Een nieuwe huiver

Hij dweepte met vrouwen, schoonheid en het kwaad. Maar vooral met zijn eigen zielepijn. Baudelaire, dichter van de onromantische romantiek, blonk uit in zelfkwelling. Onlangs verscheen de eerste complete vertaling van ‘Les fleurs du mal’. Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad. Vertaald door Peter Verstegen, uitgeverij Van Oorschot, 588 blz., f79,- (geb.), f59,- (pap.)
ALLES IS AL EENS gezegd en geschreven. En dat was honderd jaar geleden ook al zo. In 1838, op zijn zeventiende, schreef Charles Baudelaire aan zijn moeder dat hij niets dan moderne werken las, maar er zat bitter weinig bij wat hem kon bekoren. ‘De literatuur staat me verschrikkelijk tegen; eigenlijk ben ik sinds ik kan lezen nog nooit een boek tegengekomen waarvan ik helemaal weg was, waarvan ik van begin tot eind kon genieten; daarom lees ik maar niet meer.’ Hij was ontmoedigd, teleurgesteld. Want alles mocht, naar het woord van La Bruyere, dan al eens gezegd zijn, het was slecht gezegd.

En dat gold zeker voor de dichters. Hugo werd beschouwd als de grootste dichter, maar Baudelaire vond, ondanks zijn bewondering voor de man, diens werk te zoetgevooisd, te romantisch. De aanbeden natuur noemde hij ‘heilig verklaarde groenten’. Hij wilde iets nieuws ontdekken en dat op een andere, nieuwe manier brengen. Daar is hij in geslaagd. Algemeen wordt hij beschouwd als de eerste moderne dichter - wat dat dan ook betekenen mag, want hij had natuurlijk wel degelijk voorlopers en verwanten.
De bloemen van het kwaad verschenen als bundel in 1857. Eerder had hij sommige gedichten voorgedragen aan zijn vrienden. Ze wisten niet hoe erop te reageren. De latere edities (1861 en 1868) waren uitgebreid met nieuwe verzen. Het werk sloeg in als een bom. Hugo sprak later van 'een nieuwe huiver’. Flaubert schreef: 'U heeft een manier gevonden om de romantiek nieuw leven in te blazen.’ Een aantal gedichten werden als onzedelijk dan wel godslasterlijk beschouwd en Baudelaire werd veroordeeld tot het betalen van een boete. Alle aandacht die hij opeens kreeg, vervulde hem met zelfvertrouwen en met werklust, waar hij het altijd zo moeilijk mee had gehad. Totdat een syfilitische aanval hem in 1860 opbrak. Het was een veeg voorteken.
In 1867 stierf Baudelaire, zesenveertig jaar oud. De mythe rondom zijn eigenaardi ge persoon bestond toen al. Een mythe die hij gecultiveerd had en die hem tegelijkertijd met afschuw vervulde. Hij was een hooghartige maar soms bijna overdreven hoffelijke dandy in een wonderlijke, zelfontworpen zwarte jas waarvan de snit heel eigenwijs tegen de mode inging. Want Baudelaire was 'de vleesgeworden tegenspraak’ - om de woorden te gebruiken waarmee hij zijn zielsverwant Edgar Allan Poe karakteriseerde.
WAT WAS ER NIEUW aan deze bloemen? Afgezien van het uiterlijk van de (korte) verzen, een vorm van strenge barok die doet denken aan bevroren fonteinen, schreef hij zelf over de inhoud: 'Het leek me prettig, en des te aangenamer naarmate de taak moeilijker zou zijn, om schoonheid te ontlenen aan het Kwaad.’ Al eeuwen bezongen de dichters de schoonheid, maar Baudelaire deed dat op een vreemde wijze. Op een bizarre wijze, want: 'De schoonheid is altijd bizar.’ En zo, bizar en kwaadaardig, bezong hij bijvoorbeeld het schoonheidsideaal bij uitstek: de vrouw.
