Opheffer

Een nieuwe krant

Zo’n twintig jaar geleden gonsde het in de stad dat er een nieuwe krant zou komen. De naam van wijlen Maxwell werd genoemd, en Rupert Murdoch zou ook geïnteresseerd zijn. Geert Mak was erbij betrokken, evenals H.J. Schoo. De nieuwe Nederlandse krant zou een echte volkskrant worden, het linkse antwoord op De Telegraaf. Die krant is er nooit gekomen.

Zo gonst het nu weer van de geruchten over een nieuw weekblad. Oud-hoofdredacteur Verstraten van Nieuwe Revu zou erbij betrokken zijn. Nu is het niet «het linkse antwoord op De Telegraaf», maar «het antwoord op Elseviers Weekblad».

Interessant. Maar waarom?

Een krant – weekblad of dagblad – maak je omdat je vindt dat de andere kranten het nieuws niet zien of verkeerd brengen. Je vindt het geen terroristen, maar bevrijders, en dus maak je een nieuwe krant. Een krant is een extra oog en een extra oor, een mijnheer. Hoewel, toegegeven, tegenwoordig is een deel van die mijnheren «schandknaap» geworden, en zijn het extra oor en oog vervangen door een extra zwaard of pistool.

De noodzaak is desondanks enigszins zoek en dus wordt het zoeken naar een noodzaak.

Is dat een stevig fundament voor een krant?

Je kunt niet zeggen dat in Nederland slechte journalistiek wordt bedreven. Het opleidingsniveau is goed tot zeer goed. Tegenwoordig kom je steeds meer journalisten met een postdoctorale opleiding tegen. De manier van schrijven valt wel eens tegen. Maar dat is meer een kwestie van interesse en talent dan van iets anders.

Wat echt slecht en treurig is, is de mogelijkheid om een bepaald geval diep te onderzoeken. Daar is eenvoudigweg niet het geld voor.

Hoe werkt het ziektekostensysteem in Nederland? Wat zijn de werkelijke identiteitsproblemen van de allochtonen en hoe komen die? Hoe groot is de macht van de megabedrijven? Et cetera. Dergelijke journalistieke verhalen kunnen eigenlijk niet op niveau worden gemaakt omdat een krant of een weekblad zich niet kan permitteren enkele journalisten meer dan een paar maanden tot een jaar op één onderwerp te zetten.

Een nieuwe krant of een nieuw weekblad maakt die mogelijkheid eerder kleiner dan groter. Immers, zo’n krant of weekblad onttrekt lezers en advertenties aan andere kranten, zodat iedereen armer wordt.

En het Bedrijfsfonds voor de Pers dan?

Tja, voor een Groene-columnist die ook wel eens in Het Parool schrijft, is dit een gevoelig punt. Maar ik vind dat er geen enkele overheidsbemoeienis met een opiniërend en verslaggevend medium moet zijn.

Kranten en weekbladen zijn te vergelijken met politieke partijen: je richt ze op in de hoop dat ze overbodig worden. Je hebt een ideaal, en als dat ideaal is verwezenlijkt, dan moet je wegwezen. En is je ideaal niet verwezenlijkt, maar willen de mensen niet aan je ideaal – dan moet je ook wegwezen. Kranten hebben geen ideaal meer. Niet één krant. En dus zijn er veel kranten overbodig geworden.

Af en toe mag ik wel eens iets leren aan studenten van de School voor Journalistiek. Als je vraagt wat hun ideaal is, dan hoor je vaak dat ze Paul Witteman of Max Westerman willen worden, of – nieuw trouwens – een Gerard van Westerloo. Daar is niks mis mee. Helden heb je nodig als voorbeeld of om je later tegen af te zetten. Maar ik zou wel eens willen weten wat honderd of honderdvijftig jaar geleden het antwoord was. Je kunt daar weinig over zeggen, of misschien toch wel iets: Multatuli zou je kunnen zien als iemand die antwoord gaf op die vraag; hij had zo veel meningen en zo veel te vertellen dat hij zelfs zijn toevlucht moest zoeken tot een door hemzelf bedachte nep-krant, waaruit hij iedere keer weer uitermate belangwekkend nieuws citeerde. Er was voor Multatuli een wereld te winnen. Er waren idealen. Er waren taboes die niet werden gebroken, geheimen die geheimen bleven, en de onrechtvaardigheid en de corruptie waren algemeen goed. Er viel veel te doen.

Is dat veranderd? Nee, alleen is er domweg te weinig geld om het te onderzoeken, want Nederland is te klein en te dun bevolkt, terwijl we meer mensen hebben dan vroeger.

Een individuele verslaggever kan misschien nog iets slims doen, en als het goed is, kan hij het overal kwijt. Dat klinkt als een vorm van vooruitgang, maar is de dood in de pot van de journalistiek.

Goddank is de status van de betere journalist nog laag. Het is misschien niet meer de slecht in het pak zittende alcoholist die in het café te luidruchtig de verkeerde grappen maakt en de eetbonnetjes steelt van zijn collega’s, maar hij is gelukkig nog steeds een onsympathieke zeur die het wie dan ook moeilijk wil maken met zijn vervelende vragen. Dat moet zo blijven.

Maar waar blijf ik met mijn journalistieke attitude als ik geen idealen meer heb of als alles aan idealen al bedekt wordt?

Een klein land met te veel kranten die elke richting vertegenwoordigen en daarom allemaal op elkaar lijken, terwijl er nog veel te onderzoeken valt waarvoor eenvoudigweg geen geld is. We weten waar het zit, maar we weten ook dat we er niet bij kunnen. We zijn afhankelijk van klokkenluiders, taxichauffeurs en loslippige ego’s.

«Doe je mee aan onze nieuwe krant?»

Het klinkt eervol, en voor de portemonnee is het ook niet slecht, maar het heeft niks meer te maken met de reden waarom je journalist wilde worden; om met Bobby als je enige vriend verslag te doen van wat zich achter de coulissen afspeelt als de acteur zijn pruik afzet.

P.S. Hierover nog even een leuk zinnetje van Martin van Amerongen, die ik eens vroeg wat hij tegenwoordig nog nieuws vond. Martin antwoordde: «Niet dat de minister-president zich uitkleedt, maar dat hij in zijn hemd staat, kunnen we als nieuws aanmerken.»