‘Welkom in de Groene Kantine! Koffie, limonade, bier en broodjes zijn virtueel, maar wel kun je hier je interactieve ei kwijt. Over De Groene, de site, een bepaald artikel, over wat dan ook (nou ja, echt gierende waanzin wordt weggehaald).’

Met die boodschap werden lezers van De Groene Amsterdammer eind jaren negentig welkom geheten in de chatgroep op de website. De achtergrond was wit, de letters waren zwart, en boven aan de pagina stond in neongroene letters de naam van het weekblad, met daaronder vrolijke pictogrammen die leidden naar de pagina’s ‘archief’, ‘abbo’, ‘zoeken’, ‘mail’ en ‘home’. Deze versie van de Groene-website is tegenwoordig alleen nog te bezoeken via de Wayback Machine, een website die oude internetpagina’s terughaalt. De inhoud van de chatgroepen, met titels als ‘Big Brother????hartstikke kunst joh!’ en ‘Ansicht uit de Gironde’ is daar niet meer te lezen.

Wie De Groene tegenwoordig online bezoekt, ziet geen mogelijkheid meer om het over artikelen of ‘wat dan ook’ te hebben, want de Kantine ging in 2005 offline. Wel meer media, zoals de Volkskrant en de NRC, haalden na de eerste optimistische pogingen hun interactiemogelijkheden weer weg. Bij De Groene viel dat samen met het vertrek van de webredacteur die de pagina beheerde. Het was arbeidsintensief werk om de Kantine draaiende te houden; er moesten oplossingen gevonden worden voor trollen, en omdat er steeds meer ‘echt gierende waanzin’ werd gepost, moest ook steeds meer worden verwijderd. Het betekende veel zelf sleutelen, bijvoorbeeld aan een manier om kantinegasten elkaar te laten wegstemmen.

Op de vrolijke oude homepage van De Groene staat de naam van de bouwer en zelfbenoemde ‘kantinejuf’ die dat allemaal regelde, internetpionier Marianne van den Boomen. Zij schreef in het jaar 2000 het boek Leven op het net, waarin ze antropologisch onderzoek doet naar online gemeenschappen. De sociale dynamiek van het internet kon je zien als een markt, een sociale plek waar mensen zich kunnen bewegen, waar goederen worden uitgeruild en relaties worden bestendigd. Een plek die wordt voortgedreven ‘door de dynamiek van vraag en aanbod c.q. antwoord, zo min mogelijk gehinderd door externe regulering, uitmondend in de overleving van wat het meest aanslaat en aansluit’.

Van den Boomen opperde ook een andere metafoor. Het internet, zoals zij het rond de millenniumwisseling zag, vertoonde gelijkenissen met het publieke domein, een openbaar gebied met ook een maatschappelijke functie ‘waar geen enkel privaat of politiek belang prevaleert boven de sociale belangen van het collectief dat er gebruik van maakt’. Zowel de staat als de markt wil het publieke domein gebruiken voor hun eigen belangen, waarschuwt ze. ‘En dat kan zeker een bedreiging vormen voor de primaire sociale functies die daar worden vervuld.’

Deze waarschuwing leest omineus nu deze in vervulling is gekomen, maar het is goed om te onthouden dat het niet altijd zo vanzelfsprekend was dat het internet een bedreiging vormde voor de sociale functies van het publieke domein. Ook Van den Boomen, die in 2014 is overleden, ging er in 2000 niet van uit: ‘Het is nog maar de vraag of de ene kracht in staat is de andere totaal op te eten of te marginaliseren. Zo lang internet een open systeem blijft, is dat niet waarschijnlijk. In een open systeem zullen immers altijd kieren en gaten optreden waar zich vormen van publiek en pseudo-publiek domein met een eigen dynamiek en gifteconomie zullen nestelen. Sterker nog, zo’n open systeem bestaat vooral uit kieren en gaten.’

Hoe komen we tot een internet dat open, eerlijk en inclusief is? In samenwerking met Waag gaat De Groene op zoek naar een veilige digitale publieke ruimte. Neem deel aan dat experiment via de chatapp Element.

