Das literarische Deutschland

Een nieuw hoofdstuk in de Duitse letteren

Hoe is het, na morele gidsen als Günter Grass en Christa Wolf, gesteld met het engagement van de Duitse schrijvers van nu?

In 1945 ligt Duitsland volledig in puin, in Trümmern. In economisch, politiek en moreel opzicht is het land failliet. De Duitse taal is door de nazi’s bezoedeld. Woorden als Glaube en Hoffnung hebben hun onschuld verloren. Jonge schrijvers moeten op zoek naar nieuwe woorden, naar een nieuwe taal.

Ze beginnen met kleine stappen: het gedicht en het korte verhaal. Het wachten is op een roman van een schrijver van de jongere generatie. Dat moment breekt aan met de verschijning van Die Blechtrommel van de beeldhouwer en schrijver Günter Grass. Hij is geboren in Danzig, een stad die na 1945 aan Polen toebehoort. Als zeventienjarige deed hij dienst in een divisie van de SS. Maar over dat verleden zou hij nog lang zwijgen.

Op 5 september 1961 had Willy Brandt, de burgemeester van Berlijn, een afspraak met een aantal Duitse schrijvers. Hij vroeg wie hem bij gelegenheid met toespraken kon helpen. ‘Ik, de schrik van veel burgers’, herinnerde Günter Grass zich later, ‘was de enige die zijn vinger opstak.’ Vanaf dat moment zette Grass zich in voor een socialer en democratischer Duitsland. Grass toerde door Duitsland, in het kielzog van Brandt. Hij sloeg op de trom voor de ‘EsPeDe’, zoals hij de partij in zijn dagboek noemt. Een benaming waarmee hij als schrijver nog een beetje afstand probeerde te houden tot de politieke waan van de dag.

Medium hh 50385550

Met zijn kritiek op het wegpoetsen van het Duitse verleden verwierf Grass de status van het geweten der natie.

In de ddr verwierf Christa Wolf (1929-2011) eenzelfde positie. Met haar familie vluchtte ze in 1945 voor de oprukkende Russische troepen. Ze beschreef die vlucht in haar autobiografische roman Kindheitsmuster (1976). De beschrijving van die vlucht in de nazitijd was in de ddr moedig: het socialistische regime wilde liever niets van het leed van de Duitse bevolking weten. De herinnering moest zich beperken tot de misdaden van de nazi’s en het verzet van de communisten. Christa Wolf trotseerde die stille censuur. Ze zette zich in voor vrouwenrechten en waarschuwde voor de vervuiling van het milieu. Voor veel inwoners in de ddr was Christa Wolf een morele gids, ook al kon niet iedereen haar tijdens de Wende volgen in haar protest tegen de Duitse eenwording.

Maar Duitsland veranderde. De eenheid kwam er, met de Duitse mark voor heel Duitsland, een triomfantelijke Helmut Kohl – en even later een regering die zetelde in de nieuwe hoofdstad Berlijn. Duitsland werd in veel opzichten de centrale macht in Europa en dit noopte tot een andere omgang met het verleden. Dat ging met horten en stoten: bij de deelname aan bombardementen in voormalig Joegoslavië, bij de Golfoorlog van de Amerikaanse president Bush en bij onderhandelingen in Europa. Langzaam verloren woorden als natie en eigenbelang hun bedenkelijke connotaties. Ook kwam er meer aandacht voor grijstinten in de Duitse geschiedschrijving, voor het Duitse slachtofferschap en voor het mogelijke risico van verstarring dat uit ‘geritualiseerde’ vormen van herdenking zou voortkomen.

De schrijver Martin Walser (1927), in de jaren zestig een medestander van Grass, waarschuwde in 1998 voor de ‘instrumentalisering van Auschwitz’. Af en toe, zei Walser in zijn geruchtmakende Friedenspreisrede, wordt het verleden gebruikt als een ‘morele knuppel’ om de tegenstander mee te slaan. Als voorbeelden verwees hij naar de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard en Günter Grass. De filosoof Peter Sloterdijk kwam tot de slotsom: ‘De era van de hypermoralistische zonen van nationaal-socialistische vaders is voorbij, een wat vrijere generatie volgt hen op. Het is tijd, een nieuw hoofdstuk open te slaan.’

Maar dat betekent niet dat het plots afgelopen was met het engagement in de Duitse literatuur. Ook nieuwe generaties roeren zich. Hun engagement is minder moralistisch en meer Europees. Er is ook een belangrijke constante. Het Duitse verleden blijft een grote rol spelen in de discussie over het heden, of het nu gaat om de komst van vluchtelingen of de afluisterpraktijken van de Amerikaanse geheime dienst nsa.

