Een nieuw totalitarisme

Masha Gessen ontleedt de Russische hang naar autoritarisme en centralisme. Homo’s, kunstenaars en intellectuelen zijn de vijanden die de hervonden eenheid bedreigen.

Medium hh 47431237
Sympathisanten beschermen een LHBT-activist die is aangevallen door antihomo-demonstranten tijdens de Gay Pride in Sint-Petersburg. Later wordt de activist gearresteerd © Mads Nissen / Panos / HH

Eind jaren zeventig van de vorige eeuw, toen Masha Gessen twaalf jaar oud was, nam haar moeder haar apart. Ze hield haar voor dat ze zich geen illusies moest maken over de Sovjet-Unie, het land waar ze woonden. Dat was een totalitaire staat, vergelijkbaar met het nazi-regime in Duitsland. Alleen al dat besef, zo schrijft Gessen in de proloog van De toekomst is geschiedenis, duidde op een enorme onafhankelijkheid van geest. Zeker voor een sovjetburger. In de Sovjet-Unie was geen toekomst, en al helemaal niet voor een joodse familie. In 1981 wist de familie te emigreren naar de Verenigde Staten.

Na de val van de Muur keerde Gessen terug. Als journalist kwam ze verslag doen van de transitie naar een markteconomie en liberale democratie. Althans, dat hóópte ze. Het liep anders. Ergens, niet helemaal duidelijk waar, bleef die transitie steken. Sommigen spraken van ‘illiberale democratie’; anderen hadden het over een ‘hybride regime’. Weer anderen over een ‘maffiastaat’. Het nieuwe Rusland was veel, maar een liberale democratie was het in ieder geval niet.

Uiteindelijk hield ook Gessen het er voor gezien. Aanleiding was het veelbesproken verbod op ‘homoseksuele propaganda’. Onder geen beding mocht de indruk worden gewekt dat homoseksuele relaties gelijkwaardig waren aan ‘traditionele’ relaties. Het verbod was het sluitstuk van een virulente campagne tegen alles wat afweek van de nieuwe, vanuit het Kremlin verordonneerde ultraconservatieve norm. Met haar partner en haar adoptiekinderen verhuisde de lesbische en progressieve Gessen in 2013 terug naar New York.

Gezelliger werd het er in Rusland intussen niet op, helemaal niet sinds de inname van de Krim, het aanhoudende gestook in Oost-Oekraïne en de westerse sancties die daarop volgden.

Had het anders kunnen lopen? Lev Goedkov denkt van niet. Goedkov is een van de zeven kleurrijke personages die in De toekomst is geschiedenis centraal staan en waarlangs Gessen de verwording van postcommunistisch Rusland beschrijft. Goedkov werd in de jaren zeventig opgeleid als socioloog en deed in die hoedanigheid baanbrekend onderzoek naar de ‘homo sovjeticus’. Dit menstype had niet alleen behoefte aan een sterke leidersfiguur, maar was ook in staat tot ‘double think’. Volgens Goedkov was de homo sovjeticus na het ineenstorten van de Sovjet-Unie nooit helemaal opgehouden te bestaan. Net zoals het totalitarisme nooit helemaal verdwenen was. Goedkov zag dat als een fenomeen dat zich in Rusland aldoor herhaalde, net als een steeds terugkerende infectieziekte. Die was weliswaar niet steeds even levensbedreigend, zoals bijvoorbeeld onder Stalin, maar de symptomen waren aldoor dezelfde.

‘De terugkeer van het totalitaire Rusland’ luidt de ondertitel van Gessens boek. Daarmee is het vooral een poging de contouren van dat nieuwe totalitarisme in kaart te brengen. Daarvoor zet ze Goedkov in, maar ook een psychotherapeute en een filosoof. Die filosoof is niemand minder dan de neofascist Aleksander Doegin, gepassioneerd pleitbezorger van antiverlichte denkbeelden die volgens Gessen van bepalende invloed zou zijn geweest op de huidige koers van Poetin. Of dat werkelijk zo is valt echter te bezien.

