100 dagen Joe Biden

Een nieuw ‘America First’?

Joe Biden wil een buitenlands beleid voeren op een compleet nieuwe grondslag. Maar critici vinden het in de eerste honderd dagen vooral erg lijken op het oude. ‘Het begint een Koude Oorlog-geur te krijgen.’

De Chinese president Xi Jinping is op uitnodiging van president Biden virtueel aanwezig op de klimaattop. Beijing, 22 april © Yan Yan Xinhua / eyevine / ANP

En opeens waren de Amerikanen op weg naar de uitgang in Afghanistan. Drie Amerikaanse presidenten vóór Joe Biden, te beginnen met George W. Bush, hadden al aangekondigd dat zij de oorlog in Afghanistan zouden afronden voordat ze zelf hun koffers pakten om uit het Witte Huis te gaan. Nog maar een half jaar geleden beloofde Donald Trump op Twitter dat hij de troepen naar huis zou halen ‘voor Kerstmis’, zonder er ooit nog tegen een mens over te beginnen. Maar dinsdagochtend 6 april vertelde Biden zijn stafchefs dat hij alle soldaten thuis wilde hebben voor 11 september, twintig jaar na de aanslagen van 2001.

‘Ik neem aan dat wat u zei een beslissing is, meneer. Is dat correct, meneer de president?’ vroeg landmacht-generaal Mark Milley volgens The New York Times. Het antwoord was ja. En zo komt er, verrassingen daargelaten, binnenkort een einde aan de langste oorlog die de Verenigde Staten ooit vochten. Bush, Barack Obama en Trump lukte dat niet in twintig jaar; Biden doet het binnen honderd dagen.

Dat is natuurlijk niet een toevallige observatie, maar een die door Biden zorgvuldig is voorbereid op zijn pr-waarde. Honderd dagen is de standaard die Franklin Roosevelt neerzette als maatstaf voor een nieuwe president, en Amerikaanse media en elke president na Roosevelt gebruikten die als ijkpunt voor een succesvolle of mislukte start. Biden ontvouwde in de afgelopen maanden een buitengewoon ambitieuze binnenlandse agenda; op buitenlandgebied is dat niet anders – nog maar een paar dagen geleden wierp hij zich op als klimaatleider van de wereld.

De Verenigde Staten hebben met Biden een president die met de meeste buitenlandervaring aan het ambt begint in ruim dertig jaar. Biden zat elf jaar in de buitenlandcommissie van de Senaat en was er vier jaar voorzitter van. Als vicepresident kreeg hij steeds meer de leiding over de (afwikkeling van de) Amerikaanse bezetting van Irak, waar hij om de maand naartoe reisde. En hij was vanaf het begin van dat vicepresidentschap intiem betrokken bij de steeds scherpere discussies over de koers in Afghanistan. Biden verloor dat debat. Obama schreef in zijn memoires dat Biden hem in 2009 waarschuwde voor het leger. Als Obama de generaals niet strak onder controle hield, zouden zij volgens Biden ‘ons land dieper in een zinloze, peperdure poging trekken om een natie op te bouwen’ in Afghanistan. Twaalf jaar later stond Biden voor dezelfde keuzes, en zette hij er snel en helder een streep onder.

Biden zal meer wijsheid nodig hebben. Zijn regering wil de leiding terugnemen in een heel scala van internationale problemen, terwijl het vertrouwen in de VS ernstig is geschaad door het presidentschap van Donald Trump. Rusland landt in zijn schoot, met het gerommel in Oekraïne en de mogelijke dood van oppositieleider Navalny. Iran wil terug naar het nucleaire akkoord dat Trump in de prullenbak gooide en herinnert Biden daaraan door zijn uranium verder te verrijken. China wil zelf de leidende natie van de wereld zijn en is daar in de afgelopen vier jaar, zeker tijdens de coronapandemie, dichter bij gekomen. De Europese bondgenootschappen zijn (ondanks Trumps geschamper) nog altijd een van de belangrijkste Amerikaanse troefkaarten in de wereld, maar de EU sloot net na Bidens aantreden een vrijhandelsverdrag met China – een ‘one fingered salute’ naar de nieuwe president, volgens Politico. Aan Biden om de boel te lijmen. Dan is er nog een dozijn andere problemen die zich opeens naar de voorgrond kunnen dringen, zoals in Taiwan, Syrië en Myanmar. Boven dat alles hangt nog altijd de pandemie en de daaruit volgende internationale economische crisis. En daar weer boven hangt klimaatverandering. Een volle agenda, zeg maar.