Het internet is geen open systeem meer. Inmiddels bestaat het grootste deel ervan uit platforms die niet alleen de regels bepalen over wat je wel en niet mag zeggen en laten zien, maar die ook gebruikers uitbuiten voor financieel gewin en zijn verworden tot politieke manipulatiemachines. Vroege utopisten vonden dat we getuige waren van de geboorte van een nieuw medium van vrije communicatie, waar burgers ongemanipuleerd en direct met elkaar konden communiceren, maar in de loop van de jaren 2000 begonnen sociale-mediaplatforms als Facebook, Twitter en Reddit het internet te domineren.

De vraagstukken die Van den Boomen in haar boek opwerpt, over hoe digitale gemeenschappen onderhouden moeten worden en hoe het publieke debat op een gezonde manier kan worden gevoerd, lezen actueel, alsof de tijd heeft stilgestaan. In zekere zin heeft die dat ook – de eerste generatie internetpioniers waarschuwt al lang dat het publiek en de overheid door het gebruik van sociale-mediaplatforms zijn ingeslapen. We hebben te makkelijk geleund op services die langzaam ons leven overnamen, en pas sinds een paar jaar is het besef ingedaald dat het zo, met het internet zoals het nu is, niet meer verder kan.

Het open internet van weleer wordt ook wel het internet 1.0 genoemd. Het geplatformiseerde internet, waarbij een handvol monopolisten alle debatplatforms in handen heeft, heet 2.0. Vanuit verschillende ideologieën wordt er inmiddels gefantaseerd over een derde versie van het internet. Het moet opnieuw worden opengebroken, daar is iedereen het over eens, en er moet weer meer macht bij de gebruikers komen te liggen. Sommige dromers houden er libertaire ideeën op na en zouden gebruikers in ieder geval zelf de macht willen geven over de verkoop van hun data. Anderen, zoals James Muldoon, auteur van het boek Platform Socialism, vinden dat het gaat om ‘de actieve deelname van burgers aan het ontwerp en de controle van sociaal-technische systemen, in plaats van hun regulering achteraf door een technocratische elite’.

Een van de internetpioniers die de maatschappij al lang probeert wakker te schudden is Marleen Stikker. In haar boek Het internet is stuk uit 2020 beschrijft Stikker, die in de begintijd van het internet de vrijplaats De Digitale Stad oprichtte waarvan ook de Groene Kantine onderdeel was, hoe het internet vanuit de Amsterdamse krakerscultuur van de jaren tachtig en negentig in de maatschappij werd gebracht. ‘We wilden dit nieuwe publieke domein ontginnen en toegankelijk maken voor iedereen. Elk idee dat we in ons hoofd kregen, konden we uitvoeren, en we waren op dreef in die tijd. Chat combineren met live-tv? Zeker. Camera’s besturen vanuit de huiskamer? Natuurlijk.’ In De Digitale Stad werden discussies gevoerd over wie de burgemeester van Amsterdam moest worden, maar ontstonden ook de eerste vraagstukken over de schending van commerciële belangen en de grenzen van de rechtsorde. ‘Het bleek kinderspel vergeleken bij wat er nog zou komen’, schrijft Stikker.

Wat er nog zou komen, was: move fast and break things. Mensen werden door Google en Facebook over het hele internet gevolgd. Op basis van Facebook-gegevens werd geprobeerd verkiezingen te beïnvloeden. Schandalen stapelden zich met de jaren op: een klokkenluider openbaarde in 2021 dat Instagram expres inspeelde op de onzekerheid van jonge meisjes. Facebook bouwde algoritmes waardoor nieuws dat mensen woedend maakte zichtbaarder werd en bleek deels verantwoordelijk voor de Capitool-bestorming. Wat er kwam, was het Twitter-account van Donald Trump en vervolgens de verwijdering daarvan, twee fenomenen die allebei serieuze vragen opriepen over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Er kwamen verkiezingen en oorlogen waarbij deze platforms macht kregen over wat gebruikers zien, welke kanalen ze naar voren schuiven en welke ze blokkeren. En dat alles vrijwel ondoorzichtig.

Stikker noemt het triest dat de nieuwe generatie ‘een internet aantreft waar de grasgroene ideeën over de mogelijkheden van vrije communicatie en zelfontplooiing verdord zijn’. Haar boek draagt de hoopvolle ondertitel Maar we kunnen het repareren. Inmiddels zijn de grote problemen van de platforms vaak genoeg beschreven, het is nu tijd om iets te doen. Ze staat aan het hoofd van debatcentrum Waag, dat onderzoek doet naar digitale vraagstukken. Samen met andere publieke organisaties zoals de Koninklijke Bibliotheek en de vpro maakt Waag deel uit van PublicSpaces, een coalitie die probeert een nieuwe, publieke vorm van het internet bespreekbaar te maken en platformisering te doorbreken.

