Een nieuw soort opstand

Begroeten wij in het Westen de opstand in Egypte als een teken dat de hang naar vrijheid en democratisering in het Midden-Oosten een nieuw elan heeft gekregen? Zal na de voorlopig geslaagde revolutie in Tunesië ook het volk in Marokko, Jemen, Jordanië, straks weer Iran en misschien zelfs Saoedi-Arabië door het verzet worden aangestoken? Of zien we in Egypte een nieuw bewijs dat de macht van het Westen, in het bijzonder die van Amerika, afbrokkelt? Want terwijl we via de televisie van de worsteling in de Egyptische steden getuige zijn, wordt het iedere dag duidelijker dat de regeringen in het Westen niet veel anders kunnen doen dan het beste ervan hopen.
Om bij de laatste vraag te beginnen: zolang de onzekerheid over de opvolging van Moebarak duurt, heeft Washington geen duidelijke gesprekspartner. Het leger?
Dat is, voorzover het in de chaos valt te beoordelen, de macht die tot dusver zo veel mogelijk de rol van scheidsrechter heeft gespeeld en zodoende in ieder geval tot
het begin van deze week een bloedbad heeft voorkomen. Wie vertegenwoordigen het leger? Naamloze generaals, die de president dertig jaar trouw zijn gebleven maar hem nu zonder ophef verlaten. Ze hebben hun carrière niet alleen aan hem te danken maar ook aan de genereuze hulp uit Washington. Onder Moebarak is Egypte een van Amerika’s betrouwbaarste bondgenoten in het Midden-Oosten geweest. In deze opstand blijft de legerleiding neutraal. Zolang er zich geen winnaar heeft aangediend, houden de generaals de handen vrij, wat erop wijst dat ze de dollarhulp op prijs stellen. Is het pleit beslecht, dan kunnen ze altijd nog kiezen.
Washington opereert even voorzichtig. Want wie of welke partij ook de opvolger van Moebarak mag zijn, het blijft van Amerikaans en algemeen westelijk belang Egypte zo veel mogelijk te vriend te houden. En met deze betrekkelijke passiviteit is aangetoond dat de invloed van het Westen in de regio opnieuw is afgenomen. Wat zouden de Amerikanen trouwens kunnen doen? Stellen we ons voor wat er in het slechtste geval zou kunnen gebeuren. De Moslimbroederschap neemt de macht over. Er verschijnt een president type Ahmadinejad van Iran, een megalomaan gevoed door een oeverloze haat. Zou het Westen dan militair kunnen ingrijpen?
Er zijn een paar factoren die dat hoogst onwaarschijnlijk maken. Wij aan deze kant van de wereld kunnen ons, na Irak en Afghanistan, geen derde oorlog veroorloven. De westerse economie wordt er te zwaar door belast, maar vooral de publieke opinie zal weigeren nog eens in een strijd met een islamitisch land te worden betrokken. En bovendien: Egypte heeft tachtig miljoen inwoners. Al sinds 1956, toen president Nasser het Suezkanaal nationaliseerde, weten we van welk vitaal belang het land voor de internationale handel is. En het grenst aan Israël. Een redelijke verhouding tussen Egypte en Israël is van belang voor het hele Westen. Dit alles maakt een daadwerkelijke ingreep in de Egyptische verhoudingen onmogelijk, want een oorlog onder deze omstandigheden zou de problemen alleen vergroten.
De uiterst voorzichtige houding die het Westen tot dusver tegenover het verloop van de Egyptische revolutie aanneemt brengt de theorie van de Britse historicus Paul Kennedy in herinnering. In zijn boek The Rise and Fall of the Great Powers (1986) ontwikkelt hij de theorie van de imperial overstretch. Heel kort gezegd: door zich geleidelijk met een overmaat aan overzeese verplichtingen te belasten, vergt het moederland te veel van zichzelf. De economie kan het niet meer trekken, het volk raakt vermoeid en dan, langzamerhand, is het met de wereldmacht gedaan. Zo is het met onze Republiek na de Gouden Eeuw gegaan, met de Fransen en de Britten. Nu zien we in de ontwikkeling van de internationale rol van Amerika al langer de symptomen van dit proces.
Maar er is een andere westerse invloed die zich in de Tunesische en de Egyptische revoluties laat gelden. Toen een jaar of twintig geleden internet door optimisten als het nieuwe, vrije medium van de democratie was ontdekt, werden ze voor fantasten versleten. Intussen heeft de digitale ontwikkeling zich ontembaar voortgezet. Van Hyves, Facebook, YouTube, Twitter, de zelfstandige blogs, WikiLeaks had de wildste fantast niet durven dromen. Nu horen ze tot de normale sociale media. In de vorming van de massa’s op de Egyptische pleinen hebben ze een onschatbare rol gespeeld. ‘De aanblik van de opstand zet aan tot opstand’, schreef Jean-François Revel in zijn Ni Marx ni Jésus (1970). Dankzij de sociale media is de aanblik van de opstand voor het eerst ongecensureerd ieder ogenblik beschikbaar.
En ook dankzij deze media kan het proletariaat van het Midden-Oosten zich nu voor het eerst een voorstelling maken van het dagelijks leven in de consumentenmaatschappij. Dat willen ze daar ook. Het zijn geen politieke of godsdienstige invloeden die in deze revoluties een rol spelen. Maar ze dragen wel bij tot een nieuw réveil van lang verdrukte massa’s. Onze buitenlandse politiek heeft daar nog geen antwoord op gevonden.