Tema con variazioni

Een neusbewust weekeinde

Het was een merkwaardig weekeinde waarin plotseling de neuzen over mij heen tuimelden.

Het begon met een vraaggesprek in de Vara-gids met de actrice/zangeres Ellen Pieters. «Op m'n tiende», vertelde zij, «heeft mijn moeder mij meegenomen naar Cyrano de Bergerac, met Ko van Dijk. Dat heeft een enorme indruk op me gemaakt.»

Cyrano! De dichter! Met die enorme neus! De hartverscheurende billets doux die de man aan zijn geliefde Roxane schreef, nota bene ten faveure van zijn rivaal… Die sterfscène waarin eindelijk — te laat! — de ogen van die stomme trut opengaan… Diep getroffen zat ik als jongetje in Carré, terwijl het vocht mij uit neus en ogen stroomde, al werd de titelrol in mijn voorstelling niet door Ko van Dijk, maar door Guus Hermus gespeeld. Het is het mooiste stuk van het Franse toneelrepertoire. Een paar dagen na de première publiceerde Emile Zola zijn strijdschrift J'accuse! waarin hij een lange neus tegen de militairen maakte.

In het voornoemde weekeinde schreef ik een stuk over Edward Lear, de landschapschilder, die uiteindelijk de geschiedenis is ingegaan als de uitvinder van het nonsensvers in het algemeen en de limerick in het bijzonder. Daarin schetste hij de vijfregelige gebeurtenissen van menige «young lady», uit Prague hetzij The Hague, en menige «old man», uit Buda hetzij Vienna.

En hij had onmiskenbaar een sterke belangstelling voor het menselijk reukorgaan. Het was geen tijd voor geslachtelijke spotternijen, iets waarvoor de limerick zich bij uitstek leent. Dus behielp Edward Lear zich met het plaatsvervangende genitaal, de neus.

There was an Old Man with a nose,

who said: «If I choose to suppose

that my nose is too long,

you are certainly wrong!»

That remarkable man with a nose.

There was a Young Lady whose nose

was so long that it reached to her toes;

So she hired an old lady,

whose conduct was steady

to carry that wonderful nose.

There was an Old Man whose nose

most birds of the air could repose;

But they all flew away

at the closing of day

which relieved that Old Man and his nose.

Als achtergrondmuziek draaide ik Händels Julius Caesar, de opera waarin de Egyptische koningin Cleopatra een belangrijke bijrol speelt. Zij is verliefd. «De liefde heeft mij tot een plan geïnspireerd», zingt zij, «dat ik in de praktijk denk te brengen. Met mijn magische krachten hoop ik de man te winnen, aan wie ik mijn hart heb verloren. Hij moet en zal voor mij door de knieën gaan.» De vorstin was voorzien van «een neus als een vishaak», hetgeen overigens voor Julius Caesar noch (later) voor Marcus Antonius een bezwaar is geweest.

Dezelfde week gaf ik een lezing in de stadsbibliotheek van Haarlem. Na afloop legde een bezoeker mij ter tekening een boekje voor dat ik ooit over biografieën en autobiografieën heb geschreven. Daarin komt de biografie ter sprake die Vladimir Nabokov over Nicolai Gogol heeft geschreven, de auteur van de fameuze novelle De neus. «Waarom speelt de neus zo'n belangrijke rol in Gogols oeuvre? Omdat Gogols eigen neus zo abnormaal lang was?» «Welnee», zegt Nabokov, «de neus heeft in de Russische samenleving nu eenmaal een specifieke plaats. Wij Russen zijn blij-neuzig of droef-neuzig. Het vuurwerk van toespelingen op de neus in de beroemde scène in Rostands Cyrano de Bergerac is niets vergeleken bij de honderden Russische spreekwoorden en gezegden die met de neus verband houden. Wij laten hem terneergeslagen hangen, we heffen hem trots, iemand met een slecht geheugen krijgt de raad er een keepje in te kerven en als iemand een gevecht verliest, veegt zijn tegenstander hem de neus af.»

Bij de zaterdagpost: het boek De neus van Frederik van Eeden, een beschouwing over de betekenis van reuk en geur in zijn werk, geschreven door prof. dr. Th.R. Wentges. De kunstenaar, schepper van het reuk- en rookvrije Walden, was altijd verkouden, getuige onder meer de brief die hij op 13 januari 1895 aan Lodewijk van Deijssel schreef: «Amice, het is geen onwil, geen luiheid, geen vrees voor sneeuw, mederedacteurs of andere contraire elementen, maar een reuzenverkoudheid (catharrus ingens s. giganteus) die mijn komst belet. Met een plechtstatige en bedachtzame traagheid is dit monster de gewelven van mijn neus rondgetrokken, een dag de achterwand, den volgende dag de rechterzijde, den daarop volgende de linkerzijde van dat orgaan inwendig met scherpe haakjes bearbeidend, op den middag van den vierden dag noode het werk stakend, daartoe door de afwezigheid van meerdere neuzen genoopt.»

’s Schrijvers hoofdwerk was de roman De kleine Johannes — «An die Nase eines Mannes kennt man sein Johannes» (Duitse volkswijsheid). De neus heeft zo'n beetje de reputatie van eigenwijsheid en lichte belachelijkheid, maar in wezen is dit sterk onderschatte orgaan voor de mens even belangrijk als hart en lever.