Daarvoor is veel nodig. 25 jaar heeft het geduurd om het internet te breken, zegt Stikker vaak, dus misschien duurt de reparatie ook wel 25 jaar. In haar boek beschrijft ze verschillende bouwstenen voor die nieuwe wereld. Zo wordt het werk van internetontwikkelaars nu vaak duur verhandeld, maar dat zou niet hoeven. Academici delen via open access hun werk met elkaar in het belang van de wetenschap. Op die manier zouden makers hun werk ook kunnen vrijgeven aan anderen (open source), om informatie-uitwisseling voorop te stellen, in plaats van commercieel gewin. Technologisch gezien is dat niet moeilijk, schrijft Stikker. ‘Als de overheid in haar ict-aanbestedingen expliciet maakt dat de code leesbaar moet zijn zodat andere ontwikkelaars ermee verder kunnen, breekt dat de macht van de huidige ict-industrie.’

Een van de bekendste pogingen om gebruikers controle over hun gegevens te geven, is de server Matrix, die gebouwd is op basis van publieke waarden. Het is een plek waar data worden opgeslagen en uitgewisseld, maar zonder centraal controlepunt. Iedereen kan er een eigen server op hebben en heeft dus ook zelf de controle, dat heet decentralisatie. Er zijn al veel vergelijkbare veilige, innovatieve en ethische alternatieven voor de sociale media die we gebruiken, maar een van de grootste problemen is dat mensen die alternatieven niet weten te vinden, of te gemakzuchtig zijn om ze te gebruiken.

‘We hebben wat reactionaire en extreem-rechtse figuren op dat platform gehad, dat is ook niet wat je wil’

Maar zoals we nu vliegschaamte hebben, moeten we ook Facebook- en Google-schaamte ontwikkelen, vindt Stikker. Ze noemt het onverteerbaar dat culturele en maatschappelijke organisaties om hun publiek te bereiken moeten bijdragen aan de macht van privacy schendende sociale platforms. PublicSpaces probeert daar een einde aan te maken, door met Europese partners te zoeken naar alternatieven, met als doel het publieke domein terug te veroveren. ‘Het is een vreemde gewaarwording’, schrijft Stikker, ‘dat we met De Digitale Stad 25 jaar geleden een digitale publieke ruimte op het internet ontwikkelden en nu die hele exercitie opnieuw moeten doen.’

De coalitie rondom PublicSpaces is niet de enige die het internet opnieuw probeert uit te vinden. In zijn column over media in NRC beschreef Ernst-Jan Pfauth begin maart een nieuwe vorm van het internet, die Web3 heet. Van een aandachtseconomie van het internet 2.0, waar door de grote platforms miljoenen worden verdiend aan de data van gebruikers, wil Web3 naar een eigendom-economie. ‘Toen ik dat voor het eerst las, herkende ik de kriebels uit 2000. Net als toen zag ik een nieuw kansenveld ontstaan en bracht ik elke avond met de laptop op de bank door’, schrijft Pfauth.

Web3 draait op blockchains, wat er in theorie voor zou kunnen zorgen dat iedereen die aan het nieuwe internet deelneemt en er op die manier waarde aan toevoegt ook iets terugkrijgt. De crux van een blockchain is dat eigendom duidelijk wordt vastgelegd zonder tussenkomst van notarissen en andere tussenpersonen. Op die manier kunnen voor elke internetbeweging of toevoeging, zoals een berichtje of een foto, aandelen in de vorm van digitaal geld worden uitgedeeld. Het zou ervoor moeten zorgen dat gebruikers macht uitoefenen op de platforms, in plaats van alleen adverteerders of de makers van het platform.

Hoewel hij het enthousiasme voor onontgonnen terrein uit zijn tienertijd herkende, is Pfauth niet onverdeeld enthousiast. ‘Er zijn slechte voortekenen. De grootste Web3-evangelisten zijn dezelfde mensen die miljoenen verdienen aan Web 2.0. Bovendien zitten er veel libertariërs tussen, die hopen dat Web3 de boel zo decentraliseert dat we overheden ook niet meer nodig hebben. Om over de milieu-impact van sommige blockchains niet eens te spreken.’

