Rutte I Naar een onder- en een bovenklasse?

Een nieuwe kloof

Het (zelf)beeld van Nederland dat iedereen gelijke kansen heeft op maatschappelijk succes is aan het wankelen. Er is een nieuwe scheidslijn tussen hoogopgeleide kosmopolieten en meer nationaal georiënteerde lageropgeleiden.

OP EEN VRIJDAGMIDDAG begin oktober ligt de middeleeuwse binnenstad van Utrecht vredig te baden in een lage najaarszon. In de statige raadszaal van het universiteitsgebouw is een gezelschap van hoogleraren en onderzoekers bijeengekomen voor de feestelijke opening van het nieuwe interdisciplinaire kenniscentrum ‘Instituties van de Open Samenleving’. Een aantal sprekers laat het licht schijnen over de toekomst van de 'civil society’ met als centrale vraag: is de open samenleving in Nederland op z'n retour?
Zo te beluisteren valt het met de kloven en scheuren in de samenleving wel mee, en zijn het eerder de media die er een groot drama van maken. Uit onderzoek blijkt dat het vertrouwen in de overheid en gezaghebbende instellingen nog altijd het hoogst in Europa is. Maar ook fluctueert dat vertrouwen vanaf 2000, met een forse dip in 2002 (de moord op Pim Fortuyn) en is de voorspelbaarheid van wat kiezers gaan stemmen sinds 1994 afgenomen - wat een teken is dat er definitief een einde is gekomen aan de verzuiling. De algehele conclusie is: er is géén vertrouwenscrisis, Nederland blijft een high trust country, maar de electorale schommelingen zijn moeilijk te beïnvloeden en dát veroorzaakt politieke onzekerheid.
'Nederland is kampioen zwartkijken. Wij voelen allerlei maatschappelijke tegenstellingen - zoals tussen arm en rijk, allochtoon en autochtoon - sterker dan waar dan ook in Europa. We praten elkaar de put in. De beeldvorming is eerder gericht op angst dan op vreugde’, zegt Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). 'Nederland is in transitie: van ouderwets progressief naar modern conservatisme, waarbij we zitten in een sfeer van negatieve maakbaarheid.’
Voorzitter van de Sociaal Economische Raad (SER) Rinnooy Kan is zeker niet van het pessimistische type. Nee, hij denkt niet dat Nederland over tien jaar een bang, introvert en vereenzaamd landje aan de rand van Europa zal zijn. Hij gelooft niet in het beeld van een verkruimelende samenleving met een wantrouwende en de middelvinger opstekende bevolking. Graag wijst hij op de rijke subcultuur aan instellingen, zoals de SER, de Produktschappen en de Stichting van de Arbeid, wat geen land ter wereld heeft. 'Zij zijn gericht op dialoog, overleg en samenwerking. Hierdoor hebben we de afgelopen decennia grote welvaart doorgemaakt, kennen we weinig stakingen en zijn we relatief zonder schade uit de crisis gekomen. Maar populisten houden niet van dit soort samenwerking en overleg. We móeten in gesprek blijven, streven naar een open samenleving die verschillen overbrugt en mensen insluit.’
Hoogleraar bestuurskunde Mark Bovens, auteur van het rapport Diploma Democracy: On the Tensions between Meritocracy and Democracy (dat binnenkort verschijnt in boekvorm) maakt forse kanttekeningen. Net als Schnabel constateert hij dat hoe lager het opleidingsniveau is, hoe minder tevredenheid er is over de samenleving en de politiek. Er is duidelijk sprake van een nieuwe kloof in Nederland. Tussen enerzijds de hoogopgeleide internationaal georiënteerde burgers, de krantenlezers met een groot 'politiek zelfvertrouwen’ en anderzijds de lageropgeleide burgers, ouderen en vroegtijdige schoolverlaters die vooral kijken naar de commerciële televisie. Zij zijn cynisch over de overheid en de politiek, maatschappelijk minder actief, en uit alle politieke en overleg-arena’s uitgesloten. Deze scherpe scheidslijn tussen 'kosmopolieten’ en 'nationalisten’ vertaalt zich in het stemgedrag. 'Dé opgave voor de aanstaande jaren is hoe je Henk en Ingrid binnenboord houdt.’