Gessens vier andere personages zijn allen na 1984 geboren: de activiste Zhanna (dochter van de vermoorde oppositiepoliticus Boris Nemtsov), de journaliste Masha (kort verbonden aan de punkgroep Pussy Riot), de informaticus Serjosja (actief in de Maidanbeweging in Oekraïne) en de openlijk homoseksuele academicus Ljosja (verbonden aan de Universiteit van Perm, waar hij de afdeling genderstudies opzet – de enige in heel Rusland). Het zijn alle vier strevende personages en ze zorgen voor het nodige drama. Gessen beschrijft hun levens nauwgezet en koppelt die aan de ontwikkelingen in Rusland van de afgelopen dertig jaar: de ineenstorting van de Sovjet-Unie, de wilde jaren onder Jeltsin en de oligarchen, de opkomst van Poetin, de terugkeer van de orde, economische groei en uiteindelijk repressie en isolement. Dit procédé, waarbij de auteur het verhaal vertelt aan de hand van de minutieus gedocumenteerde levens van min of meer gewone mensen, kennen we uit The Unwinding van de Amerikaanse journalist George Packer. Ook bij Gessen levert dat mooie verhalen op. Op Doegin na zullen alle karakters uiteindelijk sneven. Ze laten het er gedesillusioneerd bij zitten of wijken uit naar het buitenland.

Toch zag het er aanvankelijk lang niet somber uit. Poetin herstelde niet alleen de orde, ook kreeg hij de onder Jeltsin geïmplodeerde economie weer aan de praat: balsem voor de gekwetste Russische trots. Het sovjetrijk mocht dan een reus op lemen voeten zijn geweest, het zorgde in ieder geval voor zijn burgers en gaf een gevoel van nationale trots. Dat alles was in de jaren negentig te grabbel gegooid. Zo bezien deed Poetin belangrijk en ook noodzakelijk werk. Tegelijk liet hij er direct al geen twijfel over bestaan wie er de baas was.

Gessen laat overtuigend zien dat met name homo’s in Rusland de kanarie in de kolenmijn zijn

Dat merkte Michail Chodorkovski. Deze puissant rijke oligarch met politieke aspiraties werd in 2003 tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens schimmige aantijgingen van belastingontduiking en corruptie. De boodschap was helder: in het nieuwe Rusland kun je rijk worden, héél rijk. Maar haal het niet in je hoofd om Poetin en de zijnen uit te dagen.

Dat er ook op het gebied van het buitenlandbeleid iets aan het schuiven raakte bleek in 2007 in München. Daar hield Poetin een toespraak waarin hij zich op ongekend felle toon keerde tegen de Amerikaanse dominantie. Het zou de opmaat blijken voor een harde en ook revanchistische opstelling vis-à-vis het ‘arrogante’ Westen. Daarbij ging het niet alleen om wraak voor de verloren Koude Oorlog. Steeds duidelijker werd dat Poetin helemaal niet van plan was om Rusland op te laten gaan in de liberale wereldorde. Het had een eigen opdracht te vervullen in de wereld.

Wat die missie was zou vanaf 2012 (en met name na de annexatie van de Krim in 2014) steeds nadrukkelijker blijken. Dat Poetin zijn regime pas achteraf met een ideologie optuigde is opmerkelijk genoeg. In de meeste gevallen begint het immers met een ideologie en volgt vanuit daar een greep naar de macht. Nu was het omgekeerd. De macht was al geconsolideerd. Was dit oprecht, of toch vooral cynisme, bedoeld om een kleptocratie ad hoc van ideologische legitimiteit te voorzien? Gessen neigt naar het laatste. Ze ziet er de hand van de obscure Doegin in.

Doegin is sterk beïnvloed door de negentiende-eeuwse Franse mysticus René Guénon en diens verwerping van de Verlichting. Hij bepleitte eerherstel voor het fascisme. Dat dit was ontspoord kwam voor rekening van de nazi’s; met de ideologie als zodanig was volgens Doegin weinig mis. Hij verwierp individuele vrijheid en toonde zich een voorstander van de Russische orthodoxie. Als het aan Doegin lag zou Rusland ‘de leider de antimoderne wereld’ worden. Gessen doet het voorkomen alsof Doegin de huisideoloog van het Kremlin is. In speeches van Poetin ziet ze de hand van Doegin, zoals die na de inname van de Krim.