Biden en leden van zijn regering hebben in de afgelopen honderd dagen een paar maal duidelijk gemaakt hoe zij de Amerikaanse politiek in al die dossiers vorm willen geven. In februari publiceerde Biden bijvoorbeeld een memorandum over nationale veiligheid en hield hij een toespraak over buitenlands beleid. Zijn minister van Buitenlandse Zaken, Antony Blinken, deed dat ook een paar maal. ‘We willen niet gewoon verder gaan waar we waren, alsof de afgelopen vier jaar niet zijn gebeurd. We kijken naar de wereld met een nieuwe blik’, zei Blinken.

Zelf benadrukte Biden dat ook. En hij beschreef hoe de VS dat willen doen. ‘We zullen onze bondgenootschappen herstellen en weer contact maken met de wereld’, zei hij in februari. Hij benadrukte dat samenwerken een paar keer: ‘herbeginnen met diplomatie’. Tegelijk schetste hij een confrontatie tussen democratieën, geleid door de VS, en autoritaire uitdagers; een wereld waarin de VS ‘nooit zullen twijfelen om onze militaire macht te gebruiken om ons te verdedigen’. Het uiteindelijke doel, zo vatte een van Bidens medewerkers het samen, ‘is het versterken van een multilaterale, op regels gebaseerde orde waarin de VS de leiding nemen en ervoor zorgen dat autoritaire staten die niet ondermijnen’.

Het probleem van zulke woorden is dat de regering-Biden zich ermee onderscheidt van precies helemaal niemand. Letterlijk elke Amerikaanse regering sinds mensenheugenis zei dat de VS de leiding willen nemen in de wereld, graag willen samenwerken met landen aan mondiale problemen en internationale veiligheid, maar dat zij hard zullen zijn tegen wie dat niet wil. Of presidenten het accent leggen bij het eerste of het tweede, de samenwerking of de hardheid, is gebaseerd op hun evaluatie en hun framing van hun voorganger. Trump vond Obama te slap, dus wilde hij de VS flinker laten zijn; Obama vond Bush jr. te macho, dus benadrukte hij de uitgestoken hand. Maar niemand zegt dat hij naïef zal zijn en niet wil samenwerken met vrienden.

Trump was eigenlijk de enige uitzondering tussen naoorlogse presidenten: niet omdat hij in woorden een andere internationale politiek voorstond (hij grossierde in holle frases over de VS als ‘leider van de vrije wereld’ en dergelijke), maar omdat hij een onnavolgbare en veranderlijke logica toepaste op wat die woorden betekenden. De militaire bondgenootschappen en vrijhandelsverdragen die zijn voorgangers in het hokje ‘Amerikaans belang’ plaatsten, waren voor Trump bedreigingen ervan. Vriend en vijand waren voor hem hoogst persoonlijke begrippen. ‘Internationale orde’ was voor hem een vies woord; niet iets wat de VS zelf hadden opgetuigd in hun eigen voordeel, maar een elitaire samenzwering tegen Amerikaanse belangen. Hij steunde, kort samengevat, de liberale wereldorde niet.

Biden doet dat wel. Het ligt dan ook voor de hand om zijn presidentschap als een terugkeer naar establishment-politiek te zien. Maar sommige dingen aan Bidens nationale-veiligheidsmemorandum, uitlatingen van hemzelf en regeringsleden, en sommige acties van zijn regering suggereren dat er meer is dan op het eerste gezicht lijkt.

In de richting van Rusland kwam Biden een paar keer opvallend en onnodig hard uit de hoek. Nadat hij sancties had ingesteld tegen Russische functionarissen vanwege verkiezingsinmenging noemde hij Poetin een ‘killer’. In februari zei hij: ‘Ik heb duidelijk gemaakt aan president Poetin, op een heel andere manier dan mijn voorganger, dat de dagen voorbij zijn dat de VS opzij rollen voor Ruslands agressieve acties.’ Maar die harde woorden maskeren dat Rusland niet een prioriteit is van de Amerikaanse regering. In ieder geval niet als je afgaat op wat die regering op papier zet: in het memorandum van februari kreeg Rusland drie zinnen. En ondanks stevige woorden af en toe verlengden Rusland en de VS soepeltjes een nucleair akkoord dat Trump om onbegrijpelijke redenen wilde laten verlopen, en lijkt Rusland niet Bidens volle aandacht te hebben.

