Een nieuwe kees de jongen

Willy van Doorselaer, Ik heet Kasper. Uitgeverij Houtekiet, 224 blz., f29,90
HET IS EERDER beschreven, een jongen die onwennig rondstapt in het niemandsland tussen kindertijd en volwassenheid: twee passen vooruit, drie naar achteren. Het portret dat de Vlaming Willy van Doorselaer van zo'n elfjarige schildert in Ik heet Kasper is echter zo gaaf, grappig en ontroerend dat het genre onder zijn handen opnieuw ontstaat. Kaspers ouders leven gescheiden, vader met een vriendin en moeder met haar zoon. Wanneer zijn moeder in het ziekenhuis terecht komt, ontdekt Kasper dat de filiaalchef van de plaatselijke supermarkt niet alleen mama’s baas, maar ook haar minnaar is. Als Sherlock Holmes sluipt de jongen achter zijn eigen ideeen aan, die hem worden ingegeven door zijn rijke fantasie en de boek voor boek verslonden collectie van de plaatselijke jeugdbibliotheek.

Voortdurend toetst hij de werkelijkheid aan die van zijn boekenhelden en probeert hij zijn problemen te benoemen via in het hoofd opgeslagen zinnetjes. Mooi is bijvoorbeeld dat vaders feilbaarheid voor het eerst blijkt wanneer zijn zoon op zoek is naar diens dierbaarste, maar verkeerd onthouden jeugdboekenhelden ‘Stanley en Liverpool’.
Genoemde speurtocht vormt de concrete en schijnbare hoofdlijn van het verhaal, maar er zijn andere ontdekkingen die minstens zo belangrijk zijn. Zo heeft de schooljuf die alle jongens weke knieen bezorgt, verdacht veel aandacht voor een collega en blijken er onder volwassenen voornamelijk Moeters en bedroevend weinig Maggers rond te lopen. Kasper weet zijn vader te bekeren tot de laatste soort. Hij begint vraagtekens te zetten bij de formule waarmee hij samen met zijn buurmeisje onaangename personen en gebeurtenissen denkt te bezweren en hij beschouwt zichzelf een gelukzalig moment als de uitvinder van de beste houding om met een meisje samen in een te smal bed te liggen.
Maar de allergrootste ontdekking is de vreugde van het schrijven: 'Ik voelde me vederlicht. Traag verhief ik me boven de dingen. Ik ging de lucht in als een ballon. Ik hing boven mijn eigen leven en overschouwde het.’
Dat 'overschouwen’ gebeurt in alle rust, met oog voor detail, groot gevoel voor humor en met uitzonderlijk milde blik. Vooral uit het laatste blijkt (soms hinderlijk) dat hier geen elfjarige aan het woord is, maar iemand die al veertig jaar verder is. Wat de auteur en zijn schrijvende hoofdpersoon delen, is de liefde voor de taal. In korte, wat bitse zinnen, waarin elk woord gewogen lijkt voor het mee mocht doen, weet Van Doorselaer mensen en situaties te treffen. Het meest verbonden is hij met de jongen, wiens grillige gedachtenwereld hij zo goed begrijpt en die - nog met een been in het rijk van de magie - balanceert op de grens tussen onaanraakbaarheid en kwetsbaarheid. Zeventig jaar na Theo Thijssen wandelt er in de omstreken van Gent opnieuw een soort Kees de Jongen rond. En precies als bij zijn illustere voorganger zullen zowel volwassen als aankomend volwassen lezers hem in het hart sluiten. Omdat de wegen van Vlaamse uitgevers ondoorgrondelijk zijn, belandde Van Doorselaers debuut pas onlangs op mijn bureau. Het lijkt mij te belangwekkend om het niet alsnog, ruim een jaar na verschijnen, onder de aandacht te brengen.