Een nieuw ‘hiroshima’‘

Vorige week verscheen de Nederlandse vertaling van Fukuyama’s ‘The Great Disruption’. Over het verval van waarden en normen. Vrouwenemancipatie zou niets dan ellende hebben gebracht. Hoe reactionair is deze Amerikaan?

HET IS OOK nooit goed. Werd Francis Fukuyama tien jaar geleden, bij het verschijnen van zijn geruchtmakende essay ‘The End of History?’ uitgemaakt voor een kritiekloze triomfalist die de kapitalistische democratieën zag als de kroon op de schepping, nu wordt hem verweten met The Great Disruption een oerconservatief boek te hebben geschreven. Zijn beschrijving van het verval van waarden en normen, zijn pleidooi voor meer plichtsbesef en gemeenschapszin, zijn visie op het gezin als hoeksteen van de samenleving en zijn opvatting dat de emancipatie van de vrouw niets dan ellende heeft gebracht - het zijn denkbeelden die in de Verenigde Staten misschien gemeengoed zijn, maar die hier over het algemeen worden geassocieerd met dikbuikige, geblazerde oudere heren wier intellectuele horizon niet verder reikt dan De Telegraaf en de pamfletten van het Oud Strijders Legioen.
Dik en oud is de gestalte die met soepele en bedaarde tred de trappen van hotel Des Indes afdaalt allerminst, maar een blazer draagt hij wel, evenals nota bene een oranje stropdas. Hoe reactionair is deze Amerikaan, voor wie de sterke toename van het aantal buitenechtelijke kinderen een van de bewijzen vormt dat onze samenleving op ernstige wijze ontwricht is? Menige criticus heeft er inmiddels op gewezen dat Fukuyama, in zijn poging een even meeslepend als zwartgallig beeld van de hedendaagse westerse maatschappij te schetsen, wat al te nonchalant gebruik heeft gemaakt van bepaalde statistieken. Zo is er toch wel enig verschil tussen uit de lagere sociale klassen afkomstige tienermeisjes die in Amerika nog steeds op grote schaal alleenstaande moeder worden, en de niet zelden hoogopgeleide West-Europese stellen met kinderen die een bij de notaris opgesteld samenlevingscontract prefereren boven het 'boterbriefje’?
Vriendelijk lachend maar niettemin hoofdschuddend reageert Fukuyama: 'Ik heb wel degelijk geschreven dat er verschillen zijn tussen de Verenigde Staten en West-Europa. Zogenaamd “onwettige” kinderen hebben in bijvoorbeeld Zweden of Nederland een heel andere status dan in de Verenigde Staten, omdat hier veel meer mensen samenwonen. De officiële vader, die ook de biologische vader is, is in deze gevallen wel aanwezig, zodat er sprake is van een heel andere situatie dan in Amerika, waar ongehuwde jonge moeders vaak in grote armoede leven.
Ook de armoede in West-Europa is niet zonder meer te vergelijken met die in Amerika. Het is hier ordelijker en het verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van minderbedeelden is groter. Dat neemt niet weg dat er dramatische veranderingen in het gezinsleven hebben plaatsgevonden, niet alleen in de Verenigde Staten maar ook in West-Europa. Het aantal geboorten is enorm afgenomen en hoewel de stabiliteit van het, al dan niet officiële, huwelijksleven in Europa veel groter is dan in Amerika, is ook hier sprake van een sterk negatieve trend als we het vergelijken met zo'n veertig jaar geleden. De ongehuwd samenwonenden gaan veel sneller uit elkaar dan de traditionele echtgenoten van enkele generaties geleden. Helaas laten de statistieken ons hier enigszins in de steek en is het heel moeilijk een helder beeld van de ontwikkelingen in het gezinsleven te krijgen.’
VAN DE VEELGEHOORDE reactie dat er vroeger weliswaar aanzienlijk minder echtscheidingen waren maar dat hiermee nog niets is gezegd over de kwaliteit van de huwelijken, is Fukuyama niet erg onder de indruk: 'De stabiliteit van traditionele huwelijken ging inderdaad tot op zekere hoogte ten koste van vrouwen. Het is dus niet verwonderlijk dat de toename van het aantal echtscheidingen gelijk op ging met de opkomst van het feminisme. Op zich is dat ook goed, want in katholieke landen als Ierland, waar echtscheiding verboden was, waren nogal wat hypocriete huwelijken waarin mannen en vrouwen extreem ongelukkig waren.