Al met al hangt op dit symposium een sfeer van een groot vertrouwen in de rekbare en maakbare samenleving. Of duidt deze visie eerder op zelfgenoegzaamheid, waarvoor deze kring van (overwegend) mannen, afkomstig uit de politiek, overlegorganen en de academische wereld, waaronder niet één allochtoon, zélf misschien illustratief is? Hier zit immers de voorhoede van invloedrijke mensen waarvan een deel in de samenleving het idee krijgt dat zij het allemaal regelen zonder daarbij de noden van de lageropgeleide burgers te kennen.
Dit wordt bevestigd door het onlangs verschenen rapport Een vreemde in eigen land: Boze autochtone burgers over nieuwe Nederlanders en de overheid van het Verwey-Jonker Instituut. De geïnterviewde groep, autochtoon, in de laagopgeleide en lage middenklasse, is pessimistisch gestemd over de samenleving. 'Een lange traditie van consensusvorming heeft Nederlanders zeer bedreven gemaakt in het dempen van conflicten en het bedenken van pragmatische oplossingen’, staat er, waarbij Pim Fortuyn wordt aangehaald, die een grote schoonmaak van de politieke kaste nodig achtte. 'Deze elite staat los van de maatschappij en heeft een eigen cultuur, taal en zelfbeeld, met een eigen loopbaanplanning en carrièrepatroon. De burger raakt los van de politiek en negeert steeds meer het geklets in de landelijke vergaderzalen. Ze kapen de problemen weg bij de burgers en verliezen het zicht op de oorzaak van de problemen. Zelfs het kiezen van de apolitieke macht lijkt voorbehouden aan de partijpolitieke elite.’
Dit verontrustende rapport belicht een grote groep, zo'n dertig procent van de Nederlanders, bij wie het ressentiment diep is geworteld in een cluster van sentimenten: van achterstelling, van niet gehoord worden, van tekortschieten, van opzijgezet worden. Deze mensen geven aan dat zij het weliswaar materieel goed hebben - veel beter dan hun ouders en grootouders - maar zich 'vreemden in eigen land’ voelen. Migranten, de invloed van 'Brussel’ en de snelle globalisatie zijn daar debet aan, maar meer nog is er onvrede over de overheid, die hun noodkreten hierover heeft veronachtzaamd en de politiek, in het bijzonder de linkse partijen, die hen heeft weggezet als verwende, xenofobe, bange burgers. De conclusie van de onderzoekers is dat die kloof tussen deze groep en 'de elite’ niet zomaar te dichten is en alle urgentie heeft om te overbruggen.

HOE 'OPEN’ is onze samenleving eigenlijk? En hoe zit het met het feit dat zich in Nederland, net als in de Scandinavische landen, in de afgelopen anderhalve eeuw een sterke verzorgingsstaat heeft ontwikkeld met het solidariteitsbeginsel als leidraad?
In Nederland zijn de inkomensverschillen de afgelopen dertig jaar (net als in de rest van de ontwikkelde economieën) weliswaar gestegen, maar het blijft een van de meest genivelleerde maatschappijen ter wereld. Binnen deze gelijkheid zijn natuurlijk structurele verschillen: mannen verdienen meer dan vrouwen, het westen van het land is rijker dan het oosten, onder zelfstandige ondernemers zijn de ongelijkheden veel groter dan tussen mensen in loondienst. Maar over het algemeen is dit soort onevenwichtigheden beperkt. Met inkomensgelijkheid is niet alles gezegd. De Amerikaanse filosoof John Rawls stelde in zijn Theory of Justice dat rechtvaardigheid niet simpelweg een kwestie is van een eerlijke inkomensverdeling. Politieke gelijkheid en gelijkheid van kansen zijn veel belangrijker. Zolang een maatschappij op die twee punten grote ongelijkheden kent, kan er geen sprake zijn van een ware meritocratie waarin ambitie, vermogens en inzet bepalend zijn in plaats van status, komaf of bezit.
