Surveillance in de literatuur

Een nieuwe, nettere wereld

Veel schrijvers zijn gefascineerd door privacy en de surveillancemaatschappij. Wie wordt er bekeken? Wie kijken er? En wat schuilt er achter die zogenaamd transparante werkelijkheid?

Plotseling was mijn achterbuurman dood. Hij bleek al maanden eerder overleden, wat ik pas ontdekte toen er een bordje met ‘te koop’ op zijn raam verscheen. Hij was nooit erg op contact gesteld geweest, had zijn betonnen schutting met prikkeldraad bekroond. Nu stonden zijn meubels buiten, sloopten bouwvakkers zijn muren. Na zijn dood dacht ik vaker aan hem dan toen hij nog leefde, aan hoe hij het zou verafschuwen dat zijn doorgaans zo verborgen leven nu op straat lag. Ik schaamde me plaatsvervangend, voor dat wat ik nu van hem zag en alles wat ik eerder niet had opgemerkt. Had ik beter naar hem moeten kijken, had ik meer moeten zien?

Ik let niet erg op mijn buren omdat ik niet graag wil dat anderen op mij letten, of in ieder geval niet mijn buren. De straat waar ik woon maakt het al niet eenvoudig om te ontsnappen aan andermans blikken; de huizen hebben een groot raam aan de voorkant met daar recht tegenover andere huizen met al even grote ramen. Voor surveillance heb je geen technologie nodig, alleen mensen die elkaar in de gaten houden.

Dat woord, surveillance, klinkt onvriendelijk en misschien te extreem in deze context. Maar veiller sur betekent niets anders dan waken over. Een ouder waakt over een slapend kind, een herder waakt over zijn kudde en beschermt die tegen wolven. Er is een tere grens tussen vrijheid en onverschilligheid, tussen interesse en bemoeizucht, bescherming en geweld. Het welzijn van een baby wordt met een babyfoon gemonitord; later, als ze oud genoeg is voor een telefoon, is de kans groot dat haar ouders haar in de gaten houden met diezelfde telefoon, bijvoorbeeld als ze na het uitgaan terug naar huis fietst. De wachter is een goede kracht, iemand die voor ons oplet; zo iemand zou hebben gemerkt wat er met mijn buurman aan de hand was. Maar de wachter is ook degene die anderen buiten houdt, en dus degene die bepaalt wie die anderen zijn en wie er bij ons horen. In het plaatselijke sufferdje vertelt iemand van een buurtpreventiegroep hoeveel veiliger zijn wijk is geworden is door de buurtsurveillance. Trots vertelt hij dat iemand die voor zijn werk in de wijk moest zijn ‘door tientallen bewoners was aangesproken omdat hij verdacht overkwam’. Maar wanneer komt iemand verdacht over? Zodra hij anders is dan we verwachten, afwijkt van dat wat we als normaal beschouwen.

Surveillance is niets nieuws – Cicero klaagde al dat zijn post altijd geopend werd – maar het idee van een naakte waarheid kreeg pas echt politieke betekenis in de negentiende eeuw. In zijn Perzische brieven beschreef Montesquieu de sluier van Perzische vrouwen als het symbool van onderdrukking door traditioneel hiërarchische structuren. In Parijs daarentegen heersten vrijheid en gelijkheid en dus was ‘alles zichtbaar, alles hoorbaar. Het hart toont zichzelf even duidelijk als het gezicht’. Nog altijd kost het onze samenleving moeite om te accepteren dat iemand er uit vrije wil voor kan kiezen om zich te bedekken, om die keuze niet als verdacht te zien.

Zo’n zeventig jaar na Montesquieu, in 1793, kregen zogeheten ‘surveillance-comités’ het wettelijk recht om de publieke veiligheid van de kersverse Franse republiek te waarborgen. Dat deden ze door lijsten van verdachten op te stellen. Omdat die categorie zich steeds verder uitbreidde, zaten er uiteindelijk honderdduizenden mensen gevangen. Wilde je aan dat lot ontkomen, dan moest je een certificaat op zak te hebben, een getuigenis dat je een goed burger was. Later was iedereen verdacht die, in de woorden van de Parijse commune, ‘niets tegen vrijheid heeft gedaan, ook niets ervoor’. Dat is wat surveillance mogelijk maakt, en politiek aantrekkelijk: het idee dat zulk toezicht onze vrijheid juist bewaakt. Er blijkt amper te tornen aan de overtuiging dat surveillance uitsluitend ten koste gaat van anderen die het verdienen, anderen tegen wie wij beschermd moeten worden. Waarom zou je niet bekeken willen worden, je hebt toch niets te verbergen?