Waar Web3 ideologisch blijft steken, is de aanname dat je data verhandelbaar mogen zijn. Weliswaar krijg je er bij deze nieuwe versie iets voor terug – geld en medezeggenschap – maar je verkoopt ze nog steeds. Van die gedachte moet José van Dijck weinig hebben. In november kreeg de hoogleraar media en digitale samenleving aan de Universiteit Utrecht de Spinozapremie, een prijs van 2,5 miljoen euro. Samen met Bart Jacobs, de hoogleraar security, privacy en identity aan de Radboud Universiteit die in september de Stevinpremie ontving van nog eens 2,5 miljoen euro, bouwt ze aan een publiek alternatief voor de grote sociale media. Het initiatief, PubHubs, is onderdeel van de coalitie van PublicSpaces en is in november van start gegaan. Binnen vijf jaar moet het iets opleveren.

‘Ik wil ook waarde aan het internet kunnen toevoegen, maar niet alleen commerciële waarde’, zegt Van Dijck. ‘Voor mij zijn publieke waarden belangrijk, zoals democratische controle, verantwoordelijkheid, transparantie, soevereiniteit van de burger en duurzaamheid. Dat gaat niet over hoe je je data kunt inruilen voor iets anders. Stel je voor dat het internet gebouwd is op wat FitBit al doet, dat je je gezondheidsgegevens kunt inleveren voor mindering op je premie. Dat is quid pro quo in ruil voor monetaire waarde, en dat is gevaarlijk. Dan krijg je een nieuw soort markt waar mensen geen idee hebben hoe hun data in waarde worden omgezet.’

Van Dijck wil expliciet niet concurreren met Facebook, zegt ze. Het doel is juist om iets nieuws op te zetten dat gedragen wordt door het maatschappelijk middenveld, of ‘publieke hubs’ (PubHubs). Ze wil geen nieuw centralistisch model bouwen waarin gebruikers geen macht hebben over hoe hun gesprekken worden gemodereerd; mensen moeten zich juist bewust worden van hoe er met hun gegevens en gesprekken wordt omgegaan en daar zelf een aandeel in hebben. ‘We willen dat er zo veel mogelijk decentraal gebeurt, maar met een technische basis die voldoet aan een aantal gezamenlijke voorwaarden, zodat niet iedereen zijn eigen wiel moet uitvinden.’

Het verhaal van Marleen Stikker heeft weer momentum, denkt Van Dijck. ‘Tot 2015 was het een totaal onkritische massa die gebruik maakte van het internet. Mensen hadden niet door wat de nadelen zijn van zo’n commerciële omgeving.’ Pas sinds enkele jaren ziet ze individuele gebruikers, organisaties en overheidsinstanties zich realiseren dat de digitale transitie ook maatschappelijke inzet vereist, en aandacht van de overheid. ‘Dat betekent alleen niet dat je meteen ook alternatieven hebt, dat is het probleem.’

Aan dat publieke alternatief werkt Van Dijck behalve met Bart Jacobs samen met PublicSpaces-voorzitter Geert-Jan Bogaerts en een groep onderzoekers. Er moet een online publieke ruimte komen die niet de nadelen heeft van een commerciële ruimte, maar wel de voordelen van online-gemeenschappen. ‘Facebook is rechtstreeks op individuen gericht en probeert instituties te omzeilen’, vertelt Van Dijck. ‘Ze worden niet betrokken bij moderatie, want daar worden complexe algoritmes voor gebruikt. Dat zorgt voor problemen, want Facebook neemt niet dezelfde verantwoordelijkheden ten aanzien van transparantie die instituties wél zouden nemen.’

De buitenproportionele macht van sociale netwerken ziet Van Dijck nu terug in de oorlog tussen Rusland en Oekraïne: ‘Deze bedrijven krijgen de taak om te gaan modereren in een informatieoorlog. Laten we van Russia Today toe dat ze desinformatie verspreiden, laten we bepaalde sites online staan? Dat zijn gigantische verantwoordelijkheden, die in het verleden werden gedragen door staten en democratieën.’

