Een nieuw manifest

De Federatie van Kunstenaarsverenigingen viert deze week haar vijftigste verjaardag. Het muziekstuk dat Misha Mengelberg voor het verjaardagsfeest van de Federatie vervaardigde heet ‘Aan dovemans oren’. Een tekenende titel? Kunnen kunstenaars zich nog verenigen?
LOCATIE: een bruin café in de buurt van een hoofdstedelijke theaterstraat. In de zaal om de hoek wordt gecongresseerd over het onderwerp ‘De maatschappelijke verantwoordelijkheid van de kunstenaar op de grens van het derde millennium’. Een groepje jonge artiesten heeft het congres voortijdig verlaten. Flarden uit een rokerige en drankovergoten conversatie.

De cineaste: ‘Collega’s zijn per definitie concurrenten. Al tijdens mijn opleiding was iedereen puur pragmatisch bezig. Over kunstbeleid en filmcultuur werd nooit gesproken.’ De schrijver: 'Mijn generatie bestaat eigenlijk uit zakenmensen. Er is een schrijnend gebrek aan collegialiteit. Solidariteit hoefje al helemaal niet te verwachten.’ De theatermaker: 'Na de vernieuwingen in de jaren zestig is alles bij het toneel vrij goed georganiseerd. Ik ben nu veertig, ik heb van die goede organisatie kunnen profiteren. Maar de markt is vreselijk groot geworden. De bastions binnen ons vak dring je als jong talent niet makkelijk meer binnen. Beroepsnijd is er wel, maar dat verschijnsel is per slot van rekening van alle tijden.’ De schrijver: ,Gezonde rivaliteit is normaal, maar in de letterkundige wereld is die beroepsnijd op het liederlijke af.’ De grafisch ontwerpster: 'Er komen teveel jonge kunstenaars op de markt. De opleidingen wekken bij de studenten verkeerde verwachtingen. Dat zou niet moeten mogen.’ De musicus: 'Subsidie moet die kunstenaars helpen die op de markt niet kunnen overleven en die toch goed genoeg zijn.’ De schrijver: 'Maar wat is dat dan. goed genoeg? Een van de grote problemen die op dit moment niet worden opgelost, is het herkennen van talent. Beleidsmakers. adviseurs en beslissers zijn vrijwel altijd veertig-plussers. Ze herkennen in veel gevallen niet meer waar hun jongere collega’s mee bezig zijn.’ De cineaste: 'Iemand diende laatst een scenario in. Maar noch bij de fondsen. noch bij de omroepen kreeg hij geld. Wat bleek? Ze vonden het einde niet goed. Er is een kloof tussen jonge kunstenaars en machthebbers aan het ontstaan.’ De grafisch ontwerpster: 'Ik was laatst op een symposium van mijn vakbond. Waar het over ging ben ik vergeten. Het was zó deprimerend! Een zaal vol losers. Allemaal subsidiegekken. Ik ben na een uur weggegaan. Ik wil daar niet bij horen.’ De schrijver: 'Het Fonds voor de Letteren nodigde me laatst uit om mee te praten over de een of andere overheidsnota. Ik was de enige onder de vijftig. Jonge auteurs willen zich klaarblijkelijk niet meer met cultuurbeleid bemoeien. Maar de oudere generatie vormt een star en ondoordringbaar blok. Er moet een wisseling van de wacht komen. Maar dat gebeurt niet.’ De cineaste: 'Misschien is die zittende generatie gewoon slimmer en meer ervaren. Misschien hebben wij niet genoeg in huis om de wisseling van de wacht te bewerkstelligen.’ De theatermaker: 'De generatie die na 1969 alle posities heeft veroverd, wil gewoon niet meer weg.’ De schrijver: 'Als je dat in de letterkundige wereld hardop roept, word je meteen afgemaakt.’
