Een nieuwe tante (4)

Toen mijn dochter in bed lag, voelde ik me sinds tijden weer eenzaam.
Ik heb me vaak afgevraagd wat ik dan precies voel, maar het is net of ik dan een paar puzzelstukjes niet kan vinden; ik voel me mislukt, miskend, nutteloos ook en onterecht alleen, maar tegelijkertijd nog iets anders… iets wat ik niet onder woorden kan brengen.

Eenzaamheid is in ieder geval een onvermogen tot overgave; het is de nuchterheid die niet nuchter wil zijn; het is een besef van een tekort. Ik was ook verwend, want goedbeschouwd was er weinig reden tot klagen: ik heb een lieve dochter, en ik kan neuken met een dronken vrouw.
Zou er ooit nog een vrouw echt verliefd op mij kunnen worden? Een mooie vrouw bedoel ik. En dat ik dan, op hetzelfde moment, ook verliefd was op haar? Ik ben er met de jaren steeds minder in gaan geloven; ook dat maakt deel uit van eenzaamheid. Je moet altijd inleveren op je dromen - het zijn altijd anderen die meer krijgen; en die anderen krijgen dat vele altijd ten onrechte.
Mijn dromen… ach gut. Al jaren bestudeerde ik schrijvers en filosofen en het enige wat ik kon bedenken, was dat ik eigenlijk het liefste een lekker dom blondje wilde, dat gewoon 24 uur per dag in pikante lingerie door m'n huis liep.
Wat een ellende allemaal, kort samengevat.
Mijn dochter sliep vast; haar ademhaling was rustig. Gek, hoe eenzaam ik ook was, tegelijkertijd kon dit tafereel, zo'n meisje dat sliep, me intens gelukkig maken, terwijl ik - eveneens tegelijkertijd - angst voelde; dochter lag bijna net zo als Anna Rodriquez. Ziekte, wat een angst!
Ik keek in de kasten of er ergens iets te drinken was, hoewel ik Ex had beloofd niet te drinken als dochter bij me sliep. Maar die afspraak was van tien jaar geleden, die gold toch eigenlijk niet meer.
Ik vond twee blikjes bier in de koelkast. Mooi. Het was twaalf uur ’s nachts en het was een bewogen dag geweest. Op dat moment begon de fax te ratelen.
‘Ik SCHAAM MIJ DIEP. O, wat een afgang. Ik stond voor uw deur en toen werd ik niet goed. Ik hoorde dat u de ambulance en een dokter hebt gebeld. Ik wil u daarvoor hartelijk danken. Ik durf u niet onder ogen te komen, want ik schaam mij. Neemt u mij alstublieft niet kwalijk. Ik zal u niet meer komen interviewen. Trouwens, ik ben nu een beetje bang om naar u toe te gaan. (Bang dat het weer gebeurt.) Maar ik wil u toch heel erg bedanken. Anna Rodriquez.’ Een mager handschrift. Geen schokken - dus je kon eigenlijk niet zien dat je met een epileptica te maken had.
Ik las de tekst nog eens over.
Ze durfde me niet meer onder ogen komen, die zin, daar kwam het op neer. Waarom belde ik haar niet? Waarom altijd die schijterige beleefdheid van mij? Waarom brak ik nooit eens door mijn eigen opvoeding heen?
Zij schaamde zich. Dat was toch mooi meegenomen? Meestal - altijd eigenlijk - schaamde ik me; is het niet voor mijn gedrag, dan is het wel voor de dingen die ik denk.
Wat kon het mij eigenlijk schelen? Wie was er nu eenzaam: zij of ik? Ik toch zeker.
Ik ging achter mijn schrijftafel zitten en maakte een 'ontwerptekst’.
'Geachte mevrouw Rodriquez.
Er is niets om u voor te schamen. Integendeel. Als u mij werkelijk wilt bedanken, dan vraagt u naar mijn mening over de Nederlandse televisie, zoals u mij in uw eerste fax verzocht. Ik begrijp best dat u niet hier durft te komen, maar door het wel te doen, komt u misschien over uw angst heen. Neemt u desnoods iemand mee.’
De brief ontbeerde ieder gevoel voor humor en charme, maar juist daardoor durfde ik hem te versturen. Ik zette mijn fax aan, en zie, binnen twee minuten had ik een antwoord terug.
(Wordt vervolgd)