Al tweehonderd jaar proberen we toegang te krijgen tot gedachten, dromen en geheimen

De moderne staat heeft zich steeds ingespannen om niet alleen vijanden van buitenaf, maar ook zijn burgers beter zichtbaar te maken, leesbaarder, doorzichtiger. Middeleeuwse wijken met hun kronkelige steegjes, waarin je opgegroeid moest zijn om er de weg te kennen, werden afgebroken en vervangen door rechte, overzichtelijke straten. Lang voor Google Maps werden steden op luchtfoto’s vastgelegd, in kaart gebracht. Er kwamen vaste adressen. De wirwar van bijnamen maakte plaats voor achternamen die je kon registreren, des te efficiënter toen die uiteindelijk aan nummers gekoppeld werden. Gegevens werden bijgehouden en de statistiek ontstond om al die data te analyseren. Nu konden we numeriek bewijzen wat normaal was en wat afweek, hoe een individu zich verhield tot de populatie en hoe die populatie door de tijd heen veranderde. De groei van kinderen werd bijgehouden, en vergeleken met gemiddelden. Oversterfte kon worden afgezet tegen het normale aantal doden, en al die getallen maakten betere zorg mogelijk. Een staat die niet in het leven van zijn burgers wil ingrijpen – om voor hen te zorgen, ze in te tomen of een combinatie van beide – hoeft die burgers ook niet zo goed te kennen. Je moet ertoe doen om bekeken te worden.

Omgekeerd: als je wordt bekeken, zul je er ook wel toe doen. Zonder onze nieuwsgierige blikken zouden er geen beroemdheden bestaan, hun status is afhankelijk van onze surveillance. Juan Gabriel Vásquez beschrijft de verhouding tussen een politicus en de cartoonist die zijn ondergang in gang zet: ‘Cuéllar was een zichtbaar wezen geworden – te zichtbaar. Mallarino stelde zichzelf voor hoe hij de stad van bovenaf bekeek en stelde zich tegelijkertijd de voldoening voor die de gewone mensen moeten voelen, de mannen en vrouwen die te klein en onbelangrijk waren om gezien te worden door hem en degenen zoals hij.’ De keerzijde van voorrechten is het risico op openbare vernedering. Wanneer je het publiek teleurstelt, slaat bewondering snel om in wrok, al helemaal omdat niemand gewone mensen zo zorgvuldig volgt. Zijn zij soms niet de moeite waard om te worden gezien? Geen voorbijganger sloeg acht op acteur Omar Sy toen hij in metrostation Louvre een gigantische poster van zijn eigen gezicht aanplakte. De poster was een reclame voor de serie Lupin, waarvan de plot draait om precies dat gegeven: niemand kijkt twee keer naar de schoonmaker, niemand weet echt wie hij is of herkent zijn gezicht. Er bestaan beroepen die je onzichtbaar maken.