Wie Nederland langs de meetlat van de kansengelijkheid legt, krijgt een ander beeld dan dat van een egalitaire samenleving. In de onlangs uitgebrachte studie van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) A Family Affair: Intergenerational Social Mobility across OECD Countries komt Nederland wat sociale mobiliteit betreft verrassend ongunstig uit de bus. De studie richt zich op intergenerationele mobiliteit, gemeten naar loon - wat de OESO duidt met de technische term intergenerational earning elasticity. Met andere woorden: hoe groot is de kans dat jouw inkomenspositie op die van je vader zal lijken. Op dit vlak komt Nederland na België, Luxemburg, Ierland, Zweden, Finland, Frankrijk, Griekenland en Denemarken. Volgens het rapport is een gebrek aan mobiliteit een probleem, omdat een maatschappij talent verspilt én dat mensen frustreert.
Ook de opleiding van ouders als maatstaf voor individuele levenskansen is onderzocht. Hoe hoger de opleiding van de vader, hoe groter de kans dat zijn kinderen later goed zullen gaan verdienen. Dit lijkt voor de hand te liggen, maar in het merendeel van de OESO-landen gaat deze vlieger niet op. Op een paar uitzonderingen na, zoals Engeland, Spanje en Italië. Ook Nederland wordt genoemd in dit rijtje.
Hoe gaat dat, het vergroten van kansen op de arbeidsmarkt doordat ouders goed opgeleid zijn? Werkethos, sociale normen die van ouder op kind overgaan worden genoemd. Daarnaast oppert het rapport de toegang tot sociale netwerken. Hoogopgeleide ouders kunnen hun kinderen makkelijk het eerste zetje geven. De meest opvallende conclusie: de invloed van de schoolomgeving op onderwijsprestaties. Het rapport vergelijkt de invloed van de ouderlijke achtergrond met de invloed van de school zelf op schoolprestaties. Hier spant Nederland bijna de kroon: in geen enkel ander land, Duitsland uitgezonderd, is de school waar iemand op zit bepalend voor de prestaties. Op scholen waar veel kinderen van hoogopgeleide ouders zitten doen leerlingen het bijna zonder uitzondering goed. Op scholen met merendeels laagopgeleide ouders presteert het overgrote deel van de leerlingen matig. 'De sociaal-economische achtergrond van de school is een zeer belangrijk kanaal waarlangs ouders hun gunstige positie overdragen aan hun kinderen’, zo legt de OESO dat uit. Het lijkt logisch: slimme ouders, slimme kinderen. Maar dat is natuurlijk niet hetzelfde als het creëren van gelijke kansen, aangezien zowel de opvoeding als de leeromgeving van grote invloed is op het tot wasdom komen van talent.
Volgens de OESO moet je er in elk geval vroeg bij zijn om dit soort verschillen recht te trekken. De basis voor goed ontwikkelde cognitieve vaardigheden wordt gelegd in de vroegste levensjaren. Daarom pleit men voor goede voor-schoolse opvang (day-care en pre-school) om kansenongelijkheid bij de wortel aan te pakken. Voor dit cruciale onderdeel stemt het nieuwe Nederlandse regeerakkoord positief: op onderwijs wordt niet bezuinigd en kinderen met een taalachterstand worden 'met dwang en drang’ naar de voorschoolse educatie gestuurd, lesuitval wordt hard aangepakt en er komt een actieplan tegen laaggeletterdheid.