Baudelaire bezong vrouwen die hij persoonlijk kende. Het waren steevast vrouwen uit de demi-monde en ze hadden allemaal iets aparts. Hij maakte het zichzelf er vaak moeilijk mee. Iets wat hij graag deed. Met een van deze demi-mondaines, Jeanne Duval - een mulattin met een stevige boezem en enorme bos haar - woonde hij jarenlang samen. De gedichten over haar zijn bitter, om niet te zeggen wreed, ze komt eruit naar voren als een duivelin. Toch is hij haar, op zijn manier, zijn hele leven trouw gebleven.
Voor haar hield hij het met een jodin, wat in het antisemitische Frankrijk van de negentiende eeuw op zijn minst ongebruikelijk was. Met een andere dame, de vrijgevochten Mme Sabatier, had hij een platonische verhouding. Ze was in zijn verbeelding een godin: aangenaam, mooi en vooral ook onkwetsbaar. Hij stuurde haar, deze aanbiddelijke vrouw, gedichten vanuit het bordeel: 'After a night of pleasure and desolation, all my soul belongs to you.’ Na hun ontmoeting was die betovering echter verdwenen en was zij een gewone vrouw geworden. En daar hield hij niet van. De actrice Marie Daubrun werd zijn volgende vlam. Ook al een bijzondere verschijning met haar roodblonde haar en groene ogen. En zo waren er meer. Hij gebruikte ze - als materiaal.
EEN MINSTENS ZO belangrijk thema was het spleen, de ennui, de zwaarmoedigheid, de - zouden we nu zeggen - depressie. Hij, verdoolde 'christen’, voelde zich niet thuis in een wereld zonder God, een vijandige wereld waarin het Kwaad de boventoon voert en de Schoonheid onbereikbaar is, schrijft de Baudelaire-biograaf en -autoriteit Claude Pichois. Maar dat klinkt wel erg filosofisch. Misschien wel meer dan de goede God miste hij zijn lieve moeder, van wie hij geisoleerd raakte door tussenkomst van generaal Aupick, haar tweede man. Nog op zesendertigjarige leeftijd verwijt de dichter zijn moeder in een brief dat zij 'nooit begrepen heeft hoe onverdraaglijk gevoelig ik ben’. Ook in zijn gedichten zinspeelt hij soms op hun verhouding en het gedicht 'Zegening’, waarin de moeder haar kind de Dichter vervloekt, spreekt wat dat betreft duidelijke taal. Haar eerste man, Baudelaires vader, was een zestigjarige ex-priester met wie zij op zesentwintigjarige leeftijd voor de wet trouwde. Hij stierf toen Baudelaire vijf was. In het grote leeftijdsverschil tussen hen zag Baudelaire een van de oorzaken voor zijn onrust.
Onrust, want Baudelaire was een gevoelig en dus een gekweld mens, die graag zijn gram haalde. Desnoods op buitenstaanders (hij treiterde graag), en desnoods in een gedicht. Ontzettend eigenwijs ook, en dus eenzaam. Met zijn moeilijke karakter maakte hij het zichzelf dikwijls onmogelijk. Zijn gedichten vormden de spiegels waarin hij, de ijdele dandy, zichzelf met al zijn onvolkomenheden bekeek. Want onvolkomenheden had hij genoeg en daar was hij zich pijnlijk bewust van. Hoe weinig kwam er bijvoorbeeld terecht van alle plannen die hij in zijn hoofd had! Telkens weer beklaagde hij zich daarover.
Ja, de melancholie had hem stevig in haar greep - en opium en wijn hielpen niet. Tijdens zijn schooljeugd al noopte de weerzin hem tot steeds maar weer uitstellen, wat zijn prestaties niet ten goede kwam. Wegens aanhoudend geetter werd hij trouwens van school gestuurd. Pichois schrijft: 'Agressiviteit, excentriciteit, arrogantie, tirranieke vriendelijkheid, hij had alles van een verwend kind.’ Maar zo verwend was hij nou ook weer niet: hij werd financieel kort gehouden. En bovendien was hij, in de steek gelaten door zijn moeder, zelf een trouw iemand, wat hij zelf ook dondersgoed besefte: 'Ik geloof inderdaad (maar ik heb er te veel belang bij), dat trouw een van de kenmerken van genialiteit is.’