Zelfs voor de machtigste staat is het onmogelijk om iedereen voortdurend te controleren, maar dat is ook niet nodig om controle uit te oefenen. Bentham ontwierp het Panopticon, de gevangenis waar een centrale wachttoren ervoor zorgt dat de gevangenen nooit zeker weten of ze niet bekeken worden, en dus uit angst voor straf zichzelf reguleren. Totalitaire staten maken gebruik van hetzelfde principe. Als je niet weet of je buurman, beste vriend of eigen kind een informant is, wordt eerlijkheid onmogelijk. Niet in staat nog iemand te vertrouwen voer je voortdurend een toneelstuk op. ‘Echtheid bloeit uitsluitend in het donker’, verklaarde Aldous Huxley zijn angst om bekend en dus zichtbaar te worden. ‘Net als bleekselderij.’ Wat nog weleens wordt vergeten is dat in Benthams Panopticon ook de surveillanten onder toezicht zouden staan. Leden van het parlement en zelfs van het publiek zouden gegarandeerd vrije toegang tot de gevangenis krijgen, zodat uiteindelijk niemand onbekeken bleef. Tegenwoordig hebben we daar technologie voor. Terwijl ik dit schrijf landt er een spambericht in mijn inbox dat me probeert te verleiden tot het kopen van een verborgen camera. De reeks vragen die ik na aanschaffing zou kunnen beantwoorden begint kinderlijk, maar wordt steeds alarmerender. Wanneer was die persoon daar? Gaat het goed met oma? Spelen de kinderen? Was de postbode er? Wie heeft een kras gemaakt in de auto? Wie heeft gestolen? Wanneer was de kat er het laatst? Wie was bij uw huis, bij uw auto? Worden hulpbehoevenden goed verzorgd? Wanneer ging de huishoudster weg? Wie was er op uw terrein? Privacy is het recht om niet te worden bekeken. Wetgeving om dat te regelen werd pas noodzakelijk na de opkomst van het Kodak-fototoestel, dat het eind negentiende eeuw mogelijk maakte om snapshots te nemen. Omdat het toestel relatief goedkoop was, waren ook fotografen plotseling haast alomtegenwoordig. Tot ergernis van velen die zich hierdoor bedreigd voelden. ‘Een bedaagde burger kan zich niet overgeven aan enige hilariteit’, klaagde de Hartford Courant,‘ zonder het risico te lopen op heterdaad betrapt te worden waarna de foto van hand tot hand zal gaan onder de kinderen van zijn zondagsschool.’ De bedaagde burger is niet bang om te worden vastgelegd, maar om te worden vastgelegd op het verkeerde moment. Het verkeerde moment, dat betekent: het moment waarop hij geen rekening houdt met de ogen van anderen, waardoor hij niet degene is die hij graag in hun ogen weerspiegeld ziet. Het moment dat hij, volgens Huxley, op zijn echtst is. Wie ben je als er niemand kijkt?

In de dystopische roman Wij, een belangrijke inspiratiebron voor Orwells 1984, beschrijft Yevgeny Zamyatin het leven in een staat die geregeerd wordt door de almachtige Weldoener. Wanneer de hoofdpersoon merkt dat iemand over zijn schouder kijkt om te zien wat hij leest, is hij niet geïrriteerd. ‘Het sterkte me, zou ik zeggen. Het is zo fijn om te merken dat iemand je scherp in het oog houdt, vriendelijk voorkomt dat je ook maar de geringste vergissing begaat, de geringste misstap.’ Alle inwoners van deze staat leven in glazen huizen. Ze zijn altijd en voor iedereen zichtbaar, behalve op de gereglementeerde seksdag wanneer ze de vergunning krijgen om de ramen te blinderen. Geen punt, want zij hebben niets te verbergen – maar stel je voor wat er zonder die transparantie allemaal zou kunnen gebeuren.

Zamyatins personage is ervan overtuigd dat de mogelijkheid je te verbergen mensen vrijer maakt dan goed voor hen is. Wie zijn eigen fouten niet weerspiegeld ziet in de beschuldigende ogen om hem heen, zal machtig zijn en asociaal en schadelijk. In die vrees staat hij niet alleen. De hoofdpersoon in HG Wells’ roman De onzichtbare man wordt onzichtbaar door een wetenschappelijk experiment. Vooraf is hij nieuwsgierig naar de effecten van onzichtbaarheid, maar voorziet hij geen grote problemen. Eenmaal onzichtbaar bezwijkt hij voor de verleidingen van ongestrafte misdaad en wordt steeds angstaanjagender. Hij is niet in staat zichzelf op het rechte pad te houden, maar kan ook zijn onzichtbaarheid niet ongedaan maken. Pas nadat hij door een menigte gelyncht is, wordt zijn lichaam weer zichtbaar, verschijnt een eerst nog glasachtige hand, die langzaam steeds donkerder kleurt. Het gezicht dat zo lang onzichtbaar bleef moet nu uit respect worden bedekt.

Alles wat door anderen gezien kan worden, voegt zich naar de geldende normen

Wells schreef zijn boek als waarschuwing tegen de ongebreidelde wetenschappelijke innovatie die zijn hoofdpersoon belichaamt. Zijn boek werd in 1933 angstaanjagend verfilmd; zeven jaar later verscheen de tegenhanger, The Invisible Woman. De onzichtbare man vormt een gevaar voor de maatschappij, maar een onzichtbare vrouw blijkt hooguit komisch. De wereld zou een stuk minder gecompliceerd zijn als meer vrouwen onzichtbaar waren, grapt een personage. Onder die komedie schuilt een pijnlijke werkelijkheid, want natuurlijk wordt lang niet iedereen als even bedreigend beschouwd – de toeslagenaffaire is slechts het laatste bewijs daarvan. Geslacht, huidskleur, nationaliteit, etniciteit en inkomensniveau bepalen of je als gevaarlijk wordt gezien en dus hoe strikt je zult worden gemonitord. Een god ben je in het diepst van je gedachten omdat er niemand is die jou daar ziet.