NATUURLIJK WAS er helemaal geen congres over de maatschappelijke positie van de kunstenaar in het naderende fin de siècle. En natuurlijk is deze discussie in het rokerige Amsterdamse café van a tot z verzonnen. Ze is wel gebaseerd op reële uitspraken. En ze vindt haar wortels in een serie werkelijk bestaande afgronden. Tussen pakweg veertigers en vijftigers in de kunsten en hun collega’s van twintig en dertig. Aanleiding is inderdaad de vijftigste verjaardag van de oprichting van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen, die vrijdag 26 april (in aanwezigheid van koningin Beatrix, die daarmee treedt in de voetsporen van haar grootmoeder Wilhelmina) in de Amsterdamse Melkweg zal worden gevierd. Daar zal wèl worden gecongresseerd. Qver de invloed van kunstenaars op cultuurbeleid. En over De Kracht van Kunst.
Aan de staatssecretaris voor de kunsten, Aad Nuis, zal een boek over de geschiedenis van de Federatie worden aangeboden, Kunst en beweging geheten. De organisatie van het jubileum is in handen van de kersverse Jan Kassies Stichting, een genootschap dat zich ten doel stelt de rol van de kunstenaar in de samenleving te versterken. De stichting is vernoemd naar de in het afgelopen najaar overleden kunstpionier, die ook jarenlang aan het hoofd van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen stond.
Het begon allemaal in de foyer van het Stedelijk Museum, waar op 5 januari 1946 de Federatie werd opgericht. Er lag een Manifest aan de kunstenaars van Nederland. Over het gebruik van de herwonnen vrijheid. Verwacht werd 1. een andere houding van de overheid tegenover de kunstenaar, die niet langer gezien moest worden als 'voorwerp van steun, maar een gezond voorwerp van regeringszorg’. Verwacht werd 2. een andere houding van de kunstenaar tegenover het publiek, het volk, een diep besef dat 'hun materieel en geestelijk eigenbelang nauw verweven is met het materieel en geestelijk eigenbelang van hun volk in zijn breedste lagen, d.w.z. met de welvaart van dat volk en met zijn kansen tot vergroting van zijn levensgeluk door een bloeiend cultuurleven. Een cultuurleven dat zich niet beroept op daverende “volkse” leuzen, maar wortelt in een algemene, gezonde en geschoolde belangstelling voor wetenschap en kunst. ’ Verwacht werd 3. dat kunstenaars 'hoezeer in hun werk tot individualisme geneigd, voor het winnen en handhaven van hun plaats in de samenleving en van de beste bestaansen werkmogelijkheden, zijn aangewezen op een hechte onderlinge samenwerking en eenheid.’
Het moge duidelijk zijn: hier is een team van aandoenlijke idealisten aan het woord. Mensen die 'fout’ waren in de oorlog (die zich hadden aangesloten bij de gehate Kulturkammer van de bezetter of die anderszins hadden gecollaboreerd) waren bij de Federatie niet welkom. In het Manifest aan de kunstenaars van Nederland werd gepleit voor een eigen Nederlands filmklimaat, een sterke organisatie van danskunstenaars (exclusief de ballroomdansers, die immers 'geen onmiddellijk kunstdoel’ voor ogen hadden). Voorts werd gepleit voor 'muzikale volksopvoeding’ en voor 'verzorging van het aandeel der muziek bij alle volksfeesten’ tot en met de 'opvoering van het peil der amusementsmuziek’. En Nederlandse toneelgezelschappen moesten hun werk ook kunnen vertonen 'in overzeese gebieden, met steun van de landsregering en die van de andere rijksdelen, en in samenwerking met de aldaar gevestigde kunstkringen’. Onder het Manifest aan de kunstenaars van Nederland stonden de handtekeningen van architecten als Gerrit Rietveld, beeldhouwers als Marie Andriessen, cineasten als Jan Hin, dansers als Hans Snoek, toneelspelers als Albert van Dalsum, schrijvers als Martinus Nijhoff.
Drie jaar later organiseerde De Federatie van Kunstenaarsverenigingen een van haar eerste geruchtmakende congressen, in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. De man die na de oorlog één jaar minister van onderwijs, Kunsten en Wetenschappen mocht zijn, de sociaal-democraat prof. dr. G. van der Leeuw, legde in een bevlogen referaat uit dat kunst niet de room in de koffie is, zelfs niet de koffie zelf, maar, een stuk van ons dagelijks brood’. Ook waarschuwde hij dat de kunstenaar zich niet door het publiek of door zijn broodheren moest laten leiden.