‘De era van de hyper­moralistische zonen van nationaal-socialistische vaders is voorbij’

Nog altijd herinneren schrijvers aan de streng bewaakte grenzen van de ddr. Een voorbeeld is de roman Kruso van Lutz Seiler. De roman won in 2014 de Deutscher Buchpreis, een van de belangrijkste literaire prijzen van onze oosterburen. Kruso speelt op het eiland Hiddensee in de herfst van 1989, de herfst van de val van de Muur. In de ddr was Hiddensee een toevluchtsoord voor veel mensen die het land wilden verlaten. De tocht over de Oostzee kon geluk en vrijheid brengen, maar ook de dood door verdrinking. De in Oost-Duitsland geboren Seiler verbindt politieke thema’s als grenzen, vrijheid en het verlangen naar een eigen persoonlijke ontwikkeling met een dromerige beschrijving van een eiland, waarin ook somberte en wanhoop doorklinken.

De geschiedenis die Seiler vertelt, klinkt door in de woorden waarmee bondskanselier Merkel de tegenstanders van haar Willkommenskultur van repliek dient: ‘Veel mensen zeggen de laatste dagen tegen mij: er was ook een leven voor Schengen. En ik antwoord dan: ik weet dat er ook een leven voor de Duitse eenheid was. Toen waren de grenzen nog beter bewaakt.’

In november 2013 werd bekend dat de Amerikaanse geheime dienst op grote schaal gegevens van Europese burgers had verzameld. Ook Merkels Handy zou worden afgeluisterd. Merkel, opgegroeid in de ddr, reageerde feller dan de Engelse of Nederlandse premier. Afluisteren ligt gevoelig in een land waar een deel van de bevolking tot 1989 werd bespioneerd. De herinnering aan die tijd wordt niet alleen door films als Das Leben der Anderen (2006) in leven gehouden, maar ook door Duitse schrijvers. Uwe Tellkamp (1968) beschreef in zijn roman Der Turm (2008) de onttakeling van de ddr. Tellkamp kreeg bij het nieuws over de Amerikaanse inlichtingendienst een déjà-vu: ‘Het debat over het afluisteren doet mij denken aan de ddr en de Stasi. Ik dacht altijd dat ik met stof in de weer was die hopeloos verouderd was. Nu komt er veel terug in een andere gedaante.’

Medium hh 40841407

Ook de komst van schrijvers die niet in Duitsland geboren zijn, zoals Ilija Trojanow (1965), Sasa Stanisic (1976) en Katja Petrowskaja (1970) verandert het engagement in de Duitse literatuur. In haar roman Vielleicht Esther (2015; vertaald als Misschien Esther, bij De Bezige Bij) vertelt de in Kiev geboren, en in het Duits schrijvende Petrowskaja over verschillende generaties van haar familie, vooral tijdens het nazisme en het stalinisme. Een persoonlijke zoektocht in een poëtische stijl, in een Duits afgewisseld met Russische en Jiddische woorden, en met een sterke afwisseling tussen anekdotiek en achtergronden.

De schrijfster voelt zich verbonden met Oekraïne en is boos over de Europese omgang met haar land. In december 2014 verscheen haar essay Een land in de dode hoek: Het geval Oekraïne is de nederlaag van Europa in de Frankfurter Allgemeine. ‘Alle solidariteit met Oekraïne is verdronken in geopolitiek gepraat, alsof Oekraïne enkel een lustobject is van grootmachten en niet een eigen politiek subject.’ Petrowskaja hekelde de schijnheiligheid in de omgang van Europa met haar land: ‘Ik dacht dat er hier in Europa consensus zou heersen over wat totalitarisme is en wat verzet, wat mensenrechten zijn en wat nationalisme, wat vrijheid en democratie is. Ik heb me vergist.’ Haar engagement en haar boek maken duidelijk dat Europa een grens heeft, die al lang geen grens meer is.

Wat vaststaat is dat Petrowskaja van haar land houdt – op een diepe, emotionele manier. Dit maakt haar engagement persoonlijk en overtuigend. Het vormt één geheel met de rijke poëtische taal van haar werk – zelfs zozeer dat Petrowskaja aanvankelijk het begrip ‘literatuur’ van de hand wees: was wat zij schreef niet te echt en te documentair?

De in Oost-Duitsland geboren Ingo Schulze (1962) neemt vaak publiek stelling; de laatste maanden vooral tegen de strengere bewaking van de Europese grenzen. Samen met andere Duitse leden van de internationale organisatie van schrijvers pen pleitte hij voor een beter asielrecht. De Duitse afdeling van deze organisatie zet zich in voor vervolgde schrijvers met het programma Writers in Exile. Een belangrijke motivatie daarvoor ligt in het Duitse verleden, waarin schrijvers in twee dictaturen werden vervolgd. Schulze vergelijkt de situatie van vluchtelingen van nu met die van vluchtelingen in de Koude Oorlog: ‘Toen hadden we het voordeel dat het conflict tussen het oosten en het westen in het middelpunt van de belangstelling stond. Elke vluchteling uit het oosten was een punt voor het westen. De Syrische of Afrikaanse vluchtelingen zijn in politieke zin oninteressant.’