Als het gaat om toegang tot hoger onderwijs scoort Nederland weer relatief gunstig. De kans dat iemand hier 'eerste generatie’ student wordt, is vrij groot. Dat is te danken aan ons betaalbare en toegankelijke onderwijssysteem. De democratisering van het onderwijs in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw heeft duidelijk vruchten afgeworpen. Toch blijkt toegang tot het hoger en wetenschappelijk onderwijs geen panacee. Ondanks goede diploma’s hebben allochtonen bijvoorbeeld veel meer moeite om een baan te vinden. Ook zullen ze minder snel bestuursbaantjes of commissiewerk op hun pad vinden. Dit heeft niets te maken met etnische achtergrond maar alles met sociaal kapitaal, zo blijkt uit de studie Onverzilverd talent die onderzoeksinstituut Forum dit voorjaar presenteerde. Het ontbreekt allochtone hogeropgeleiden vaak aan een invloedrijk netwerk, hulp bij een kansrijke sollicitatiebrief of subtiele inwijding in sociale codes, aldus de onderzoekers. Terwijl opleidingsverschillen langzaam verdwijnen, blijft de entree tot een netwerk van informele contacten noodzakelijk om iets met opleiding te kunnen doen.
Op zich is dat natuurlijk niet uniek. Het gegeven dat hoe ongelijker een maatschappij is, hoe slechter de intergenerationele mobiliteit, speelt in meer of mindere mate in álle landen. Die verschillen vertalen zich ook naar de mate van gezondheid en levensverwachting (zie kader). De onlangs overleden Tony Judt heeft dat scherp verwoord: 'De maatschappelijke mobiliteit tussen de verschillende generaties is ingestort. In tegenstelling tot hun ouders en grootouders hebben de kinderen tegenwoordig slechts een minimale kans om zich te verbeteren ten opzichte van de omstandigheden waarin ze werden geboren. Deze economische achterstelling van een enorme meerderheid vertaalt zich in slechte gezondheid en gemiste onderwijskansen, en in toenemende mate ook in de bekende symptomen van depressie, zoals alcoholisme, zwaarlijvigheid, goklust en kleine criminaliteit.’ Judt schrijft dit over de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk en zet zijn aanklachten af tegen de verzorgingsstaten op het Europese vasteland. 'In Zweden en Finland, die gemeten naar inkomen per hoofd van de bevolking tot de welvarendste landen ter wereld behoren, is de kloof tussen de rijkste en de armste ingezetenen heel klein.’
Waarom tart Nederland dan deze logica? Het antwoord zou kunnen zijn dat in Nederland het beleid toch te weinig is gericht op een gelijke startpositie, waardoor er al vroeg kansengelijkheid is die blijft doorwerken op de eenmaal ingeslagen weg. Een ander antwoord is - en dat ligt veel ongrijpbaarder - dat Nederland sterk een samenleving is van het hebben van de juiste contacten. Nergens ter wereld is er traditiegetrouw zo'n rijk verenigingsleven als hier. In deze informele netwerken wordt van alles geregeld. En ook kenmerkt ons land zich door een lange traditie van verzuiling. Binnen de aparte zuilen waren de klassenverschillen duidelijk, maar er was wel een verticale binding met elkaar, terwijl de elite boven de zuilen met elkaar het land bestuurde. Dit zou nog steeds doorwerken in de ontzuilde samenleving, terwijl de onderlinge sociale verbinding is verdampt.

WAT JE in elk geval kunt constateren is dat het huidige systeem kennelijk niet in staat is om sociale ongelijkheid volledig weg te werken. Nederland is tenslotte geen socialistische klassenloze maatschappij, en dat is maar goed ook: daar lag met uitzondering van de nomenclatuur van partijbonzen een rechtvaardige sociale mobiliteit volledig stil. Bovendien: wil en moet iedereen sociaal mobiel zijn, en over de schaduw springen van de ouders?