IK BLADER DOOR de proefdrukvellen van het jubileumboek dat de Federatie van Kunstenaarsverenigingen zichzelf deze week cadeau doet. Het is een taai geschreven drukwerkje, voornamelijk gebaseerd op verslagen, notulen, nota’s en notities. Een paar dingen vallen meteen op. In de beginjaren van haar bestaan heeft de Federatie zich als een terriër vastgebeten in de kuiten van de rijksoverheid. De staatsuitgaven voor de kunsten stijgen in de eerste tien jaar na de oorlog (tevens de eerste tien jaar van de Federatie) beduidend, met als topjaar 1956: een vooruitgang met 27 procent; voor film en beeldende kunst wordt het bedrag in dat jaar zelfs verdubbeld. Kunst neemt in 1956 0,16 procent van de totale rijksbegroting in beslag. Erg veel hoger is het bedrag sindsdien overigens nooit geworden.
Twee jaar later bindt de Federatie de strijd aan met de eerste bezuinigingen op de kunstbegroting, waarvoor de overheid toen al een fraai eufemisme had verzonnen: 'bestedingsbeperking’. In de periode tussen 1960 en 1964 verdubbelt de kunstenbegroting tot een totaal van bijna 24 miljoen. Het budget raakt op dat moment tevens verstopt: het merendeel van het geld gaat zitten in gevestigde instituties en in 'loonontwikkelingen’, zoals dat zo keurig heet: salarissen van mensen die bij gevestigde instituties in dienst zijn. Voor de scheppende kunsten is bizar weinig geld voorhanden.
In 1967, onder de legendarische katholieke minister van CRM, dr. Marga Klompé, deed opeens het begrip 'experiment’ zijn intrede. Klompé verdient nog altijd een borstbeeld in de eregalerij der cultuurpolitici, omdat zij de twaalf acteurs van het Werkteater een vol seizoen geld gaf en de groep tegelijkertijd onthief van de verplichting om voorstellingen uit te brengen. Het Werkteater mocht in de beslotenheid van het repetitielokaal van alles uitzoeken. Wie deze weken op de televisie de serie De eenzame oorlog van Koos Tak volgt, kan zien dat die beslissing het Nederlands theater een aantal begenadigde acteurs heeft opgeleverd.
In de loop van de jaren zestig en zeventig loopt de Federatie van Kunstenaarsverenigingen zichzelf vast in de fuik waar individuele kunstenaarsbelangen en de, in haar Manifest zo vurig bepleitte eenheid van kunstenaars elkaar heftig tegenkomen. Tussen de Federatie en de kunstenaarsvakbonden (eerst Anouk, later de Kunstenaarsorganisatie FNV) zijn nooit warme vriendschappen ontstaan.
DE HARDE confrontatie tussen de geldbuidel en het artistieke ideaal leidt binnen (en rondom) de Federatie in de loop van haar vijftigjarige bestaan tot een aantal Hoekse en Kabeljauwse twisten, waar zelfs voor een geïnvolveerde lezer van de geschiedenis op den duur werkelijk geen touw meer aan vast is te knopen. Als de Federatie in 1985 reageert op het pragmatische cultuurbeleid van minister Brinkman, lijkt het aandoenh'jke idealisme van veertig jaar daarvoor definitief door berusting te zijn vervangen: 'Het tijdperk van de maatschappelijke relevantie ligt definitief achter ons, begrijpen we al enige tijd. Ongemerkt is daarvoor de economische relevantie in de plaats gekomen.