‘Als de regering-Biden haar neus gaat steken in alles wat onliberaal is, zoals de straf voor Navalny, dan gaat dat haar plannen voor de VS zelf in de weg zitten’

Dat is anders bij China. ‘Beijing bedreigt onze veiligheid, welvaart en waarden op een manier die een nieuwe benadering vereist’, zei Bidens woordvoerder in januari. Dat bedoelde zij letterlijk: de regering-Biden lijkt het idee te verlaten dat de VS nou eenmaal hun verschillen hebben met China, maar samen kunnen werken op economisch en politiek gebied. Dat is simpelweg mislukt, is de consensus in Bidens regering. China probeert zich ‘de toekomst toe te eigenen’ van de wereld, zei de president zelf, en beoogt ‘een langdurige aanval te kunnen openen op een stabiel en open internationaal systeem’. Die houding leverde vorige maand een publieke ruzie op tussen Chinese en Amerikaanse diplomaten, die elkaar in Alaska voor het oog van draaiende camera’s de les lazen. Vlak daarna liep een bezoek van de Amerikaanse klimaatgezant John Kerry aan Beijing, over samenwerking in de klimaatcrisis, wél goed. Dit lijkt Bidens doel te zijn: samenwerken aangaande het klimaat, confrontatie over de rest.

Dat wordt een lastige spagaat, die vooral garant lijkt te staan voor veel wrijving. Een andere prioriteit van Bidens regering werkt dat nog in de hand. Biden spreekt nog niet in zulke hoogdravende termen als Reagan of Bush jr., maar wil wel een wereldwijd tegenoffensief tegen autoritaire en populistische bedreigingen van democratieën – een ‘mondiale strijd voor vrijheid’, zoals sommigen in zijn regering dat noemen. Dit is bij Biden duidelijk niet alleen lippendienst. ‘Democratie’ is het meest voorkomende woord van zijn veiligheidsmemo: hij wil een internationale Democratie Top organiseren en democratie ‘revitaliseren’ – een mondiale strijd tegen autoritair bestuur, nativisme en populisme, te beginnen in de VS zelf.

Hier schuiven binnen- en buitenlandbeleid opeens over elkaar heen. En dat is de bedoeling ook. ‘Meer dan op elk ander moment in mijn carrière – misschien wel mijn leven – valt het onderscheid tussen binnenlands en buitenlands beleid weg’, zei minister van Buitenlandse Zaken Blinken. De grond daarvoor ligt in de intellectuele basis van Bidens buitenlands beleid.

Biden eert op de nationale begraafplaats in Arlington de in Afghanistan gesneuvelde Amerikaanse soldaten, 14 april © Brandan Smialowski / AFP / ANP

Meer dan wie ook is Jake Sullivan daarvoor verantwoordelijk. Sullivan is een slimme, lijzige veertiger, een product van elitescholen en het Democratische partijapparaat, en nu nationaal veiligheidsadviseur van Biden. In 2008 werd Sullivan al een hoge campagnemedewerker van Hillary Clinton en haar assistent toen zij minister van Buitenlandse Zaken werd. Jarenlang was hij betrokken bij onderhandelingen met Iran. En in 2016 bij de presidentscampagne van Clinton.

Clintons nederlaag tegen Obama liet Sullivans wereldbeeld niet schudden, maar haar nederlaag tegen Trump wel. Hij streek neer bij de Carnegie-denktank, net als andere medewerkers van Obama en Clinton, en overdacht alles wat mis was gegaan. Gezamenlijk schreven zij in 2018 mee aan een rapport dat kan worden gelezen als de neerslag van hun verkiezingstrauma. De arbeiders- en middenklassen van de VS hadden maar weinig gemerkt van de supermachtstatus van hun land. Bij alle buitenlandse interventies en vrijhandelsverdragen van die decennia vroegen ze zich regelmatig af hoe zij er beter van werden – wat er bij al dat buitenlandse gedoe in zat voor hén. Dat zeiden zij niet figuurlijk maar letterlijk, in honderden interviews die Sullivan en anderen hielden voor hun rapport.

‘Na drie decennia van Amerikaans primaat in de wereld staat de middenklasse er precair voor’, concludeerden de Carnegie-auteurs. Als de VS weer werkelijk leiding zouden willen geven in de wereld, zouden ze eerst ‘de democratische tekorten en sociale, raciale en economische ongelijkheden in eigen huis moeten verhelpen’. Die conclusies zijn in het hart van de Amerikaanse regering beland. Medeauteur Sullivan is nationaal veiligheidsadviseur. Zijn baas bij Carnegie, William Burns, vatte de conclusies van het rapport samen in The Atlantic; hij is nu cia-directeur. Andere medeauteurs zijn topambtenaar op BZ en hoofd van een Witte Huis-werkgroep over economie. Zij willen allemaal dat wat de VS doen in de wereld expliciet wordt gericht op voordeel voor de Amerikaanse middenklasse.