Maar de uitkomsten van het OESO-rapport nemen niet weg dat er na een decennialange verheffing van de lagere klasse - zie ook de eerste generatie arbeiderskinderen die in de jaren zestig, zeventig van de vorige eeuw massaal gingen studeren - stagnatie is opgetreden. En dát raakt tevens aan het probleem van de eerder genoemde tweedeling, die zich de afgelopen tien jaar duidelijk heeft afgetekend: de kloof tussen lager- en hogeropgeleiden. Dat heeft zich volgens Mark Bovens vervolgens ook vertaald naar een geleidelijke verandering van de representatieve democratie in een diplomademocratie. Daarin is de macht aan de hoogst gediplomeerden, en dat is volgens hem wél een groot gevaar. 'De kans op een terugkeer naar de politieke partijen die de lageropgeleide massa vertegenwoordigen, zoals is ontstaan in de twintigste eeuw, is klein. Hierdoor is de overlegpolitiek op drift geraakt, want de legitimiteit ontbreekt.’
Duidelijk is dat de diplomademocratie, waarin de hoogopgeleide elite in de juiste netwerken opereert, de negatieve zijde toont van de meritocratie. En dat dit in Nederland misschien wel extra wringt. In de ontzuilde samenleving was in de afgelopen decennia alles gericht op het egalitaire meritocratische ideaal: iedereen gelijke kansen en wie slecht leert of niet hard werkt heeft dat alleen aan zichzelf te danken. Dat dit niet waar is en deze maatschappelijke race verliezers oplevert, werd de laatste jaren steeds duidelijker. Bovendien gingen er in de hoogste regionen van de macht steeds meer hoogopgeleiden aan de touwtjes trekken. Dat levert bij de lageropgeleiden, uitgesloten van de macht, het gevoel op van een elite van zakkenvullers en baantjesgraaiers die elkaar de bal toespelen.
Nederland mag dan kampioen zwartkijken zijn, deze kloof schreeuwt om oplossingen. Bovens wijst op het gevaar van een opstand van deze groep. Zo staat dat ook verwoord in het rapport Vreemde in eigen land: anders gaan we het zelf wel doen. Doemt hier aan de horizon een Europese variant op de Amerikaanse Tea Party op, een beweging gericht tegen de overheid en de politiek? Sociaal-economische mobiliteit is bovenal altijd belangrijk voor menselijk welzijn. Mensen worden gelukkig van kansen, vergezichten, doelen stellen en die bereiken. Zoals Derek Bok, oud Harvard-president stelt in zijn boek The Politics of Happiness: zonder vooruitzichten is het leven niet leuk, zelfs al kom je materieel niet echt wat te kort. Op het symposium in Utrecht viel nog weinig concreets aan oplossingen te horen. Op z'n minst is bestuurlijke vernieuwing nodig om buitengesloten groepen te betrekken bij de macht.


Toegenomen gezondheidsverschillen
De kloof tussen hoog- en laaggeschoolden is ook zichtbaar in verschillen in gezondheid en levensverwachting. Hogeropgeleiden leven niet alleen langer dan lageropgeleiden, ze brengen ook een groter gedeelte van hun leven in goede gezondheid door. De levensverwachting van mannen met alleen een lagereschoolopleiding is 72,2 jaar, mannen met diploma uit het hoger onderwijs leven gemiddeld 79,1 jaar. Laagopgeleide vrouwen hebben een levensverwachting van 78,1 jaar tegenover 83,8 jaar voor hoogopgeleide vrouwen. Als het gaat om het gemiddelde aantal jaren die iemand in goede gezondheid doorbrengt is de kloof nog groter. Lageropgeleide mannen en vrouwen leven gemiddeld bijna achttien jaar minder in goede gezondheid dan hogeropgeleiden. Gemiddeld leven hooggeschoolden negen jaar langer zonder chronische aandoeningen. Opvallend is dat deze kloof nauwelijks kleiner lijkt te worden. Volgens het RIVM zijn de sociaal-economische gezondheidsverschillen in de periode 1999-2005 (de jaren van het meest recente onderzoek) zelfs groter dan in de jaren daarvoor. Uit Europees volksgezondheidsonderzoek blijkt dat ook in Finland, Zweden, Noorwegen, Denemarken, Engeland en Italië de gezondheidsverschillen tussen top en bodem de laatste twintig jaar zijn toegenomen.
Bronnen: Nationaal Kompas Volksgezondheid, CBS