Een nieuwe tante (5)

‘Ja, ik wil u heel graag bezoeken. Schikt morgen… Faxt u me als 11 uur ’s ochtends niet schikt. Ik durf wel bijna niet aan te bellen, bang dat ik weer een aanval krijg, maar nu weet ik dat ik goed verzorgd zal worden. Hartelijke groeten. Anna.’

Gek dat ik gelukkig was met deze mededeling. Vroeger zou ik zulke brieven niet hebben geschreven en zulke antwoorden onmiddellijk hebben weggegooid. Maar dat kinderlijke handschrift, die dromen die van het papier in mijn hoofd kwamen - daar leefde ik tegenwoordig van.
Hoe krijg je een idee in iemands hoofd gestopt? Ik wou dat ik dat wist. Wat is de toverstok waarmee je iemand kunt ontroeren of op je kunt laten verlieven? Het was makkelijk om te haten en om gehaat te worden. Daar hoefde je weinig voor te doen; en daarom hebben we ook een hekel aan elkaar. Maar de harteklop sneller laten gaan… hoe je dat moest doen, wist niemand. Doe je aardig, dan krijg je een mes in je rug. Het vinden van iemand die jou ook mag, is te vergelijken met een stadion vol schreeuwend en joelend gepeupel waartussen je iemand zoekt van wie je niet weet hoe ze eruit ziet.
Anna was een droom die als hij zou worden waargemaakt alleen maar ellende betekende; ze was te jong, te ziek, en eigenlijk was haar handschrift ook te kinderlijk. Waar of niet? Maar juist die ziekte… Ze heeft hulp nodig, iemand die voor haar zorgt. Die door haar schoonheid - want ze was mooi - heen kijkt, en het dan niet erg vindt dat hij de dood met haar ziet spelen. Als ze een aanval heeft, weet ik wat ik moet doen, en zal tegelijkertijd van haar genieten; ik zal de dood uit haar hoofd en lichaam wegjagen zonder hem te storen, want eigenlijk zijn de dood en ik best wel goed met elkaar.
Ik ging naar het kamertje van mijn dochter en keek of ze sliep.
Haar rust en schoonheid boezemde me altijd angst in, maar ik verjoeg hem. Ik kuste mijn dochter.
Morgen zou Anna komen. Om elf uur.
Het was nu twee uur. Als de slaap maar wou komen.
En dan die Marjan die opeens op mijn stoep stond. Volkomen laveloos. Net zo dronken als ik een paar jaar geleden. Zou ze naar me toe gekomen zijn omdat we geneukt hebben, vroeger en nu? Ja natuurlijk. Maar het was toch allemaal waardeloos? Als er twee mensen nooit meer iets met elkaar te maken moeten hebben, dan zijn dat Marjan en ik.
Ik probeerde Marjan uit mijn hoofd te krijgen en plaats te laten maken voor Anna, maar Marjan verdween niet.
‘De ene zieke vrouw strijdt met de andere zieke vrouw. Ik weet ze wel uit te zoeken.’ Was dat allemaal mijn schuld?
Mijn vriend Joost is vijftig en zwerft ’s nachts door de stad. Hij gaat van het ene cafe naar het andere, hij bezoekt ook disco’s en vangt daar soms jonge meiden.
Wat een leven; hij zou geexecuteerd moeten worden, want hij kan verder niets.
Waar droomt hij over? Ik droom altijd. Dromen zijn het kapitaal van luizen zoals ik.
Morgen zou ze komen. Het wordt natuurlijk niks. Ze praat natuurlijk verkeerd. Ze is dom. Ik weet na drie minuten al niet meer wat ik zeggen moet. Er zal geen contact zijn. Dat is het ergste, dat ze domme dingen gaat zeggen. Dat je er niet doorheen komt.
Waarom ga ik niet naar de hoeren? Dat moet dezelfde reden hebben als waarom ik geen slaappillen durf te nemen. Angst. Angst dat er iets gebeurt.
Wat zou er kunnen gebeuren? Geen idee. Morgen komt Anna. Ik moet gewoon aardig doen. Dat kan ik. Ik kan aardig zijn. Maar dat duurt altijd maar twee minuten en dan moet ik me weer aanstellen. Hoe verleid je een vrouw? Ik weet het niet. En over acht uur komt ze al. Ik ben te moe, ik zal er niet uitzien.
(Wordt vervolgd)