Al doen we wel degelijk ons best om ook tot die gedachten door te dringen. Het doel van surveillance is immers niet zozeer om te zien, als wel om te doorzien; het streven een volmaakte transparantie. Al meer dan tweehonderd jaar proberen we de leugens te omzeilen waarachter mensen zich verschuilen en toegang te krijgen tot het ultiem verborgene, de gedachten, dromen en geheimen die doorgaans onzichtbaar blijven. In 1911 sprak The New York Times de hoop uit dat rechercheurs, getuigen, de jury en de verdediging snel uit de rechtszaal zouden verdwijnen, omdat de staat met wetenschappelijke experimenten eenvoudig zou kunnen zien wie er de waarheid sprak. Tien jaar later testten Larson en Keeler hun leugendetector uit in een studentenhuis in Berkeley, dat last had van onopgeloste diefstallen. Tijdens de ondervraging van Helen Graham, een arme en impopulaire student, toonde de machine een sterke bloeddrukverandering als het over de diefstal gaat. Graham vluchtte weg, maar zou na langdurige ondervragingen alsnog bekennen. Juichend berichtte de pers over het succes van de leugendetector. Jammer alleen dat dat succes weinig te maken had met de machine zelf, en meer met de mythe van onfeilbaarheid. Zodra Graham thuis in Kansas was, trok ze haar bekentenis weer in. De leugendetector zou in Amerika een groot succes worden. Maar terwijl Keeler de machine allengs meer bekendheid gaf, zou zijn compagnon steeds heviger gaan twijfelen aan de werking ervan. Kort voor zijn dood, na veertig jaar te hebben gevochten tegen het grote succes van de leugendetector, zou Larson zijn eigen uitvinding beschrijven als een monster van Frankenstein.

Hoe strikter de surveillance, des te meer de surveillant zelf begint te lijken op iemand die lijdt aan paranoïde wanen. De Oost-Duitse Stasi zag een bedreiging in de voetbal die door een stel kinderen uit West-Berlijn per ongeluk over de muur was getrapt. De dienst beschouwde het peertje dat iemand uit het raam had gegooid in een straat waar veel partijbonzen woonden als een teken van vijandelijke krachten. Van zulke overschrijdingen namen agenten de exacte locaties op en archiveerden de gegevens zorgvuldig, alsof het vastleggen op zichzelf al bescherming bood. Surveillance is vaak niet zo intelligent als we geneigd zijn te denken, omdat de surveillant geneigd is om de werkelijkheid aan te passen aan zijn eigen wereldbeeld. Bovendien worden er zoveel gegevens verzameld dat een poging om daartussen te vinden wat je zoekt nogal eens neerkomt op water willen drinken uit een brandslang – al is die efficiëntie door de koppeling van databases sterk toegenomen. Had iemand dertig jaar geleden voorspeld in welke mate elk van ons nu wordt gemonitord, dan was hij uitgelachen of bestempeld als waanzinnig. De behandelaren van patiënten met achtervolgingswaan maken er soms gebruik van dat de surveillancesamenleving tegenwoordig een onomstreden feit is. We weten allemaal dat tegenwoordig iedereen gevolgd wordt, dus wat maakt jou bijzonder genoeg om een speciaal doelwit te zijn?

Eigenlijk had Wells’ onzichtbare man blind moeten zijn. Als het menselijk oog volledig transparant was, zou het namelijk niet goed kunnen functioneren: je hebt een ondoorzichtig lichaam nodig als je de wereld om je heen echt wilt zien. Dorrigo Evans, de hoofdpersoon van Richard Flanagans roman The Narrow Road to the Deep North, bevindt zich met zijn minnares in een hotelkamer, waar de minibar automatisch registreert dat hij een flesje Glenfiddich pakt. ‘Hij voelde dat er een nieuwe, nettere wereld op komst was, een tammere wereld, een wereld van grenzen en controle, waarin alles bekend was en niets hoefde te worden ervaren.’ Evans is niet in staat zich te verzoenen met de bloedeloze nieuwe werkelijkheid waarin het er niet toe doet of je de whisky opdrinkt, alleen maar of je het flesje aanraakt. Een wereld onder strikte surveillance is een holle wereld, waarin het draait om de goed gepolijste buitenkant. Alles wat door anderen gezien kan worden, en onder strikte surveillance is dat zo’n beetje alles, voegt zich naar de geldende normen. Uiteindelijk maakt het dan niet eens meer uit of je er nog echt bent.

