Iedereen moet kennis nemen van de Chinese kunst

Een nieuwe culturele revolutie

Of de snelle opmars van China hier nu angst of verwach tingen wekt, iedereen zou kennis moeten nemen van de Chinese kunst en cultuur, die bij ons nog zo slecht bekend zijn.

Op het terrein van de Chinese avant-garde beeldhouwkunst liep Nederland behoorlijk achter. Met de tentoonstelling Xianfeng! («voorhoede, avant-garde») is die achterstand nu in één klap goed gemaakt. Ook China zelf bevond zich artistiek gezien niet bepaald in de voorhoede. En ook daar is een geweldige inhaalslag aan de gang. Twee waarschuwingen vooraf. China is groot: 240 keer zo groot als Nederland, tachtig keer zo veel inwoners. Wat je ook zoekt, je zult het in China altijd vinden. Extreme armoede en puisante rijkdom, Middeleeuwen en postmodernisme, Chinese cultuur en westerse cultuur: je vindt het allemaal, en alles wat ertussen zit. Generaliseren over een land als China is dus uiterst hachelijk. En: de armen hebben in de regel geen tijd en geen geld voor kunst, en vanwege hun gebrek aan onderwijskansen meestal ook geen oog of oor. In China is dat net zo. Alleen is het aantal Chinese armen nogal groot: naar schatting een miljard mensen. Moderne kunst is de zaak van een kleine urbane minderheid.
In China heeft de traditionele kunst zich de laatste paar duizend jaar in een zeldzame continuïteit gehandhaafd. Bij mijn weten is de enige kunstvorm waarin met de traditie echt korte metten zijn gemaakt, de architectuur. De typisch Chinese vleugeldaken, hoekdecoraties en houtsnijwerk hebben het moeten afleggen tegen socialistische zakelijkheid. Hoogstens komen ze voor als karikaturen die de moderne architectonische monsters van een quasi-Chinees tintje moeten voorzien. In de beeldende kunst laten avant-gardisten, politieke pop-artisten, performance-artisten, cynisch-realisten en noem ze maar op het meest van zich spreken. Maar naast hen groeit en bloeit de traditionele kunst. Het gros van de afgestudeerden van de Chinese kunstacademies kiest de oude trant met haar vastgelegde thema’s volgens vaste modellen. Daarmee beantwoorden ze aan de smaak van de meeste Chinezen en die van menige binnen- en buitenlandse koper.
Waar komt die onthutsende continuïteit in de kunst vandaan? De confucianistische waarden waarvan de Chinese samenleving doortrokken is, gaan uit van maatschappelijke harmonie en van respect van de minderen voor hun meerderen. De meerderen zijn in familieverband de echtgenoot, de vader, de oudere broer; in sociaal verband zijn het de leraar en de ambtsdrager. De hoogste ambtsdrager is de keizer, wiens positie sinds 1949 wordt bekleed door de leider van de communistische partij.
De leraar – laoshi in het Chinees, waarbij lao («oud») respect uitdrukt – bewoont vanouds een ivoren toren. Zijn discipelen zeggen na wat hij hun voorzegt en gaan niet in dialoog met hem, laat staan dat ze hem tegenspreken. Vragen krijgt de leraar als regel niet, want dat kan twijfel inhouden aan zijn wijsheid. Als de beste leerling geldt nog altijd de leerling die geen vragen stelt. Leerlingen dienen ernaar te streven het niveau van hun leraar zo dicht mogelijk te benaderen. Hem evenaren is onmogelijk, laat staan hem voorbijstreven.
Dit patroon werkt innovatie niet in de hand. De consequentie daarvan zie je ook in de beeldende kunst. Steeds worden dezelfde canonieke scènes afgebeeld: verstilde natuur, prachtige bomen, een exotische vogel, een bevallige dame. Twee elementen vallen steeds weer op: de rust en harmonie die, conform het confucianistische denken, van het kunstwerk uitgaan, en het primaat van de techniek boven de artistieke zeggingskracht. Na zo veel herhalingen valt er artistiek immers niet zo veel meer te zeggen. Alle scheppingsdrang gaat dan zitten in de techniek, die in China tot superieure hoogten is gestegen. De kunst was traditioneel een zaak van de Mandarijnen en vooral van het keizerlijk hof, de belangrijkste kunstsponsor. De prachtigste kunstwerken waren daarvan het resultaat. Maar ze waren natuurlijk gespeend van ieder greintje sociaal non-conformisme.
De avant-garde die na Mao is opgekomen behoorde niet tot het establishment en liep over van non-conformistische ideeën. Het was gedaan met de meren en de berglandschappen, met de bloemetjes, de boompjes en de vogeltjes. Die breuk met het verleden had zich al voorgedaan onder Mao’s regime. In een toespraak in 1942 gaf Mao aan wat de culturele politiek zou worden van het communistische regime dat zeven jaar later aan de macht zou komen. Een kleine eeuw vóór hem had Thorbecke verkondigd: «De regering is geen oor delaar van wetenschap en kunst.» Dat kwam de Nederlandse liberale leider te staan op een snier van Multatuli, en indirect ook van Mao. Kunst en literatuur, zei deze, moeten de belangen dienen van arbeiders, boeren en soldaten – de achterban van de communistische partij. Daarmee kregen de kunstenaars de rol toe bedeeld van propagandisten en apologeten van de partij. De proletarische kunst, ook bekend als socialistisch realisme, was geboren.