Maar hier gaat het helemaal niet om. Waar het om gaat is dat de moderne samenleving een antwoord moet vinden op de vraag wat de bestaansgrond is van het huwelijk als instituut. En dat is niet de heiliging van de liefde tussen twee volwassenen, maar het is een wettelijk instrument om ervoor te zorgen dat kinderen op een adequate wijze aanspraak kunnen maken op hun levensbehoeften, waarin hun ouders, en met name de vader, moeten voorzien. Maar wat er in de moderne samenleving gebeurt, is dat de opkomst van de verzorgingsstaat en de toenemende onafhankelijkheid van vrouwen in zekere zin de rol van de man in het gezin overbodig maken. Nogal wat mannen hebben hierop gereageerd met: hé, dat is geweldig, ik ben hier niet meer echt nodig en kan dus met een gerust hart vertrekken. Deze mannen beginnen dan een nieuw huwelijk, meestal met een aanzienlijk jongere vrouw.
Je kunt natuurlijk stellen dat dit eigenlijk helemaal geen probleem is. Feministen zijn veelal van mening dat mannen inderdaad overbodig zijn binnen het gezin, zodat ze reageren met: opgeruimd staat netjes. Dat lijkt mij geen adequaat antwoord, aangezien mannen onmisbaar zijn bij de opvoeding van kinderen. En dan gaat het niet alleen om de materiële kant van de zaak, maar ook als rolmodel, als voorbeeld bij het socialisatieproces van kinderen. Het feit dat mannen zich in toenemende mate aan deze taak onttrekken is een groot probleem, dat heel moeilijk is op te lossen. Het is volgens mij moeilijker om mannen te resocialiseren als vaders, dan om de misdaadcijfers omlaag te brengen. Bepaalde ontwikkelingen zijn immers niet terug te draaien. Je kunt van vrouwen niet verwachten dat ze terugkeren in de rol van moeder en huisvrouw, die materieel volledig afhankelijk is van de man en die afziet van de mogelijkheid om het kindertal te beperken.’
Op de vraag hoe mannen geresocialiseerd kunnen worden, geeft Fukuyama geen duidelijk antwoord. In The Great Disruption stelt hij dat de menselijke natuur minder onveranderlijk is dan wij altijd hebben aangenomen. Met medicijnen, maar vooral met de biotechnologie moet het mogelijk zijn om het gedrag van mensen te veranderen.
In de roman Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq wordt een wereld geschetst waarin mensen als gevolg van genetische manipulatie niet langer worden beheerst door begeerte en agressie. Zou het egoïsme van mannen, die vrouw en kinderen verlaten voor strakke dames die vijftien jaar jonger zijn, door middel van de biotechnologie kunnen worden ingedamd?
Fukuyama: 'Ik vrees dat mensen dat gaan proberen. Er worden immers al medicijnen gebruikt om het gedrag van mensen te beïnvloeden. Maar als we egoïsme door middel van biotechnologie trachten uit te bannen, zal dat vermoedelijk leiden tot rampen die aanzienlijk erger zijn dan de kwaal die we pretenderen te bestrijden. Er zijn bovendien goede redenen voor het feit dat mensen egoïstisch zijn.’
DEZE KRITISCHE kanttekening bij de rol van biotechnologie in de toekomst lijkt op het eerste gezicht op gespannen voet te staan met de algemene teneur van The Great Disruption. In dat boek is het immers de biotechnologie die een uitkomst biedt uit de cyclische visie op de geschiedenis. In elk opzicht, dus ook op het gebied van de moraal, doorlopen volgens Fukuyama beschavingen verschillende stadia van opkomst, bloei en verval. Door het veranderen van de mens, door het ingrijpen in de menselijke natuur zou dit rad van de geschiedenis tot stilstand gebracht kunnen worden. De ontwrichting die de maatschappelijke ontwikkeling met zich mee brengt zou door de wetenschap verholpen kunnen worden. Maar hoe gevaarlijk is die biotechnologie eigenlijk?
