Punk is nog steeds niet dood

Een nieuwe toekomst

Punk is al een paar keer dood en weer niet-dood geweest. De laatste revival heeft niets meer van de destructieve, panisch-pessimistische revolte van 1977. Onstuitbaar positief zijn ze, de punks van nu.

«Het liefst loop ik in een driedelig pak», verklaart Iepe B.T. Rubingh, een van de deelnemende kunstenaars aan de tentoonstelling Ik ben een punker, mama! Wat is de betekenis van punk anno 2000? Dat is de vraag die niet alleen deze tentoonstelling in Mama — een «showroom voor media en bewegende kunst» in Rotterdam — oproept, maar die ook Rubingh in zijn werk onderzoekt. Met uiterlijk heeft het in ieder geval niets te maken, vindt hij. «Ik heb geen pin door mijn neus, maar een pin door mijn hersenpan.»

Foto’s en video’s getuigen van de twee performances die Rubingh (26) uitvoerde op drukke kruispunten in het centrum van Tokio en Berlijn. Bijgestaan door tientallen lokale kunstenaars slaagde hij erin binnen 45 seconden de plek met rood-wit afzetlint te blokkeren. Een enorme verkeerschaos was het gevolg. «I’m very sorry, said the joker to the Shogun, but this is funny, isn’t it?» heette de Japanse versie, waarbij Rubingh getooid met narrenkap als joker fungeerde. Een ludieke actie, die Rubingh desalniettemin op tien dagen cel kwam te staan, waar hem het hemd van het lijf werd gevraagd. Niet zozeer deze curieuze westerling was staatsgevaarlijk als wel de veertig assisterende Japanners.

Hoe anders verliep de actie in Berlijn, waar de ME zo vriendelijk was het afzetlint weer op te ruimen. Wat is de inzet van zo'n onschuldig optreden? «Ik vind het oninteressant om de straat op te gaan met leuzen als ‹Kapitalisten zijn klootzakken›, zoals vroeger gebeurde», zegt Rubingh. «Het mooie van guerrilla en terroristische aanslagen is dat ze diep in de samenleving ingrijpen, maar voor het idee zelf zijn ze slecht. Tachtig procent van het publiek haakt af. Ik probeer op een subtiele manier contact te maken met mensen op straat en hen even uit hun dagelijkse doen te halen. En ik bereid de acties zo voor dat de kans op ongelukken of agressie minimaal is.» Na vergelijkbare acties in New Delhi, Johannesburg en Mexico City zal het project culmineren in New York. Het liefst had Rubingh de apotheose in Peking laten plaatsvinden, maar: «Dat mag niet van mijn moeder.»

Iets grimmiger is het werk van Peter Rataitz (55). In Mama hangt een serie car toons van een haas in verschillende poses: The Last Shit for Cosmetic Industries. Het is de echo van een eerdere performance in Mama die nog altijd de gemoederen in beweging brengt. Het publiek kon zich gratis laten knippen door sympathiserende buurtkappers, maar werd geïnstalleerd pal voor een monitor met gruwelijke beelden van dierproeven.

Zachtaardiger zijn de performances van Gyz la Rivière die hij samen met Rufus.K uitvoert. Zij werken aan een serie waarvan de eerste heet: Iedereen kan schilderen. Uitgenodigd om deel te nemen aan een expositie in het Centrum Beeldende Kunst op de Rotterdamse Binnenweg besloot het tweetal twee digitale foto’s van henzelf in wit schilderstenue, gewapend met toetsenbord en muis, op canvas uit te printen. Een subtiele manier om de vraag naar de aard van kunst vandaag de dag aan de kaak te stellen.

Aanstaande zondag vindt in de Gouvernestraat het vervolg plaats: Iedereen kan communiceren. Communicatietrainingen, flyers, gratis kranten — we worden overspoeld door een onophoudelijke stroom van informatie. Maar wat wordt er eigenlijk gezegd?, vraagt Gyz zich af. Met deze vraag zal hij ook het winkelende publiek in de Rotterdamse Koopgoot lastigvallen. Gekleed als Witte Kruis-medewerker zal hij de kooplustigen wijzen op hun werkelijke behoeften. Met Iedereen kan een plaatje maken, dat de dj-hype op de korrel neemt, is de serie voltooid.

In het verlengde van het lichtvoetige karakter van hun werk hebben Gyz en Rufus.K besloten een beweging op te richten die zich de HuMobisten noemt. HuMobisme is een samentrekking van humor en Mind your own business. «Het is belangrijk om serieus te zijn, maar een knipoog mag niet ontbreken», vindt Gyz, die mode heeft gestudeerd en nu in Mama exposeert met een video-installatie die de punkgeschiedenis (van oprukkende ME'ers en stenen gooiende krakers tot punkconcerten en slogans) in beeld brengt.