In 2004 maakte Geert-Jan Bogaerts als kersverse chef digitaal van de Volkskrant een blog aan voor de krant. Hij had nog niet veel ervaring met kritische vragen stellen over het internet, was daarvóór correspondent geweest in Brussel, maar wilde nu toch een poging doen om ‘van het gesloten bastion dat een redactie is een soort rotonde te maken waarin publiek en de redactie met elkaar een gesprek kunnen aangaan. Waar mensen zich konden laten inspireren, waar het publiek vragen kon stellen’.

Je kon je identiteit geheimhouden met een pseudoniem, maar je moest je e-mailadres geven. De gebruikersvoorwaarden waren heel ruim. Alles wat de wet niet verbood, dat mocht, vertelt Bogaerts. Dat mondde zo nu en dan uit in chaos. ‘Op een gegeven moment diende de pedopartij zich aan, zulke dingen. We hebben wat reactionaire en extreem-rechtse figuren op dat platform gehad, dat is ook niet wat je wil. Ethisch niet, en vanuit marketing was het af en toe een dilemma. Je wordt geassocieerd met bewegingen waarmee je niet geïdentificeerd wil worden.’

In 2011 werd het Volkskrant-blog opgeheven omdat het te veel menskracht kostte om het draaiende te houden. Zeven jaar later las Bogaerts, inmiddels chef digitaal bij de vpro, een oproep van de Amerikaanse blogger, mediawetenschapper en internetactivist Ethan Zuckerman. Europese publieke omroepen moesten volgens Zuckerman het voortouw nemen om zich het publieke deel van het internet weer toe te eigenen. ‘Die oproep heb ik ter harte genomen’, zegt Bogaerts. ‘De volgende dag, Tweede Paasdag, heb ik ’s ochtends vroeg aan de keukentafel een manifest geschreven.’

Dat werd het manifest waaruit PublicSpaces ontstond. Bogaerts ziet net als Van Dijck een sterke rol voor publieke organisaties, ook om te zorgen dat die hun eigen signatuur kunnen behouden. ‘De vpro maakt bijvoorbeeld Sekszusjes, waarin blote piemels en vagina’s passeren. Dat kunnen we niet op Facebook laten zien, terwijl dat een programma is waar we trots op zijn. Maar ook bijvoorbeeld leden van een patiëntenvereniging voor mensen met een eetstoornis wil je liever niet op Facebook hun hele hebben en houden laten delen. Zelfs in een besloten groep is geen enkele controle op wie daar nog meer rondloopt. Voor hen willen we een veilige omgeving bouwen.’

Over dit onontgonnen terrein bestaan, net als 25 jaar geleden, meer vragen dan antwoorden. Hoe publieke sociale media blijvend gefinancierd kunnen worden zonder gebruikersgegevens te hoeven verkopen, is er een. Maar ook: hoe wordt het aantrekkelijk om over te stappen? Nieuw ontworpen media zijn vaak lelijk en gebruiksonvriendelijk. Wat ervoor nodig is om mensen naar een alternatief te krijgen bleek in de winter van 2021, toen Facebook, WhatsApp en Instagram er door een storing uit lagen. Het zorgde voor een recordaantal downloads van de veilige chat-app Signal.

Facebook permanent uitschakelen gaat misschien wat ver, maar Bogaerts denkt wel dat regels opleggen aan bestaande platforms helpt, samen met exclusieve inhoud en wat inzet om een aantrekkelijk alternatief te bieden. ‘Denk aan Beyoncé die haar album Paradise uitbrengt via Tidal en dat in haar eentje tot de meest gedownloade app in de app-store maakt. Of kleinschaliger: een collega wilde al een tijd haar hele familie naar Signal krijgen. Die besloot toen foto’s van haar pasgeboren baby alleen daar te delen.’

Er staat nogal wat op het spel. Door de macht over onze identiteit en ons vrije handelen uit handen te geven aan partijen die geen rekenschap hoeven af te leggen over hun motieven brengen we het fundament van ons menszijn in gevaar, schrijft Stikker. Daar iets aan doen, is een moeilijke klus, die begint met zelf nagaan en proberen te begrijpen wie welke informatie over je bezit. Nu de eerste stappen naar een nieuw web zijn gezet, is opnieuw de mogelijkheid ontstaan om zulke vraagstukken vanaf het begin serieus te nemen.