Een nieuw, modern element in zijn poezie is ook dat de romantische weemoed plaatsmaakt voor agressie. De rust van de natuur maakt plaats voor het gekrioel van de stad. Niet langer worden de ruines van kastelen uitgetekend, maar het verval van de mens zelf, de ruine van het paleis der ingewanden, om met maximaal Rene Huigen te spreken. Tal van gedichten vertonen dit thema. Een sprong in de afgrond, een woord dat steeds weer opduikt. 'Hemel of hel, wat doet het ertoe?/ Het Onbekende in, om er iets nieuws te vinden!’ Met die uitroep sluit de bundel af, bijna als een programma voor zijn literaire erfgenamen: de nieuwe romantici, de 'gedoemde dichters’, en later de expressionisten en de surrealisten. Het is een afdaling die gepaard gaat met schuld, wroeging en boete. Met (sado)masochisme.
IN ZIJN UITSTEKENDE 'Commentaar’ bij de gedichten schrijft vertaler Peter Verstegen dat die sadomasochistische verzen slechts blijken van 'een pose’ zijn en hij noemt Baudelaire niet zonder humor 'een salonsadist’. Daar zit beslist iets in. Aan de andere kant: toen het macabere gedicht 'Een kadaver’ zo'n opzien baarde ('Een smerig kreng, al half ontbonden./ De benen in de lucht, als van een vrouw die brandt/ van wellust’) liet de dichter weten niet te willen doorgaan voor de 'Kadaverprins’. Daar beklaagde hij zich over. Maar waarom dan niet over zijn imago als sadomasochist? Waarom koketteerde hij daar dan zelfs mee? Verder sloeg Baudelaire Jeanne Duval bijvoorbeeld en het is onmiskenbaar dat Baudelaire in al zijn zelfhaat masochistische trekjes vertoonde. Bovendien, ook al kende hij het werk van Sade misschien nauwelijks, in nagelaten aantekeningen kun je opmerkingen vinden als deze: 'Naar mijn mening is het enige en hoogste genot van de liefde gelegen in de zekerheid dat je kwaad doet.’ En: 'Het inroepen van de Duivel of het animale is vreugde vinden in de zelfverlaging.’ Baudelaire was een soms onuitstaanbare treiterbak die tot het uiterste ging, hij vergeleek de liefde met een spijkerbed. Allemaal pose? Of misschien weliswaar geen sadist, maar dan iemand die sadistische genoegens (her)kent? Zo vreemd is dat tenslotte niet.
In het 'Commentaar’ bij de gedichten van Baudelaire die Verstegen opnam in zijn bloemlezing van de Westeuropese poezie Natuur zal kunst nooit blijvend evenaren zegt hij dat Baudelaires gevoel voor melodrama en pathos een deel van zijn poezie ontsiert. In hoeverre is dat van invloed geweest bij het vertalen van al dat werk? Dat is lastig vast te stellen. Maar Verstegens vakwerk maakt vooral technisch indruk. 'Zingen’ wil het niet erg.
De vertalingen die ik ken van Petrus Hoosemans, van wie binnenkort de complete vertaling van De bloemen verschijnt, lezen prettiger, maar hij veroorlooft zich meer vrijheden dan waar Verstegen zich toe genoodzaakt ziet. En Baudelaire zelf hechtte groot belang aan (prosodische) nauwkeurigheid.
Maar eindelijk is die vertaling er dan. En dat is van groot belang. Komrij zei onlangs dat hij in zijn jeugd las wat iedere jonge dweper leest en noemde onder andere Baudelaire. Maar wordt er door jonge mensen nog wel gedweept met Baudelaire? Nee, want welk jongmens beheerst het Frans nog? Er wordt uberhaupt niet meer gedweept met poezie. Want de dichters zijn vastgelopen in autonomie en verstilling. Kon Slauerhoff alleen in zijn gedichten wonen en liet hij ons bij hem schuilen, de tegenwoordige dichter laat alleen zichzelf toe in zijn woordhuisje en verder niemand. De poezie is een beetje een ouwe-mannenaangelegenheid geworden.
Misschien, heel misschien kan de vertaling van Baudelaire, bij wie het tenslotte allemaal begonnen is, een aanzet tot een nieuw elan betekenen. Want dweepzucht is de zweepslag van het enthousiasme. Het enthousiasme waar zo'n gebrek aan is.