Punk anno 2000 betekent speldenprikjes in de dikke huid van het establishment. Zo veranderde Jasper van der Made (36) het logo van elektronicagigant Correct in Corrupt (prominent zichtbaar in de etalage van het cbk). «Die verbastering is in de volksmond gemeengoed», legt Van der Waard uit. «Ze hangen de hele stad vol met reclame, ze bestoken iedereen met hun beeldmateriaal en daar reageer ik op. Van wie is de stad? De overheid kan wel alle panden verhuren en verkopen aan bedrijven, maar er wonen hier ook nog mensen die op hun beurt iets aan het straatbeeld willen toevoegen.»

De barricaden zijn verleden tijd, beaamt Boris van Berkum (32), samensteller van Ik ben een punker, mama! «Vroeger was het ‹no future›, nu spreken we van ‹new future›. Heel optimistisch, ja. We proberen een verandering teweeg te brengen in de manier van kijken, denken en werken. En het is belangrijk verworven vrijheden te behouden. Bij de opening van de tentoonstelling hing op de gevel de slogan ‹Gay is uit›. Gays krijgen het weer steeds moeilijker. Kijk maar naar de kritiek op de Gay Parade, de vrees voor homofobie en verminderde aandacht voor aids. Wij doen niet aan oorlogvoering maar aan bewustzijnsverruiming. Humor en satire zijn daarbij een sterk wapen. Daarnaast proberen we mensen aan te zetten om zelf iets te doen in plaats van voor de tv te zappen. Be creative is onze message. En dat werkt. Naar aanleiding van onze tentoonstelling zijn onbekenden in de stad affiches gaan plakken die reageren op onze beelden.»

Do it yourself is de slogan die keer op keer klinkt. Ook uit de mond van Stefan Tijs (24) die samen met Kevin Aper (22) het kersverse label Stardumb Records runt, en afgelopen weekend een punkfestival organiseerde in Waterfront aan de oever van de Maas. De omstandigheden waaronder punk indertijd ontstond (hoge werkloosheid, woningnood en vooral de wapenwedloop) zijn nu ondenkbaar. «I’ll destroy myself before you destroy me», was de reactie van veel jongeren. Dit leidde niet alleen tot de agressieve punk-look met hanenkammen, veiligheidsspelden en scheermesjes, maar was ook het groene licht voor ongebreideld drank- en drugsgebruik. De spuit was het ultieme symbool van zelfdestructie.

Maar wat nog altijd als een huis overeind staat is het do-it-yourself-principe. Tijs: «Toen de Ramones in Engeland speelden, was dat een eye-opener voor de musici van de latere Clash en Sex Pistols. In die tijd had je vooral belegen bands als Fleetwood Mac. Opeens stonden daar jongens in spijkerbroeken en op afgetrapte gympen te spelen. Simpele muziek die zijzelf ook zo konden spelen. Die herkenning was essentieel. Dat geldt nog steeds. In de punk heb je geen superhelden, zoals de Backstreet Boys, maar gewone jongens en meisjes. Ik weet nog goed dat vijf jaar geleden op Lowlands Greenday zou spelen. In het voorprogramma stond een klein onbekend bandje en de jongens van Greenday stonden lekker tussen het publiek te dansen. Het is ondenkbaar dat je de leden van de Smashing Pumpkins tussen het publiek zou aantreffen.»

Stefan Tijs beschrijft het punkpubliek als «supportive». Iedereen is actief, maakt blaadjes of websites, doet boekingen van bands, speelt zelf of heeft een labeltje. Als Tijs in Italië naar een festival gaat is hij verzekerd van een slaapplaats, zoals nu zijn eigen huis onderkomen biedt aan buitenlandse gasten. Dat is een groot verschil met andere muziekscenes: «Dj’s in de dance vragen astronomische bedragen plus een kamer in het Hilton voor zichzelf en hun vriendin. Artiesten in de hiphop komen niet voor minder dan duizend gulden. In de punk doet dat er helemaal niet toe. Als je maar lekker bezig bent.»

