop dat hij nu een hogere rang heeft dan Kovaljov. In het licht van Gogols ontnuchterende slotsom – ‘zulke dingen gebeuren nu eenmaal’ – doen die interpretaties hopeloos bombastisch aan.

Zo denkt ook William Kentridge erover. Hij neemt het verhaal zoals het is, in al zijn absurditeit. Niet op zoek gaan naar een betekenis, is zijn motto. Probeer eerst maar eens uit te vinden hoe het verhaal in elkaar steekt, wat er de ‘grammatica’ van is, zoals hij dat met een favoriet woord van hem uitdrukt. Ga ermee aan de slag, kneed het, bewerk het, alleen op die manier kom je erachter wat de kern ervan is.

Dat is het procédé dat Kentridge tot het zijne heeft gemaakt. Al zijn werk is een intensief samenspel van hoofd en handen. Dat heeft hij een en andermaal uitgelegd in zijn geestrijke voordrachten en laten zien in talloze stop-motionfilmpjes die het ontstaan en de transformatie van zijn tekeningen en zijn papiercollages tonen. Ideeën ontstaan al doende en al doende krijgen ideeën vorm.

Het is puur toeval noch puur programma. Het is het ineengrijpen van die twee. Zo stuitte hij ook op Gogols De neus. Het programma: een jaar of tien geleden vond hij dat hij een leesachterstand had. Op elk vliegveld dat hij aandeed, en dat waren er nogal wat, kocht hij een boek waarvan hij vond dat hij het gelezen moest hebben. Zo viel hem De neus van Gogol in handen. Achteraf zou je denken: dat móest zo zijn. Maar Kentridge zelf noemt het toeval.

Toeval en programma: dat lijken de basisingrediënten van het kunstenaarschap van zowel Gogol als Kentridge. Beiden hadden nogal wat jaren nodig om erachter te komen wat voor kunstenaar ze eigenlijk waren. Gogols schrijversloopbaan ging bepaald niet soepel van start. Na een paar mislukte pogingen met lyriek en volksverhalen ging hij maar geschiedenis doceren. Toen schreef hij De revisor. En De neus. En verwierf wereldfaam.

Medium verbij2

Kentridge heeft er nog langer over gedaan. Tekenen deed hij al heel vroeg. Op een gegeven moment nam hij ook olieverf ter hand. Maar meer dan miniatuurtjes op ansichtkaartformaat verkocht hij niet. Toen probeerde hij acteur te worden, maar ontdekte al snel de beperkingen van zijn talent. Pas op zijn dertigste vielen de mozaïekstenen in elkaar: hij begon privé-theater te maken in animatievorm met tekeningen en een filmcamera.

Kentridge verwierf wereldfaam. Hij trok de wereld over met theatrale installaties. Die trokken de aandacht van grote operahuizen. Voor het Scala in Milaan ensceneerde hij Mozarts Zauberflöte. En toen meldde zich ook de Metropolitan Opera in New York. Of hij Attila van Verdi wilde doen. Nou nee, daar had hij helemaal geen zin in. Doe mij maar The Nose van Sjostakovitsj. De ‘Met’ wilde hem niet tegenspreken. Het werd The Nose.

‘In mijn jeugd was het maar al te duidelijk wat boven en beneden was. Boven waren de blanken, onderaan de zwarten’

Anders dan Gogol en Kentridge had Sjostakovitsj al vroeg de kern van zijn kunstenaarschap ontdekt. Hoewel een begenadigd pianist, zat componeren hem al van kind af in zijn bloed. Amper twintig jaar had hij al twee opmerkelijke symfonieën op zijn naam staan. Toen kreeg hij Gogols De neus in handen. Hij zette zich achter de piano, sloeg aan het componeren en timmerde ondertussen ook nog een libretto in elkaar. Van de creatieve vulkaan die toen uitbarstte, valt moeilijk een voorstelling te maken. Halverwege de jaren twintig was de bloeitijd van de sovjetkunst. In theater, beeldende kunst, architectuur, film en literatuur werden revolutionair toppen bereikt. Al doemden aan de horizon wel al de donkere wolken van de stalinistische repressie op. Had Sjostakovitsj een voorgevoel van de absurde tijden die te wachten stonden en greep hij daarom naar De neus?

Het werd een opera als een bont vuurwerk. Overal spatten muzikale fragmenten in de meest uiteenlopende kleuren uiteen. Sjostakovitsj haalde zijn vuurpijlen overal vandaan, uit de volksmuziek, uit de atonale muziek, uit de muziek van zijn klassieke voorgangers. Hetzelfde geldt voor het libretto. Daarin duiken verwijzingen op naar andere verhalen van Gogol, De mantel en Dode zielen, en naar De gebroeders Karamazov van Dostojevski.