De traditionele thema’s worden taboe en moeten plaatsmaken voor politiek correcte kunst. Oude materialen en technieken worden afgedankt. Niet meer de techniek staat centraal, maar de boodschap. De kunst is er niet meer voor de kunst, maar voor het volk, en staat onder regie van de voorhoede van het volk, de partij dus. Na Mao verandert de economische oriëntatie radicaal. China ontdekt de markt, een ommezwaai met giga-gevolgen voor zowel China zelf als de rest van de wereld. Ook voor de kunst heeft dat grote consequenties. De controle wordt minder strak. Gretig maken de kunstenaars gebruik van de nieuwe mogelijkheden. Niet dat ze zich als één man op de politieke en sociale thema’s storten, verre van dat: de traditionele kunst komt weer terug en wordt ontdekt door het Westen. Die boom gaat door tot de dag van vandaag. Maar er komt ook een avant-garde op die voortgaat op de onder Mao ingeslagen weg, zij het natuurlijk met een andere thematiek. De zogeheten politieke pop art in de schilder- en beeldhouwkunst gebruikt vaak propagandistische elementen van vroeger, maar voegt er graag verwijzingen aan toe naar de westerse consumptiemaatschappij, die in China stormenderhand oprukt. Ook Voorzitter Mao komt vaak terug, maar dan voorzien van nieuwe, desacrali serende attributen. Hét manifest van de avant-garde is het hoopje pulp dat overbleef nadat Huang Yong Ping twee standaardwerken over kunstgeschiedenis twee minuten in een wasmachine had laten draaien. Het moet de vernietiging voorstellen die voorafgaat aan de verlichting. Een vrije variatie op de praktijken van de Culturele Revolutie.
Lang niet alle kunstwerken willen een sociaal commentaar of een politiek manifest zijn. Vanaf de jaren negentig komt een nieuwe generatie op van kunstenaars die zich wijden aan de kunst ter wille van de kunst, en zeker ook ter wille van hun portemonnee. De meeste internationale aandacht trekt de performance art. China choqueert de wereld met acts zoals het toebereiden en opeten van een doodgeboren foetus, of de doodstille zit van een uur op een openbaar toilet, waarbij het naakte lichaam van de kunstenaar is ingesmeerd met honing en vet en dus overdekt met een zwerm insecten.

Kan dit allemaal zomaar? Nee, dat kan niet allemaal maar zo. Afgezien van de vraag of grenzen van elementair fatsoen ook moeten gelden voor grensverleggende kunst zijn er de grenzen van het Chinese politieke systeem, waaraan Thorbeckes liberalisme wezensvreemd is. De laatste tweeduizend jaar onderhouden de hoogste Chinese leiders met het volk de confucianistische vader-kindrelatie, waarin de vader in zijn wijsheid bepaalt wat goed is voor zijn kinderen. Die grenzen zijn sinds Mao’s tijd flink opgerekt, maar ze zijn er nog altijd. Soms worden tentoonstellingen op het laatste moment verboden of na een paar dagen gesloten, of wordt de elektriciteit afgesneden.
Ik citeer Ai Weiwei, een van de belangrijkste Chinese beeldend kunstenaars van het moment: «Aan de ene kant is er veel vrijheid. Bijna alles kan. Aan de andere kant is er hier nog steeds een systeem. Aan sommige gebieden, sommige taboes kun je niet komen. Er is nog steeds censuur. Je moet werkelijk erg op je qui-vive zijn om te weten waar de dunne lijn is, de grens. Je weet het niet precies, je moet intelligent zijn.»
De ontwikkeling in de artistieke vrijheid loopt parallel met de politieke ontwikkelingen. Er is een explosie van artistieke activiteiten in de jaren tachtig met af en toe een ingrijpen van de verbouwereerde overheid. Een scheidslijn is de grote nationale avant-garde-tentoonstelling in Peking in 1989, een creatief product van de creatieve tijdgeest. Het neerslaan van de revolte op het Tiananmenplein dat jaar komt ook in de wereld van de moderne kunst keihard aan. Veel kunstenaars nemen de wijk of nemen afstand.
Als daarna de avant-garde weer actief wordt, is ze minder politiek geëngageerd. Het gros van de bevolking is dat nog veel minder. Waar het om gaat, is geld en status. De huidige avant-gardekunstenaars zijn meestal heel direct in hun reflectie over wat ze om zich heen zien. Ze zien een maatschappij waarin geld de hoogste waarde is en vele miljoenen mensen vooralsnog buiten de prijzen zijn gevallen. Die elementen zijn dan ook frequent in hun werk aanwezig. Neem de City Peasants, praktisch de mascotte van de expositie in Scheveningen. Uit de houding van deze sjofele figuren spreekt een mix van hoop, afwachting en berusting. Je kunt ze iedere dag bij honderden in levenden lijve zien voor de stations van de grote Chinese steden. Het zijn de net uit het binnenland aangekomen boeren, die in de grote stad hun geluk komen beproeven.
Net als bij ons hebben veel Chinese kunstenaars andere interesses dan politieke en sociale. Vaak vieren ze triomfen in het buitenland. Want Chinese moderne kunst is in. De prijzen gaan verticaal omhoog. Steeds meer mensen willen kennismaken met de nieuwe Culturele Revolutie die in China aan de gang is. En het is nog maar een begin. China is bezig met een inhaalslag op alle fronten. Vele eeuwen lang was het de verst ontwikkelde en meest commerciële natie van de wereld. In de negentiende en twintigste eeuw werd het land getroffen door een aaneenschakeling van rampen: oor logen, buitenlandse bezettingen, burgeroor logen, ideologisch fanatisme. Pas een kwart eeuw geleden begon de moderne ontwikkeling. In geforceerde dagmarsen worden nu, met vallen en opstaan, de verloren jaren ingehaald. En waar het naartoe gaat, weet niemand.