Nu is het zeker waar dat Poetin een conservatieve zoniet reactionaire wind liet waaien. Maar of Doegin daar de bron van is, is de vraag. In zoverre Poetin zijn oor bij denkers te luisteren legt is dat eerder bij Ivan Iljin (1883-1953), een nationalistische, diep religieuze filosoof die zich na 1917 tegen de bolsjewieken keerde. Autocratie en orthodoxie, de pilaren waar het huidige regime op steunt, zijn een terugkerend thema in Iljins werk. In het Kremlin is Iljin inmiddels dusdanig populair dat zijn bekendste geschrift, Onze taken, cadeau werd gedaan aan alle regionale gouverneurs. Gessen wordt verweten in het Westen levende clichés over Rusland te bevestigen. De mediagenieke Doegin, met zijn baard en atypische voorkomen is zo’n cliché. In haar boek valt de naam van Iljin niet één keer.

Sowieso heeft Gessen weinig oog voor de geschiedenis van de longue durée. Waar het de Russische hang naar autoritarisme en centralisme betreft valt ze terug op de sociologie en de psychotherapie, terwijl daar juist vanuit de geschiedenis van het tsarisme allerlei interessants over is te zeggen. Wat Gessen wél haarfijn beschrijft is hoe die ultranationalistische omslag van 2012 in de praktijk uitpakt. Homo’s, kunstenaars, intellectuelen, liberale oppositie en buitenlandse ngo’s zijn nu de vijanden die de hervonden eenheid bedreigen.

De kleine vakgroep van Ljosja in Perm komt onder grote druk te staan. De term lgbt wordt vakkundig uit artikelen geschrapt, publicaties worden uit het jaarboek van de universiteit weggehouden. Als gastspreker op de Staatsuniversiteit van Moskou wordt Ljosja botweg voorgehouden dat homo’s in Poetins Rusland niet bestaan. Hij laat zich niet uit het veld slaan. Hij houdt de professoren voor dat in de Sovjet-Unie seks niet bestond – ‘en toch zijn jullie hier’.

Als er sprake is van de opkomst van een nieuw totalitarisme, dan laat Gessen overtuigend zien dat met name homo’s de spreekwoordelijke kanarie in de kolenmijn zijn. Ze schetst de hetzes in de media, de groepen ‘waakzame burgers’, die homo’s via advertenties in de val laten lopen en ze vervolgens aan een ‘heropvoedingscursus’ onderwerpen, en het snel toenemende geweld.

Economisch gaat het dankzij gekelderde olieprijzen en de sancties intussen snel bergafwaarts. Toch blijft Poetin in de peilingen scores tot wel tachtig procent halen. Hoe kan dat? Er is van alles denkbaar, maar via de personages van Gessen kom je er niets over te weten. Zeker, er zijn sociologische en psychologische inzichten van haar duiders. Maar hier wreekt zich vooral de eenzijdige keuze van vier hoofdpersonages. Gedurende het hele boek is er welgeteld één keer een paar alinea’s lang een uitgesproken Poetin-aanhanger aan het woord. Het maakt dat het Kremlin en Poetin, maar ook zijn immense populariteit, een black box blijven. Dat is een serieus tekort in een verder in alle opzichten meeslepend geschreven boek.

Gessen draagt veel aan wat haar centrale stelling dat er sprake is van een nieuw totalitarisme ondersteunt. Dat projecteert zich in het geval van Poetins Rusland niet in de toekomst, zoals het communisme, maar in het verleden (net als het nazisme). Toch overtuigt ze uiteindelijk niet. In een opiniestuk in 2015 vergeleek Gessen wat ze voor het nieuwe Russische totalitarisme houdt al eens met een roestige auto in een schuur die het nog bleek te doen. Maar wie dát zegt negeert een wezenlijk aspect van het totalitarisme, namelijk dat het zich kenmerkt door een revolutionaire dynamiek, een tomeloze energie. Maar juist die valt in het huidige Rusland niet duidelijk waar te nemen. Eerder verongelijktheid en cynisme.