‘Mensen die ik ken werden na een paar maanden uit de opvang gehaald en met politiegeweld op straat gezet’

Bij een bijeenkomst over engagement in de Duitse en Nederlandse literatuur, begin deze maand in het Goethe Institut in Amsterdam, duidde Schulze zijn engagement. Hij vertelde hoe de Frankfurter Allgemeine hem van tevoren had ingedeeld in de rubriek ‘Pro und Contra’. Het ging om de vraag of het moreel verantwoord was dat een Duitse miljonair een miljoen aan een goed doel schonk. ‘Wij gaan ervan uit dat u de contrapositie inneemt, bijvoorbeeld omdat u de voorkeur geeft aan belastingverhoging voor rijken’, schreef de krant hem. Schulze wees het verzoek af. ‘Als ik zo makkelijk in te delen ben, doe ik iets niet goed als schrijver.’ Maar hij bedacht zich en schreef een ironisch stuk waarin hij de tegenovergestelde positie innam en de argumenten van de andere partij tot in het absurde opblies. De Frankfurter Allgemeine liet hem weten dat de lezers die ironie niet zouden begrijpen. ‘We willen dat u de lezers daar ophaalt, waar zij staan.’ Schulze bleef zichzelf trouw en bedankte voor de eer.

Samen met Jenny Erpenbeck (1967) behoorde Schulze tot de schrijvers die na de Wende te gast waren bij Günter Grass, die jonge, geëngageerde schrijvers steunde.

Erpenbeck publiceerde vorig jaar haar roman Gehen. Ging. Vergangen (vertaald als Gaan, ging, gegaan, bij Van Gennep) , over de emeritus hoogleraar Robert. Hij verzorgt vluchtelingen met kleding en voedsel en begeleidt hen van loket naar loket. Maar sympathiek is Robert niet. Hij blijft de verheven professor die zich op zijn Bildung laat voorstaan, die zo verzot is op zijn Goethe dat hij de vluchtelingen met de verbannen Iphigenie uit Goethe’s Iphigenie auf Tauris vergelijkt. Hij geeft hen namen als Apollo of Tristan, omdat hij hun Afrikaanse namen te moeilijk vindt. De tegenstelling is in dit boek wel erg sterk aangezet: de welvarende Europeaan is narcistisch en blijft het, de vluchtelingen zijn enkel aardig en hulpeloos, droevig en getraumatiseerd. De roman is niet meerduidig – het is te veel engagement en te weinig kunst – en zit de tijd misschien net wat te dicht op de hielen.

Volgens Der Spiegel toonde het boek dan ook aan ‘hoe slecht het gesteld is met politieke literatuur in Duitsland’. Het werk van Seiler, Schulze en Petrowskaja laat zien dat dit wel meevalt. Maar Gehen. Ging. Vergangen laat ook zien hoe lastig het is om actuele, geëngageerde literatuur te schrijven. Erpenbeck was genomineerd voor de Deutscher Buchpreis. Toen bekend werd dat de prijs naar Frank Witzel ging voor zijn monstrum Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch-depressiven Teenager im Sommer 1969 slaakten de Duitse critici een zucht van verlichting: als Erpenbeck had gewonnen, was dit vanwege het thema geweest en niet vanwege de uitwerking.

En daarbij maakt het niets uit dat de vriendelijke schrijfster het hart op de juiste plek heeft. Erpenbeck voerde voor haar roman gesprekken met vluchtelingen op de Oranienplatz in Berlijn. Haar engagement ging verder dan een papieren werkelijkheid. ‘Ik verkeerde in een heel luxe positie’, vertelde de schrijfster aan de Berliner Zeitung. ‘Ik heb meegemaakt hoe mensen die ik ken na een paar maanden uit de opvang zijn gehaald en met politiegeweld op straat gezet werden. Kort voordat de winter aanbrak. Dat was ook voor mij een nachtmerrie, maar gelukkig konden we een paar oplossingen vinden.’ Een aantal van de vluchtelingen komt bij haar thuis, ook nu haar boek is afgerond: om te eten, om Duits te leren, om muziek te maken.

Op de vraag of ze politiek is, antwoordt Erpenbeck: ‘Intussen: ja! Mijn grootouders verbleven in de tijd van het nationaal-socialisme als emigranten in de Sovjet-Unie. Ik ben pas politiek geworden na de val van de Muur. De ervaring dat een heel systeem binnen een paar weken van tafel kan worden geveegd. Dat dingen in beweging zijn, en dat ze vaak heel anders kunnen gaan dan je verwacht.’ Bij Duitse discussies over het heden is het verleden nooit ver weg.


Jerker Spits is germanist. Van hem verscheen deze maand Staalhelmen en curryworst: Een Duitse cultuurgeschiedenis in 15 fenomenen. Met illustraties van Piet Paris (Van Oorschot). Tournee in de Boekenweek met lezingen in onder meer Amsterdam, Leiden, Gouda en Groningen. Zie vanoorschot.nl


Beeld: (1)een migranten- familie in de trein op weg naar München (HH); (2) vluchtelingen uit de DDR in een opvangcentrum in de West-Duitse stad Giesen, net voor de val van de Muur (Flip Fransen / HH)

Medium boekenweekspecial2016 1