Fukuyama: 'Een van de grootste problemen die de biotechnologie met zich meebrengt, is dat het extreem moeilijk te controleren zal zijn. Mensen zullen het willen tegenhouden, of door middel van restricties willen inperken, maar dat kan alleen als het internationaal wordt aangepakt. Als het ene land grenzen stelt aan zaken als klonen en genetische experimenten, dan zullen de bedrijven die zich daarmee bezighouden uitwijken naar een ander land. Er zullen dus internationale afspraken gemaakt moeten worden en er dient een controlerende instantie te komen. Maar dat duurt wel even. Eerst zullen er waarschijnlijk rampen moeten gebeuren, zullen er monsters geboren moeten worden, alvorens men beseft hoe gevaarlijk het is. Nu is het allemaal nog te abstract. Mensen konden zich ook geen voorstelling maken van wat een atoombom zou zijn. Pas na Hiroshima was dat duidelijk.’
Als we niet willen wachten op een dergelijk 'genetisch Hiroshisma’ zal de overheid krachtig moeten optreden. Dit vereist niet alleen een sterke staat, maar ook harde internationale afspraken. Voor een liberaal als Fukuyama lijkt dat geen aantrekkelijk perspectief. Toch valt dat wel mee: 'Ik ben beslist niet tegen een grotere rol van de overheid, als dat nodig mocht zijn. Onze samenleving, ons politiek bestel wordt voor een groot deel bepaald door de technologische ontwikkelingen. Elke technologische verandering heeft weer andere gevolgen voor de samenleving en de politiek. De industriële revolutie leidde tot onze massamaatschappij, tot gigantische, autoritair bestuurde ondernemingen, enorme bureaucratieën en versterkte de centralistische tendensen van de staat. Het ontstaan van de nucleaire technologie heeft dit zelfs nog versterkt. Naast het feit dat deze technologie in zichzelf al kwalijk is, is de macht van de overheid in onverantwoorde mate toegenomen. Bij de informatietechnologie zien we juist een sterke decentralisatie. De revolutie op dit terrein heeft een uitgesproken democratiserend effect. De groei van de biotechnologie zal zoals gezegd een grotere rol van de overheid noodzakelijk maken.’
IN THE GREAT Disruption worden de ontwrichtende en chaotische gevolgen van de maatschappelijke ontwikkelingen zo zwart geschilderd dat je je gaat afvragen of Fukuyama nog wel een liberaal is. Als de individuele vrijheid tot zulke problemen leidt, wordt het dan niet tijd dat die vrijheden aan banden worden gelegd?
Fukuyama: 'Ik voel me sterk verwant met de negentiende-eeuwse conservatieve liberaal Alexis de Tocqueville. Hij ging ervan uit dat de vrijheid van het individu alleen gegarandeerd kan worden als er duidelijke grenzen zijn gesteld aan de staatsmacht. De staat moet wel krachtig kunnen optreden, maar het privé-domein van de burger moet met rust gelaten worden. Het is niet de taak van de staat om de mensen een bepaalde moraal op te leggen. In Singapore zien we wat er gebeurt als de staat dat wel doet. Alles is daar van bovenaf gereglementeerd, het gedrag van mensen is bindend voorgeschreven, tot aan het aantal keren dat je het toilet mag doorspoelen toe. Het is een vriendelijke variant van Orwells 1984. Voor de buitenlandse politiek heb je uiteraard wel een sterke leider nodig, iets wat we in de Verenigde Staten momenteel helaas ontberen, maar als het gaat om morele waarden dient de overheid zich terughoudend op te stellen.’
Omdat Fukuyama zich in zijn laatste boek nogal sterk heeft georiënteerd op de biologie, is zijn visie op de geschiedenis cyclisch van aard. Menige criticus heeft erop gewezen dat dit nogal botst met zijn visie zoals hij die heeft vastgelegd in zijn eerste boek, The End of History and the Last Man. Volgens Fukuyama hebben de critici het allemaal niet zo goed begrepen.