Ray Bradbury’s verhaal There Will Come Soft Rains speelt zich af in 2026, met als hoofdpersoon een huis dat zo smart is als je je maar kunt wensen. Het eten wordt automatisch klaargemaakt en opgeruimd, de tafel vouwt zichzelf uit compleet met martini’s en speelkaarten, op een vast moment wordt een gedicht voorgelezen. Maar er is niemand meer om van die zorg te profiteren: dit is het laatste huis dat na de kernbom nog overeind staat. Het enige wat van de voormalige bewoners overbleef is een schaduw op de muren, een afdruk van twee spelende kinderen, een man die het gras maait, een vrouw die bloemen plukt. Bradbury’s huis heeft geen bewoners nodig: het dient geen mensen, maar routines. Ontregeld raakt het slechts door wat van die routines afwijkt. De hond sterft en wordt opgeruimd door ijverige robotmuizen. De overige dieren in het huis hebben al helemaal geen lichaam, zijn slechts kleurige projecties op de glazen wanden van de kinderkamer, die stipt op tijd verschijnen en verdwijnen. De toevallige aanraking van een echte vogel doet het huis rillen van afschuw en abrupt de ramen sluiten om zichzelf te beschermen. Bradbury zelf werd trouwens nauwlettend gevolgd door de fbi, die science-fiction beschouwde als vruchtbare grond voor de verspreiding van communistische ideologieën.

Het merendeel van onze wanden is nog niet van glas, ons huiselijk leven is desalniettemin een stuk doorzichtiger dan we doorgaans beseffen. In Amerika vraagt de politie bij ernstige misdrijven geregeld de gegevens op van audiosystemen als Alexa. Het apparaat dat je leven zou vereenvoudigen ontpopt zich als een vijandige spion zonder gewetensbezwaren. Plotseling heeft een speaker de macht om je te ontmaskeren als leugenaar of om je juist een onbetwistbaar alibi te geven. Anders dan de gevangenen in het Panopticon hebben wij meestal niet door dat we bekeken worden door ons huis en telefoon, of door de camera’s op straat. Omdat er in ons midden geen door schijnwerpers verlichte wachttoren staat, wanen we ons veilig. Dat verandert pas wanneer die digitale data opeens tastbaar worden.

Zoals in Patrick Flanery’s roman I Am No One, waarin de hoofdpersoon een pak papier ontvangt. Het zijn prints van zijn mails en zoekopdrachten, de fysieke weergave van zijn virtuele geschiedenis die een onbekende heeft verzameld. Of als er een groepje gemaskerde figuren uit een busje springt, zoals in Sam Byers’ Perfidious Albion. Zonder waarschuwing vooraf zullen ze de virtuele geheimen van willekeurig gekozen burgers publiek maken, tenzij iemand zich opoffert en vrijwillig iets beschamends openbaart. ‘Wat wil jij niet delen?’ is de vraag die de groep stelt. Wat de burgers niet willen delen is alles wat ze online hebben gedaan en misschien liever vergeten, maar wat ‘nog steeds bestaat, en nog steeds is wie jij bent, en op een dag kan iemand, wie dan ook, je eraan herinneren, dat betekent, uiteindelijk, je eraan herinneren wie je echt bent’.

Het ooit zo vervallen huis van mijn achterbuurman is nu volledig opgeknapt. De stijlvolle inrichting van de nieuwe bewoners zou zo uit een woontijdschrift kunnen komen. Maar op de stoep hebben ze een houten bankje neergezet, met op de rugleuning een messing plaatje. Niet op zitten, staat erop, dit is géén openbare bank. Ik ben duidelijk meer geneigd tot surveillance dan ik mezelf graag wijsmaak, want steeds als ik de lege bank passeer, vraag ik me af hoe groot de holte is die onder dat perfecte leven schuil moet gaan. ‘De ziel?’ vraagt een van de personages uit Zamyatins boek sarcastisch. ‘Nog even en cholera komt ook weer terug.’