'Zeg dat wel! Het meest interessante initiatief dat - vijfenveertig jaar na dato - als alternatief voor de Federatie van Kunstenaarsverenigingen kon worden gezien, was Kunsten '92, een leep plan uit 1991, bedacht door Frans de Ruiter (directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag) en Martijn Sanders (directeur van het Concertgebouw). Zij veegden grote instellingen, facilitaire bedrijven, kunstaanbieders, fondsen en belangenorganisaties (en wat al niet meer) bij elkaar onder één grote paraplu. Kunsten '92 waaide handig met de overheersende windrichtingen van de tijdgeest mee: kunst als factor op 'de markt’, kunst als injectie voor economische groei, kunst als element van de toeristenindustrie, kunst als exportartikel. De Federatie van Kunstenaarsverenigingen haastte zich dan ook in Kunsten '92 te participeren.
EN TOCH VIEL dat ene belangrijke onderscheid op, terugbladerend in het Manifest waarmee in 1946 de Federatie werd opgericht: het beschermen van de kunstenaar als individuele schepper, de artiest als gek, de eenling. De Federatie hield zich altijd met dat individu bezig. Er was zeker een permanente interesse in vakbondsachtige belangen. Maar bladerend in de geschiedenis van de Federatie, overheerst de interesse in die eenkennige idioot die zichzelf 'kunstenaar’ durft te noemen.
We keren terug naar het rokerige café in de binnenstad van Amsterdam. Er broeit iets. Om de hoek, in de legendarische theaterstraat, is het congres over 'De maatschappelijke positie van de kunstenaar onderweg naar het volgende millennium’ ondertussen overgegaan in de gebruikelijke receptie, compleet met drankjes en borrelhapjes.
In het bruine café dwarrelen tussen de overvolle asbakken en de voortdurend gevulde glazen van de jonge kunstenaars, brokstukken van een Nieuw Manifest neer. Het wordt allemaal wat onhandig geformuleerd. Maar wat zou dat.
De schrijver: 'We moeten iets verzinnen tegen de kunst als door de commercie gestuurde eenheidsworst. Kunst moet het publiek dicteren, niet andersom. Een belangrijke functie van het kunstonderwijs op scholen moet zijn het in contact brengen van leerlingen met hedendaagse kunst. Probeer de kloof tussen kunst en het potentiële publiek kleiner te maken.’
De cineaste: 'We moeten proberen opnieuw te formuleren waarom kunst noodzakelijk is. Dat vorige Manifest aan de kunstenaars van Nederland werd in de oorlog opgesteld. Kunst stond toen voor vrijheid, kunst werkte als troost. We verkeren nu in een andere situatie. Maar kunst is nog altijd noodzakelijk!
'De musicus: 'De overheid wil almaar meer schaalvergroting. Iedereen moet met iedereen fuseren. Dat is voor de overheid gemakkelijk, want overzichtelijk. Maar we zijn een klein land! Laten we ons als kunstenaars opnieuw realiseren wat de macht van het kleine is.’
De theatermaker: 'Alles van waarde is weerloos. Dat zei de dichter. Wij moeten die boodschap opnieuw uitdragen. Ze is niet populair. Maar daarom des te belangrijker. Er moet meer geld naar de kunsten. Toegekend op inhoudelijke, artistieke en kwalitatieve gronden, niet op criteria die met kwantiteit te maken hebben, met hoeveel je speelt, en voor hoeveel mensen. Een kunstenaar moet maken wat hij of zij wil maken. En vervolgens moet dat te zien zijn. Het te verdelen geld moet door de kunstenaars zelf worden bepaald. Hetgeen betekent: meer kunstenaars in de adviesraden. En geen Raad voor Cultuur (opvolger van de door de Federatie verzonnen Raad voor de Kunst) met daarin maar een paar verdwaalde kunstenaars.’
Het om de hoek doodgelopen congres over 'De maatschappelijke betekenis van de kunstenaar in het derde millennium’ was ondertussen allang gestrand in dronkenschappen en gebrabbel op tramhaltes. De jonge kunstenaars in het rokerige café waren ook niet helemaal helder meer. Maar hun avond was vruchtbaar geweest. In hun branderige koppen broeiden de bouwstenen voor een gebeeldhouwde tekst over de kunst in de komende tien jaar. Bij het afscheid spraken ze lacherig over een titel.
Een Nieuw Manifest verzonnen ze ten afscheid.