Het Stardumb Rumble festival in Water front biedt op zaterdagavond zeven bands voor de afbraakprijs van ƒ12,50. Uit heel Europa zijn punkfans toegestroomd en rond negen uur ’s avonds is het al vol. Bekendere bands als de Travoltas en de Buckweeds — waar een originele Ramone (Marky) in mee speelt — worden afgewisseld met onbekend talent als de nieuwe Rotterdamse groep Ragin’ Hormones. Het publiek bestaat uit twintigers. Slechts hier en daar duikt een hanenkam op of een punkmeisje met halsband, piercings en gescheurde kousen. De huidige outfit is beperkt tot een spijkerbroek met omgeslagen pijpen, baseballpetje en All Stars. In muzikaal opzicht lijkt de tijd echter te hebben stilgestaan. De dichtgeplamuurde sound van veel gitaren en drums die zo'n onbestemde klank opleveren, de high energy en de simpele drie-akkoordennummers doen nostalgisch aan. Met één subtiel verschil: de jongens nu zingen onberispelijk zuiver.

Volgens Tijs zijn er grote verschillen tussen bands en stijlen, maar uiteindelijk is de rock-‘n-roll toch de basis van alle punkmuziek: «De Ramones zijn het grote voorbeeld. En die baseerden zich indertijd weer op Buddy Holly.» Tekstueel is er van de punk spirit echter weinig over. Een enkel hardcorebandje maakt zich nog druk over seksisme, homofobie of dierenleed, maar de meeste nummers zijn gewoon liefdesliedjes. «Voor veel musici zijn de Beach Boys en de Beatles het voorbeeld», zegt Tijs. «Ze willen mooie muziek maken. In de tekst komt een persoonlijke kijk op de wereld terug, preachen is er niet meer bij.»

Leen Steen (36), de motor achter het punk label Tocado Records, is een punker van de oude stempel die met lede ogen aanziet hoe de punkgedachte verwaterd is geraakt. Echte activisten, zoals de groep rond Eurodusnie, zijn op de vingers van één hand te tellen. De jonge generatie is verwend. «Dat je nu bijvoorbeeld niet meer mag crowdsurfen want je zou eens een bloedneus krijgen!» fulmineert Steen. «Who cares? Daar word je hard van. Die jongeren worden doodgeknuffeld. Terwijl je toch wilt dat mensen de pan uit flippen. Ik weet nog goed hoe wij indertijd een tram instapten en keihard schreeuwden: ‹Euthanasie voor iedereen boven de 45, want jullie zijn toch al dood!› Ik droeg een T-shirt met de tekst: ‹I hate everything.› Klaar! En ik meende het nog ook.»

Leen Steen is de laatste om te ontkennen dat de tijden veranderd zijn. «Vooral dat die bom elk moment kon vallen, dat maakte je zo pissig», herinnert hij zich. «Maar nu heb je zo'n raketschild. Open your eyes! Over alles haalt men de schouders op. En het is heel makkelijk om aan dat circus mee te doen: je gaat naar school, doet een computercursus, krijgt een baan met drieduizend piek in de maand en voor je het weet is je grootste zorg wat de volgende vakantiebestemming zal zijn.»

De huidige consumptiedwang is een onderwerp dat punkers van jong tot oud ergert. Wat Leen Steen betreft zou het wat feller mogen. «Agressie is van alle tijden. Dat zinloos geweld komt ook ergens vandaan. Wij schopten tenminste tegen de ‹schuldigen›. Dat ontbreekt nu. Alles wordt doodgerelativeerd. Leven en laten leven. Het is not done om kritiek op iets te hebben. Ik neem die jonge punkers niets kwalijk, maar ik vind het jammer dat punk zo'n lege huls is geworden. Misschien is het gewoon een kwestie van tijd. Tot er weer een flinke crisis uitbreekt. Een nieuw begin, een nieuw elan.»

Stefan Tijs vindt inderdaad dat alles relatief is. Ook het heimwee naar de punk van weleer. «Je moet niet vergeten dat de Sex Pistols de Spice Girls van die tijd waren», zegt hij. «Vanaf het allereerste begin hadden ze een manager en zijn ze doelbewust in de media gepromoot. Hun eerste plaat kwam direct bij een major label uit. Ook The Clash had een manager die alles voor hen regelde. Dat heeft veel minder met de punkgedachte te maken dan de kleine bandjes van nu die helemaal zelf hun tournees op poten zetten. Daar komt geen manager, laat staan een Mojo, aan te pas. Natuurlijk leven we nu in een andere tijd. Van een ‹nuclear war› is geen sprake meer, en het slaat dus ook nergens op om nu nog op straat van de dope verrot te gaan. Dat is niet meer van deze tijd. Dan kun je beter leuke feestjes organiseren.»

Ik ben een punker, mama! t/m 1 november in Mama, Witte de Withstraat 31, Rotterdam, wo t/m zo van 13 tot 19 uur.