Fukuyama: 'Je moet natuurlijk allereerst kijken naar de onderwerpen van mijn boeken. The End of History gaat over grote instituties, politieke systemen, economie en wetten. Deze instituten zijn ontwikkeld om orde te scheppen op zeer grote schaal. Het gaat dus over nationale staten en internationale verhoudingen. Op dit terrein kun je duidelijk spreken van vooruitgang. Dat is geen lineair proces, want de jaren dertig toonden aan dat een gevaarlijke terugval mogelijk was, maar uiteindelijk is er absoluut sprake van zowel een politieke als economische modernisatie. In The Great Disruption gaat het om morele regels op een kleinere schaal, bijvoorbeeld de verhouding tussen man en vrouw, het gezin, kleine gemeenschappen en dergelijke. Het gaat over wat ik noem “sociaal kapitaal”, dat wil zeggen dat er voldoende onderling vertrouwen bestaat zodat mensen bereid zijn om iets voor anderen te doen. Ook op het gebied van de politieke instituties zijn dergelijke regels nodig in verband met de stabiliteit, maar de twee niveaus zijn niet noodzakelijkerwijs met elkaar verbonden. Zodoende is het mogelijk dat een maatschappij zich voortdurend moderniseert, terwijl er op microniveau sprake is van een permanente cyclus van waarden en normen. Overigens geloof ik niet dat morele opvattingen in de loop van de geschiedenis zo sterk veranderen. Eerlijkheid, respect, vertrouwen, wederzijdse hulp, betrokkenheid - dat is van alle tijden. Wel is het zo dat er in bepaalde perioden op de ene waarde meer nadruk wordt gelegd dan op andere, ook op dit terrein is er sprake van een soort mode.’
EEN ANDER VERWIJT aan Fukuyama is dat hij ongeacht welke geschiedopvatting hij hanteert, altijd zijn heil zoekt bij deterministische visies. Of het nu gaat om de vooruitgangsidee of om een cyclus van eeuwige wederkeer, blijkbaar ligt er aan de geschiedenis de een of andere wetmatigheid ten grondslag. Maar als er sprake is van politieke en maatschappelijke vooruitgang, hoe zit het dan met de liberale democratieën zoals wij die kennen?
Fukuyama: 'De laatste tweehonderd jaar was het onder weldenkende mensen heel gewoon om de liberale democratie te beschouwen als een soort overgangsfase naar een veel betere samenleving, naar een of andere utopie. De liberale democratie mag dan verre van volmaakt zijn, en bovendien vrij kwetsbaar, het is wel het meest realistische politieke systeem. Het socialisme ging uit van de belangeloze samenwerking tussen mensen en staten, maar zo zit de mens niet in elkaar. Juist omdat ons bestel rekening houdt met het egoïsme en de hebzucht van mensen en die in goede banen tracht te leiden, is het tot nog toe de meest adequate poging om orde te scheppen.’
Orde - in het vocabulaire van Fukuyama neemt het woord een zeer prominente plaats in. Elke vorm van herstel van orde wordt door hem met gejuich begroet, bijvoorbeeld de daling van de misdaadcijfers. Maar zijn die cijfers niet exclusief Amerikaans, is daar niet een war on crime gaande, waarbij de politie soms excessief gewelddadig en repressief optreedt? Heeft dat wel iets te maken met het opleven van een sterker moreel besef? De politiek-filosoof zucht: 'Toen ik eind jaren zestig uit New York vertrok was het een zeer gewelddadige, onveilige stad. In de jaren zeventig en tachtig werd dat nog veel erger. Nu kun je er veilig over straat gaan of de metro nemen. Voor een deel is dat een kwestie van betere politie. Deels is het ook een demografische kwestie. Misdaad is nu eenmaal grotendeels een zaak van jonge mannen, en met het ouder worden van de babyboomers is hun aantal afgenomen. Maar het heeft ook te maken met het moreel besef van burgers die zien dat het wel degelijk anders kan.’
Maar als dat zo is, dan is het door Fukuyama gesignaleerde sterkere moreel besef toch meer het gevolg van de dalende misdaadcijfers dan de oorzaak ervan?
Fukuyama: 'Het proces werkt twee kanten op.’