Hoewel Biden en Sullivan het nooit zo zouden noemen, komt dit in feite neer op een soort ‘America First’. Trump maakte zijn fans enthousiast voor die spreuk, maar verbond er maar zelden concreet beleid aan. Biden wil dat wél doen. En daarmee wil hij ongetwijfeld ook een brug slaan naar Trump-kiezers bij de parlementsverkiezingen over anderhalf jaar. Ook dat is een les van Bidens jaren onder Obama: je moet heel snel politiek munt slaan uit je succes, of al je voornemens belanden rap in de koelkast. De cirkel is daarom – in ieder geval op papier – rond tussen binnen- en buitenlands beleid en electorale politiek.

N iet iedereen is overtuigd. Een ‘buitenlandse politiek voor de middenklasse’ klinkt mooi, maar wat betekent het werkelijk? Als je de passages over China in de veiligheidsmemo’s van Biden en Trump vergelijkt, lijken die op elkaar als twee druppels water. Republikeinse commentatoren schrijven daarom dat Biden precies doet wat hij Trump verweet: buitenlands beleid voeren op basis van een nietszeggende slogan – meer spin dan inhoud.

Dat vindt ook Barry Posen, hoogleraar politicologie aan mit en hoofd van het Security Studies Program daar. ‘Als ik lees wat Sullivan en anderen schrijven, weet ik niet wat het in de praktijk moet betekenen’, zegt hij in een Zoom-gesprek. ‘Als hij wil dat de VS de verdediger zijn van de liberale wereldorde en de tijd en energie van een legertje diplomaten steekt in een brede competitie tegen autoritaire landen, dan kan ik je verzekeren dat dat niet is waar de Amerikaanse middenklasse veel mee bezig is. Biden wil, dat is de kern van zijn boodschap, de economie repareren en de verdeling van welvaart binnen de VS minder ongelijk maken. Dat wordt heel moeilijk als al je energie naar een soort Koude Oorlog-competitie gaat met China en Rusland tegelijk.’

Sullivan is zelf een wereldorde-liberaal, vervolgt Posen. ‘Maar hij realiseert zich dat het heel veel zuurstof uit de kamer zuigt als een regering steeds met buitenlandse problemen bezig is. Sullivan heeft horse sense, hij ziet het gevaar. Maar ik vraag me af of het vermeden kan worden met deze buitenlandse politiek. Het pad waar we nu op zitten, is intensivering van de competitie en confrontatie met Rusland en China. Het begint een Koude Oorlog-geur te krijgen.’ Het idee dat landen rivalen zijn en tegelijk samenwerken, is voor Posen niet het probleem. ‘Relaties die bol staan van de tegenstellingen: dat is hoe normale internationale politiek eruitzag in de negentiende en vroege twintigste eeuw’, zegt hij. ‘We hebben een oceaan tussen China en de VS liggen en klimaatverandering is een gedeeld probleem: samenwerken moet mogelijk zijn. Maar ik zie te veel tekenen van oude establishment-politiek en missiegevoel over democratie in de wereld, geen koersverandering maar dubbel inzetten op oude politiek. Het is nu eenmaal niet alsof de Chinezen en Russen het samenweven van nationalisme, populisme en buitenlandse politiek hebben uitgevonden – Amerikaanse leiders doen het sinds 9/11. Dat leidt tot strijdlustig gedrag in alle richtingen en dat leidt nooit tot veel goeds. Als de regering-Biden haar neus gaat steken in alles wat onliberaal is, zoals de straf voor Navalny, dan gaat dat haar plannen voor de VS zelf behoorlijk in de weg zitten.’

Daar komen dan ook nog eens de onvermijdelijke internationale crises bij waar Biden op zal reageren – incidenten ‘die je wist dat zou komen’, om met het Koningslied te spreken. Eind februari had hij al een voorproefje in Syrië, tegen een door Iran gesteunde strijdgroep. ‘Biden’s First Bombing’, noemde de Atlantic Council het. Zulke crises hebben de neiging om met de voornemens van een Amerikaanse regering aan de haal te gaan.

‘Het is helder dat Bidens focus op het binnenland ligt – en politiek gezien ben ik het daarmee eens’, zei John Bolton, de voormalige nationaal veiligheidsadviseur van Donald Trump, tegen The Atlantic. ‘Maar dat zal veranderen. Want dat doet het namelijk altijd.’