Toen de opera voor het eerst werd opgevoerd – in 1929 concertante en in 1930 full stage – was de stalinistische onweersbui al losgebarsten. Sjostakovitsj’ verdediging dat het een satire was op de tsaristische tijd kon de heftige kritiek niet meer verhinderen, al stroomde het publiek talrijk toe. Tientallen jaren bleef de opera vervolgens op de plank liggen verstoffen. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw werd ze herontdekt.

Juist het vuurwerkkarakter, het spetterende en het fragmentarische, sprak tot de verbeelding van Kentridge. Hij sloeg net zo aan het werk als de componist, zij het niet vanachter een piano maar vanachter de hem vertrouwde tekentafel. Een jaar of drie lang bewoog hij het houtskool over zijn tekenvellen, scheurde en verschoof hij stukken papier en zette hij het een en ander met de stop-motiontechniek in beweging.

En net als Sjostakovitsj speelde hij leentjebuur waar hij maar kon en wat zijn handen en zijn hoofd hem maar geboden. Het paard van Don Quichot dook op, maar ook talloze beelden uit de sovjetfilmgeschiedenis, uit het werk van Eisenstein uiteraard, maar ook uit films die Stalin verheerlijken. En wat een fantastische bron bleek de grafische kunst van het Russische constructivisme voor Kentridge te zijn.

Op de première in de Metropolitan in maart 2010 zagen de toeschouwers de Neus als carnavalesk object van papier-maché rondstruinen over de bühne, overigens opvallend gelijkend op de beroemde tekeningen van de Neus door Roland Topor. Maar ze zagen ook op een videoscherm de Neus als schaduwanimatie een ladder beklimmen in zijn streven hogerop te komen. Kentridge laat de Neus een positie in Stalins politbureau ambiëren.

Zo kwam er uit de handen en het hoofd van Kentridge toch een betekenis bovendrijven van Gogols verhaal. Thema in zijn enscenering is de door militarisering van de samenleving geperverteerde hang naar maatschappelijke stijging. Onder tsaar Alexander I was de ambtenarij strak in rangen naar militair model geperst. Gogols Kovaljov wordt daar pijnlijk mee geconfronteerd wanneer hij zijn gepromoveerde Neus probeert aan te spreken.

Kentridge laat de Neus over de sociale ladder struikelen. En om te benadrukken hoezeer maatschappelijke ambities door de wreedheid van het stalinistische systeem worden gefrustreerd, voert hij Boecharin op, de beoogde opvolger van Lenin die door Stalins beulen in een ten hemel schreiend showproces wordt vernietigd. Boecharins weigering om zich als trotskistische verrader te laten ontmaskeren, leidt tot zijn dood.

De protocollen van Boecharins verhoor door Stalins folteraars staan centraal in I Am Not Me, the Horse Is Not Mine, de installatie in EYE die is voortgesproten uit het jarenlange werk van Kentridge aan The Nose. Met acht projectoren dompelt hij de bezoeker onder in zijn universum van animaties met rabeleske optochten, vliegende paarden en Russische boerendansen, en van grafische voorstellingen met krantenknipsels en cyrillische teksten.

De installatie is al op verschillende plaatsen in de wereld te zien geweest. Soms reisde Kentridge mee om in de installatie uit De neus voor te lezen of een van zijn vermakelijke voordrachten te houden. En telkens weer moest hij daarbij de vraag beantwoorden wat nou eigenlijk de politieke boodschap was van zijn werk. Ik heb geen boodschap, antwoordde hij dan, alleen ‘dat de politiek net zo ambigu en absurd is als de samenleving die ze bestiert’.

Gogols gevoel voor ironie en absurditeit werd vermalen door de tsaristische omklemming en de kerkelijke orthodoxie. Hij overleed in 1852, godsdienstwaanzinnig, op 42-jarige leeftijd. Sjostakovitsj overleefde Stalin ruimschoots, al werd hij nog geen zeventig. Zijn briljante muziek was sinds De neus in toenemende mate getekend door een diepe melancholie. Kentridge, bijna zestig, leeft nog steeds en straalt een enorme vitaliteit uit. Toen Kentridge aan The Nose werkte, lag de streng gestratificeerde maatschappij uit zijn jeugd, vergelijkbaar met die waarin Gogol en Sjostakovitsj leefden, achter hem. Maar hij heeft haar wel gekend, daar in Johannesburg. ‘In mijn jeugd was het maar al te duidelijk wat boven en beneden was. Boven waren de blanken. Daarna kwamen de Japanners, de Chinezen. Vervolgens de Indiërs, en daaronder de gekleurden. Helemaal onderaan de zwarten.’


Beeld: (1) still uit I Am Not Me, the Horse Is Not Mine, 2008 (William Kentridge Studio); (2) opvoering van The Nose in de Metropolitan in New York, 2010 (William Kentridge Studio)